id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.781 Rolnummer: A. 115056/XIV-7918 Zaak: Arrest 136781 - - 27/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-22 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 12:36 Fiche Arrest nr 136.781 van 27 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.781 van 27 oktober 2004 in de zaak A. 115.056/XIV-7918 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Jenatzystraat 13 tegen :
(1997)wekelijks naar vergaderingen zijn gegaan van deze partij bij A. in T. U zou voor de XIV-7918-2/8 organisatie papieren en films hebben gekopieerd en u zou met de studenten over de partij hebben gediscussieerd. U zou op 15/7/1378 (7/10/1999) een tweede huwelijk hebben aangegaan maar dit zou nog niet officieel door de notaris geregistreerd zijn bij uw vertrek uit XXX. Uw broer R. zou een maand vóór uw vertrek uit XXX, gearresteerd zijn bij hem thuis omwille van zijn politieke activiteiten als sympathisant van de partij M., waarvoor hij twee jaar actief was. Hij zou folders verdeeld hebben aan de Universiteit van T. en aan vergadering- en hebben deelgenomen. De eerste zes maanden van zijn gevangenschap zou de familie de plaats van detentie niet hebben vernomen. Slechts na rondvraag van uw moeder bij de gevangenisdiensten zou u vernomen hebben dat R. nog steeds in de E. gevangenis zit in T. Het huis van uw moeder zou doorzocht zijn geweest door de autoriteiten. U zou een week hebben ondergedoken geleefd bij een vriend van uw echtgenoot. Daarna zou u, samen met uw echtgenoot N. (dossier CG 01/22813), op 2/9/1379 XXX verlaten hebben. Een week na uw vertrek uit XXX zou uw oudere broer ondervraagd zijn over R. en opnieuw zijn vrijgelaten. Er dient te worden vastgesteld dat u niet kan aannemelijk maken omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève uw land te hebben verlaten. Zo verklaart u te vrezen voor uw leven omwille van uw politieke activiteiten voor een illegale partij in XXX en omwille van de politieke problemen van uw familieleden en uw huidige echtgenoot. Uw arrestatie van twee weken naar aanleiding van de politieke problemen van uw ex-echtgenoot, dateert echter al van meer dan tien jaar geleden en nadien bent u niet meer gearresteerd en maakt u ook geen gewag van persoonlijke vervolging door de XXX autoriteiten of van problemen met de XXX overheidsdiensten. Eén maand vóór uw vertrek uit XXX zou uw broer R. zijn gearresteerd omdat hij als sympathisant activiteiten zou hebben gehad voor S. U verklaart dat u vreest ook te worden verklikt zoals uw broer, maar u slaagt er niet in deze vrees aannemelijk te maken. U verklaart dat nadat u XXX verliet, de autoriteiten uw andere broer zouden hebben ondervraagd en terug vrijgelaten, en dat de autoriteiten naar u zouden gevraagd hebben. Dit is echter onvoldoende ernstig om te kunnen spreken van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Temeer omdat uw broer en zus momenteel geen problemen kennen in XXX door de arrestatie van uw broer R. (verhoorverslag dringend beroep p. 19). U verklaart politiek actief te zijn geweest vanaf 1376 tot uw vertrek uit XXX (verhoorver- slag dringend beroep p. 11 en p. 13) maar u maakt geen gewag van grote persoonlijke problemen met de autoriteiten gedurende al die tijd. Alsook is het merkwaardig dat u verklaart dat de verantwoordelijken van uw partij regelmatig in en uit XXX reizen, en u verklaart niet te hebben gehoord van problemen die ze daarbij zouden ondervinden (verhoorverslag dringend beroep p. 13-14). Bijgevolg is uw vrees als aspirant-lid, die kopies maakte en discussiëerde met studenten, ongegrond in de zin van de Conventie, gezien uw minimale activiteiten. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat u de afkorting in het Embleem van de partij niet kan verklaren, terwijl u deze originele folders waarin dit vermeld stond, kopiëerde, Dit wijst nogmaals op uw minimale betrokkenheid bij de activiteiten van de organisaties M. en S. Tenslotte dient te worden toegevoegd dat uw vrees op basis van de problemen van uw echtgenoot ongegrond zijn, gezien de Commissaris-Generaal besloot tot kennelijk ongegrond- heid van het asielrelaas van uw echtgenoot. Verder dient te worden opgemerkt dat het voorgelegde document, kopie van boekje van burgerlijke stand, niet van die aard is om bovenvermelde vaststellingen te wijzigen. Dit document betreft immers enkel uw identiteit, en voegt niets toe aan uw vluchtrelaas. (...).”;
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar nota een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt omdat het verzoekschrift geen voldoende uiteenzetting van de feiten bevat die het moeilijk te herstellen ernstig nadeel aantonen; Overwegende dat het niet vereist is hierover uitspraak te doen, aangezien artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt toegepast en de zaak ten gronde wordt behandeld; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt beslecht; XIV-7918-3/8 3.
- Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van de rechten van de verdediging; dat het verhoorverslag haar niet werd voorgelezen in haar moedertaal door de tolk, terwijl zij het recht had te horen hoe haar interview werd genoteerd om zo de juistheid ervan te kunnen controleren; Overwegende dat de procedure voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratieve procedure en geen jurisdictionele procedure is en dat de rechten van verdediging niet onverminderd van toepassing zijn; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoekster zowel op de Dienst Vreemdelingenzaken als op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werd bijgestaan door een P. tolk, zodat verzoekster werd gehoord in haar moedertaal; dat verzoekster tijdens de twee interviews geen opmerkingen heeft geformuleerd betreffende de tolk of de vertaling; dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de reden om verzoeksters asielaanvraag kennelijk ongegrond te verklaren, met name dat zij er niet in slaagt een gegronde vrees voor vervolging aannemelijk te maken, zou steunen op elementen uit verzoeksters verklaringen die foutief zouden zijn vertaald; dat verzoekster desbetreffend niet aanduidt welke van haar verklaringen eventueel foutief zouden zijn vertaald; dat het eerste middel ongegrond is; 3.
- Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de materiële motiveringplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en tevens de “afwezigheid van (de) rechtens vereiste feitelijke grondslag” aanvoert; dat de bestreden beslissing de asielaanvraag afwijst omdat verzoekster niet aannemelijk maakt dat zij een gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet is ingegaan op de door verzoekster aangehaalde feiten en zodoende de beslissing niet voldoende heeft gemotiveerd; dat hij de gegronde vrees voor vervolging niet ten gronde heeft onderzocht; dat de Commissaris-generaal ten onrechte de betrokkenheid van verzoekster bij de partij tracht te minimaliseren; dat hij ten onrechte beslist dat er geen gegronde vrees is in hoofde van verzoekster op basis van het feit dat haar broer, met wie zij politiek samenwerkte, werd opgepakt en in een onbekende gevangenis verblijft; dat verzoekster bij een eventuele terugkeer naar XXX een risico loopt op schending van haar persoonlijke en fysieke integriteit; dat uit de beslissing niet blijkt dat de Vaste Beroepscommissie dit risico, evenals de toestand in XXX, heeft onderzocht; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshan- delingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te XIV-7918-4/8 verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zoals zijzelf uitdrukkelijk aangeeft, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvank- elijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische Wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen op grond van volgende motieven: - verzoekster verklaart te vrezen voor haar leven omwille van haar politieke activiteiten voor een illegale partij in XXX en omwille van de politieke problemen van haar familieleden en van haar huidige echtgenoot; - de arrestatie van verzoekster naar aanleiding van de politieke problemen van haar ex- echtgenoot, dateert van meer dan tien jaar geleden, nadien werd verzoekster niet meer gearresteerd en zij maakt geen gewag van persoonlijke vervolging door de XXX autoriteiten of van problemen met de XXX overheidsdiensten; - één maand vóór haar vertrek uit XXX zou haar broer R. zijn gearresteerd omdat hij als sympathisant bepaalde activiteiten zou hebben georganiseerd; verzoekster vreest ook te worden verklikt, zoals haar broer, maar ze slaagt er niet in om deze vrees aannemelijk te maken; - nadat verzoekster XXX had verlaten, werd haar andere broer ondervraagd door de autoriteiten, waarbij