id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.780 Rolnummer: A. 114780/XIV-7825 Zaak: Arrest 136780 - - 27/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-22 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 12:36 Fiche Arrest nr 136.780 van 27 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.780 van 27 oktober 2004 in de zaak A. 114.780/XIV-7825 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat N. BOGAERTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Sanderusstraat 25 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 20 juni 1977 en van Algerijnse nationaliteit, op 19 december 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 december 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 september 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 29 januari 2002 waarbij aan de verzoeken- de partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota van de eerste verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-7825-1/7 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 26 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 6 oktober 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat N. BOGAERTS, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur D. HANOULLE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België waarschijnlijk binnen op 12 september 2001 en verklaart zich vluchteling op 17 september
- 1.
- Op 24 september 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 12 december 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina's. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaart de Algerijnse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit de douar Ouled Tayeb van Ramka (Wilayat Relizane). U zou uw legerdienst zonder enig probleem afgerond hebben. Op 25 augustus 2001 zouden er gewapende mannen bij u thuis langsgekomen zijn. Uw vader zou de deur geopend hebben terwijl u langs de achterkant ontsnapt zou zijn. De vier mannen zouden naar u gevraagd hebben. Eén van de mannen zou het huis doorzocht hebben. De volgende dag zouden uw familie en nog 10 à 12 andere inwoners van Ouled Tayeb klacht ingediend hebben bij de politie van Ramka. Er zou een proces-verbaal opgesteld zijn en de XIV-7825-2/7 politie zou u en de inwoners verzekerd hebben bescherming te zullen bieden. In de nacht van 30 augustus 2001 zouden terroristen afgedaald zijn naar het huis van de familie Ben Arrousa en gans de familie hebben vermoord. Er zouden geen getuigen geweest zijn. Op 31 augustus 2001 zouden ongeveer 500 inwoners van Ouled Tayeb verhuisd zijn. U zou met uw familie naar Ramka verhuisd zijn waar uw familie een hutje zou gebouwd hebben op een stuk grond van een vrijgevige boer. Na de moord op de familie Ben Arrousa zou u geen bescherming meer gevraagd hebben aan de Algerijnse autoriteiten. U zou twee dagen in Ramka gebleven zijn. Daarna zou u naar uw neef, XXX, te Oran gegaan zijn. De rest van de familie zou in Ramka gebleven zijn samen met nog andere inwoners van Ouled Tayeb. U zou zes dagen in Oran gebleven zijn waarna u op 9 september 2001 de boot genomen zou hebben. Op 10 september 2001 zou u aangekomen zijn in Spanje waar u de bus zou genomen hebben richting België. Op 12 september 2001 zou u in België aangekomen zijn waar u op 17 september 2001 asiel heeft aangevraagd. U bent in het bezit van uw identiteitskaart en militaire kaart. De door u aangehaalde vluchtmotieven zijn onvoldoende ernstig om in de zin van de Conventie van Genève van een gegronde vrees voor vervolging gewag te kunnen maken. Zo bent u nooit officieel gearresteerd, gevangen gezet of in staat van beschuldiging gesteld (CGVS pagina 4). U zou één keer gezocht zijn door gewapende mannen, maar verklaart de reden van hun bezoek niet te kennen. Ook kan u niet verduidelijken wie u zou zijn komen zoeken (CGVS pagina 8). Nadat de familie Ben Arrousa zou zijn uitgemoord, verhuisde u en uw familie, die ongedeerd waren gebleven, naar Ramka (CGVS pagina 9). Er dient te worden vastgesteld dat u uw eventuele problemen met de onbekende gewapende mannen in de douar Ouled Tayeb nog steeds kon ontwijken door u in Ramka te vestigen, temeer daar u geen gegronde redenen kan aanhalen waarom u niet verder in Ramka of elders bijvoorbeeld (in) Oran kon blijven (DVZ punt 42). Het is bevreemdend dat u op de vraag wie die vrijgevige man was, die u een stuk grond afstond in Ramka, het antwoord schuldig blijft (CGVS pagina 9). Ook is het opmerkelijk dat u het bloedbad van Ouled Tayeb situeert op 30 augustus 2001 (CGVS pagina 7 en DVZ punt 42). Terwijl uw neef, eveneens XXX genaamd, verklaarde dat het op 5 april 2000 plaats had (CGVS/01/21817, dringend beroep pagina 7 en DVZ pagina 6). De door u voorgelegde documenten (identiteitskaart en attest van militaire dienst) ter ondersteuning van uw asielaanvraag zijn niet van die aard om bovenstaande appreciatie te wijzigen. Zij tonen weliswaar uw identiteit aan maar voegen geen extra elementen aan uw asielrelaas toe. (...).”