← België

Arrest 136782 - - 27/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.782 Rolnummer: A. 116283/XIV-8386 Zaak: Arrest 136782 - - 27/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-22 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 12:37 Fiche Arrest nr 136.782 van 27 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.782 van 27 oktober 2004 in de zaak A. 116.283/XIV-8386 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat Kathleen DIERCKX, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 65 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 28 mei 1961 en van XXX nationaliteit, op 1 februari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 2 januari 2002, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op dezelfde dag; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 7 februari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 26 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 6 oktober 2004 om 10.00 uur; XIV-8386-1/5 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gelet op de persoonlijke verschijning van de verzoekende partij; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. DIERCKX, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. XXX beweert in België te verblijven sinds augustus 1965. Op 3 maart 1989 wordt verzoeker van ambtswege geschrapt uit het bevolkingsregister van de stad Brussel (adm. dossier, stuk 13). 1.2. Op 11 juli 1989 doet verzoeker aangifte van het verlies van zijn ”carte nationale” (adm. dossier, stuk 84), en op 24 augustus 1989 doet hij aangifte van het verlies van zijn identiteitskaart (adm. dossier, stuk 83). 1.3. Op 25 november 1997 meldt verzoeker zich aan te B. en verzoekt om zijn inschrijving in de bevolkingsregisters (adm. dossier, stuk 49). Verzoeker wordt via de burgemeester van B. herhaaldelijk verzocht om bewijzen te verschaffen betreffende zijn aanwezigheid in het Rijk vanaf 15 januari 1988, de vervaldatum van zijn identiteitskaart (adm. dossier, stuk 71). Verzoeker legt als enig stuk in dit verband een brief voor van een notaris dd. 24 januari 1997, inzake de aankoop in 1987 en de wederverkoop in 1991 van een woning (adm. dossier, stuk 67). 1.4. Op 7 november 1991 wordt aan verzoeker een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van dezelfde datum ter kennis gebracht. Verzoeker dient bij de Raad van State een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in tegen dit bevel, evenals een beroep tot nietigverklaring. Bij arrest van de XIde kamer van de Raad van State nr. 101.215 van 26 november 2001 wordt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verworpen, bij arrest van de XIde kamer van de Raad van State nr. 122.758 van 12 september 2003 wordt de afstand gedecreteerd. XIV-8386-2/5 1.5. Naar aanleiding van een politiecontrole wordt verzoeker op 2 januari 2002 aangetroffen te Brussel terwijl hij naar Rijsel probeert te reizen (adm. dossier, stuk 128). Er wordt hem op dezelfde dag kennis gegeven van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 2 januari 2002. Dit is de thans bestreden beslissing, waarvan de motivering als volgt luidt: “(...) Wet van 15 december 1980: artikel 7, eerste lid, 1/: verblijft in het Rijk zonder houder te zijn van de vereiste documenten: geen visum. (...).”; 2.1. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota een exceptie opwerpt die als volgt luidt: “Verzoeker vecht een herhaald(

  1. e)bevel (
  2. om)het grondgebied te verlaten aan, bestaande uit een uitvoeringsmaatregel, onder de vorm van een bevel het grondgebied te verlaten, tot stand gekomen nadat een gelijkaardige maatregel definitief werd ingevolge het arrest nummer 101.215 van 26 november 2001 van de Raad van State in de zaak A.112.745/2271. De eventuele nietigverklaring van de bestreden uitvoeringsmaatregel brengt geen wijziging te weeg in de verblijfstoestand van verzoeker. Het bestreden bevel het grondgebied te verlaten is dan ook niet vatbaar voor een vordering tot schorsing, laat staan nietigverklaring. (...).”; Overwegende dat de XIde kamer van de Raad van State op 26 november 2001 een arrest nr. 101.215 wijst inzake verzoeker tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken; dat dit arrest betrekking heeft op een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, gericht tegen de beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten (bijlage 13 - model B) van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 7 november 2001, aan verzoeker op dezelfde dag ter kennis gebracht; dat deze zaak gekend is onder het G/A. nummer 112.745/2271; dat voornoemd arrest op 18 december 2001 werd betekend aan verzoeker en inmiddels in kracht van gewijsde is getreden, vermits hij geen verzoek tot voortzetting van de procedure heeft ingediend in de annulatieprocedure binnen de wettelijke termijn en niet heeft verzocht om te worden gehoord, zodat bij arrest nr. 122.758 van 12 september 2003 van de XIde kamer van de Raad van State de afstand van geding werd gedecreteerd, op basis van artikel 17, § 4 ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat ook dat arrest in kracht van gewijsde is getreden; Overwegende dat de thans bestreden beslissing enkel een herhaald bevel uitmaakt van een voorafbestaand bevel dat voor eventuele tenuitvoerlegging vatbaar is, zodat verzoeker niet getuigt van het rechtens vereiste actueel belang om het bevel van 2 januari 2002 te bestrijden, vermits een eventuele schorsing en/of nietigverklaring van het bevel de rechtstoestand van verzoeker niet wijzigt, aangezien verzoeker onwettig op het grondgebied van het Rijk verblijft; XIV-8386-3/5 Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de exceptie opgeworpen door de verwerende partij gegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-8386-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig oktober tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-8386-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.782 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.