ze naar verzoekster zouden hebben gevraagd; dit is onvoldoende ernstig om te kunnen spreken van een gegronde vrees voor vervolging, te meer omdat verzoeksters broer en zus momenteel geen problemen hebben in XXX door de arrestatie van haar broer R.; - verzoekster verklaart politiek actief te zijn geweest vanaf 1376 (XXX kalender) tot haar vertrek , maar zij maakt voor die periode geen gewag van grote persoonlijke problemen met de autoriteiten; - het is merkwaardig dat zij verklaart dat de verantwoordelijken van haar partij regelmatig in en uit XXX reizen, en dat zij niets heeft vernomen over problemen die deze personen daarbij XIV-7918-5/8 zouden hebben ondervonden, bijgevolg is haar vrees als aspirant-lid ongegrond in de zin van de Conventie van Genève, gezien haar minimale activiteiten; - er dient tevens te worden opgemerkt dat zij de afkorting in het embleem van de partij niet kan verklaren, terwijl zij nochtans folders kopieerde waarin dit vermeld stond, dit wijst op haar minimale betrokkenheid; - verzoeksters vrees op basis van de problemen van haar echtgenoot is ongegrond, vermits tot de kennelijke ongegrondheid van zijn asielrelaas werd besloten; - het voorgelegde document betreft enkel de identiteit van verzoekster en is niet van aard om deze vaststellingen te wijzigen; Overwegende dat uit deze motieven blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen is ingegaan op de door verzoekster aangehaalde feiten, dat hij deze feiten aan een onderzoek heeft onderworpen in het kader van de ontvankelijkheids- fase van de asielprocedure, en tot de conclusie is gekomen dat verzoekster geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat haar betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat verzoekster niet weerlegt dat haar arrestatie van meer dan tien jaar geleden dateert en dat zij sindsdien geen noemenswaardige problemen meer heeft gekend; dat zij evenmin betwist dat haar broer en zus in XXX geen problemen hebben ondanks de gevangenschap van hun broer R.; dat zij niet ontkent dat ze geen grote persoonlijke problemen kende gedurende haar periode van politieke activiteit vóór haar vertrek uit XXX; dat verzoekster niet betwist dat ze heeft verklaard dat de verantwoordelijken van haar partij regelmatig zonder problemen XXX in en uit reizen; dat zij niet ontkent de afkorting in het embleem van de partij niet te kennen; dat hieruit volgt dat de Commissaris-generaal op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; dat de motieven terzake dienend zijn, pertinent en draagkrachtig; Overwegende dat de Commissaris-generaal in het kader van het dringend beroep nagaat of de asielaanvraag van de asielzoeker ontvankelijk is; dat het in deze fase van de procedure aan de asielzoeker toekomt om een waarschijnlijk, samenhangend en consistent vluchtrelaas te vertellen, dat wijst op een persoonlijke vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat verzoekster weliswaar een vrij consistent verhaal vertelt maar er niet in slaagt haar vrees voor daadwerkelijke vervolging aannemelijk te maken; Overwegende dat de verwijzing naar de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen feitelijke grondslag mist en niet ter zake dienend is, omdat de behandeling van het dringend beroep tegen een beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenland- se Zaken tot weigering van verblijf, tot de bevoegdheid van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hoort; XIV-7918-6/8
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-7918-7/8 Aldus te Brussel, na beraad uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig oktober tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-7918-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.781 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div