.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar nota een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt omdat het verzoekschrift niet zou voldoen aan de bepalingen van artikel 3, 1/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat verzoeker zowel in zijn verzoekschrift tot schorsing als in het verzoekschrift tot nietigverklaring zijn adres duidelijk vermeldt, zodat de exceptie feitelijke grondslag mist en wordt verworpen; 3.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht, van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijde- ring van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen navraag heeft gedaan naar de juiste reden waarom de politie van RAMKA geen bescherming kon of wilde bieden aan de dorpelingen van OULED TAYEB, dat deze redenen een nieuw feit vormen en onder het toepassingsgebied van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) vallen; dat de motivering- plicht wordt geschonden omdat het minimaliseren van feiten geen afdoende motivering is XIV-7825-3/7 om een verzoek tot verblijf af te wijzen uitgaande van een persoon die voldoet aan de voorwaarden van de Vluchtelingenconventie; dat bovendien hetgeen wordt vermeld in de bestreden beslissing niet steeds overeenstemt met de verklaringen die verzoeker tijdens de twee verhoren heeft afgelegd, dat er fouten in het relaas zijn terechtgekomen die waarschijn- lijk te wijten zijn aan slechte vertalingen; dat de bestreden beslissing in rechte en in feite onvoldoende gemotiveerd is; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zoals hijzelf ook uitdrukkelijk aangeeft, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische Wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag kan onontvankelijk verklaren omdat zij geen verband houdt met de criteria van de Vluchtelingenconventie noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat de Commissaris-generaal in casu tot dit besluit komt omdat de door verzoeker aangehaalde vluchtmotieven niet getuigen van voldoende ernst om gewag te kunnen maken van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de Commissaris-generaal hierbij steunt op volgende motieven: - verzoeker is nooit officieel gearresteerd, gevangen gezet of in staat van beschuldiging gesteld. Hij zou één keer zijn gezocht door gewapende mannen, maar hij verklaart de reden van hun bezoek niet te kennen, en hij kan niet verduidelijken wie hem zou zijn komen zoeken; - nadat de familie BEN ARROUSA zou zijn uitgemoord, verhuisden verzoeker en zijn ongedeerd gebleven familie naar RAMKA; - eventuele problemen met de onbekende gewapende mannen in de douar OULED TAYEB kon hij ontwijken door zich in RAMKA te vestigen, temeer daar verzoeker geen gegronde XIV-7825-4/7 redenen kan aanhalen waarom hij niet verder in RAMKA of elders, bv. in ORAN, kon blijven; - het is bevreemdend dat verzoeker niet wist wie de vrijgevige man was die hem een stuk grond heeft afgestaan in RAMKA; - verzoeker situeerde het bloedbad van OULED TAYEB op 30 augustus 2001 terwijl zijn neef verklaarde dat dit plaatsvond op 5 april 2000; - de door verzoeker voorgelegde documenten ter ondersteuning van zijn asielaanvraag (identiteitskaart en attest van militaire dienst) zijn niet van aard om deze appreciatie te wijzigen; Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de asielaanvraag, kan volstaan met de vaststelling dat de asielaanvraag geen verband houdt met de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat de Commissaris-generaal dit in casu heeft beslist omwille van de hierboven opgesomde motieven; dat de Commissaris-generaal in deze fase van de procedure geen bijkomend onderzoek dient te voeren naar bepaalde aspecten van het asielrelaas; dat het aan de asielzoeker toekomt om een coherent verhaal naar voor te brengen; dat uit de uitgebreide feitenuiteenzetting die is opgenomen in de bestreden beslissing, en uit de conclusies die de Commissaris-generaal daaruit afleidt, niet blijkt dat bepaalde feiten “geminimaliseerd” zouden zijn; dat uit de verhoorverslagen opgenomen in het administratief dossier niet blijkt dat verzoeker bezwaren heeft geformuleerd betreffende de tolk; dat zijn enige opmerking desbetreffend tijdens het interview bij het Commissariaat-generaal was: “Op DVZ hadden ze geschreven dat de inwoners klacht ingediend hadden (van OULAD TAYEB) maar mijn familie heeft ook klacht ingediend. De tolk heeft niet alles vertaald.” (verhoorverslag Commissariaat-generaal, p. 6); dat voor het overige verzoeker geen opmerkingen heeft gemaakt over de tolk; dat uit beide verhoorverslagen blijkt dat de verhoren uitgebreid waren en dat ze correct zijn verlopen; dat verzoeker niet aanduidt welke van zijn overige verklaringen niet correct zouden zijn weergegeven; dat de beslissing gesteund is op terzake dienende, afdoende en pertinente motieven; dat het eerste middel ongegrond is; 3.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel een “gegronde vrees voor vervolging” aanvoert; dat zelfs al zou verzoeker zich elders in Algerije vestigen, hij nog te vrezen zou hebben voor een vervolging door de staatsveiligheid; dat verzoeker wel degelijk voldoet aan de criteria van de Vluchtelingenconventie, gelet op de manifeste schendingen van de mensenrechten die in Algerije plaatsvinden; Overwegende dat een algemene verwijzing naar de toestand in het land van herkomst van verzoeker geen afbreuk doet aan de bestreden beslissing, die werd genomen na een individueel onderzoek van de asielaanvraag van verzoeker en die, zoals uit XIV-7825-5/7 de analyse van het eerste middel blijkt, gesteund is op terzake dienende, afdoende en pertinente motieven; dat het tweede middel ongegrond is; 3.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel machtsafwending aanvoert, en de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, dat hij daaraan toevoegt dat het bestuur alle rechtstreeks bij de beslissing betrokken belangen moet afwegen en dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet is ingegaan op de redenen waarom de politie van RAMKA geen bescherming wilde of kon bieden aan de dorpelingen van OULED TAYEB; dat dit element diende te worden onderzocht; dat verzoeker besluit dat de nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doeleinden; Overwegende dat machtsafwending inhoudt dat een bestuursorgaan de bevoegdheid die het bij wet werd verleend, tot het bereiken van een bepaald doel van algemeen belang, gebruikt om een ander doel na te streven; dat verzoeker niet aantoont dat de Commissaris-generaal zijn bevoegdheid afwendt van het doel waarvoor deze hem is verleend, met name de controle van een asielrelaas in de ontvankelijkheidsfase van de asielprocedure; Overwegende dat het zorgvuldigheidsbeginsel inhoudt dat de bevoegde overheid (in casu de Commissaris-generaal) haar beslissing op een zorgvuldige wijze dient voor te bereiden; dat dit laatste veronderstelt dat de bevoegde overheid haar beslissing stoelt op een correcte feitenvinding, wat inhoudt dat zij zich dient te informeren over alle relevante elementen van de asielaanvraag om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker naar aanleiding van zijn dringend beroep werd opgeroepen voor verhoor, dat hij tijdens dit verhoor werd bijgestaan door een tolk die het Arabisch machtig is, dat uit de notities van het Commissariaat-generaal blijkt dat verzoeker tijdens zijn verhoor uitvoerig werd ondervraagd door de interviewer; dat verzoeker de kans heeft gekregen om uitgebreid zijn asielmotieven uiteen te zetten; dat verzoeker aanvullende stukken heeft kunnen indienen; dat bijgevolg de Commissaris- generaal de verklaringen van verzoeker in aanmerking kon nemen bij het nemen van zijn beslissing en de asielaanvraag van verzoeker op zorgvuldige wijze heeft onderzocht; dat verzoeker in zijn middel niet aangeeft op welke punten de bestreden beslissing zou getuigen van onzorgvuldigheden; Overwegende dat uit de analyse van het eerste middel blijkt dat de Commissaris-generaal in het kader van de ontvankelijkheidsprocedure geen bijkomend onderzoek diende te voeren naar bepaalde aspecten van het asielrelaas van verzoeker, en tevens dat de Commissaris-generaal op goede gronden vaststelt dat de door verzoeker aangehaalde vluchtmotieven niet overtuigen om gewag te kunnen maken van een gegronde XIV-7825-6/7 vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat verzoeker niet uiteenzet waarom de “nadelige gevolgen van een besluit” onevenredig zouden zijn met de “met het besluit te dienen doeleinden”; dat het derde middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig oktober tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-7825-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.780 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div