← België

Arrest 136824 - - 28/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.824 Rolnummer: A. 156556/XII-5553 Zaak: Arrest 136824 - - 28/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-04 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 12:52 Fiche Arrest nr 136.824 van 28 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.824 van 28 oktober 2004 in de zaak A. 156.556/IX-

  1. In zake : Rita REEKMANS, die woonplaats kiest bij advocaat W. MERTENS, kantoor houdende te BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen :
  2. de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus 1,
  3. het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van SINT-TRUIDEN, dat woonplaats kiest bij advocaat K. GEELEN, kantoor houdende te HASSELT, Gouverneur Roppesingel
  4. ------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Rita REEKMANS op 15 oktober 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van : 1) het besluit van 5 oktober 2004 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, waarbij het hoger beroep wordt ingewilligd dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn -hierna : OCMW- van Sint- Truiden heeft ingediend tegen het besluit van 16 juni 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg tot niet-goedkeuring van het besluit van 6 mei 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Sint-Truiden houdende het ontslag van ambtswege van verzoekster bij tuchtmaatregel met ingang van 16 oktober 2003, en waarbij dat laatstgenoemde tuchtbesluit wordt goedgekeurd; 2) het voormelde besluit van 6 mei 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Sint-Truiden, waardoor verzoekster bij tuchtmaatregel van ambtswege wordt ontslagen; IX-4680-1/11 Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 18 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 oktober 2004, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. MERTENS, die verschijnt voor verzoekster, van advocaat N. DE CLERCQ, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat K. GEELEN, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Overwegende dat aan verzoekster een eerste maal de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege werd opgelegd bij besluit van 15 oktober 2003 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Sint-Truiden, welk besluit op 9 maart 2004 niet werd goedgekeurd door de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken; dat verzoekster per aangetekende brief van 8 april 2004 werd opgeroepen om op 6 mei 2004 opnieuw te verschijnen voor de raad voor maatschappelijk welzijn; dat zij op 3 mei 2004 mededeelde dat zij zich schriftelijk wenste te verdedigen daar “deze wijze van verdediging in de huidige omstandigheden het meest opportuun lijkt” en een “nota ter verdediging van de ten laste gelegde feiten” aan het OCMW liet geworden; dat verzoekster op 6 mei 2004 niet verscheen voor de raad voor maatschappelijk welzijn noch er zich liet vertegenwoordigen; dat de voornoemde raad tijdens die vergadering twee getuigen hoorde en op dezelfde dag aan verzoekster opnieuw de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege oplegde, tweede voorwerp van de onderhavige vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid; dat dit besluit eerst, op 16 juni 2004, niet werd goedgekeurd door de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg, maar, na hoger beroep door het OCMW van Sint- Truiden, op 5 oktober 2004 wel werd goedgekeurd door de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, welk besluit het eerste voorwerp van de onderhavige vordering uitmaakt; IX-4680-2/11
  6. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1.
  7. Overwegende dat verzoekster als eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de artikelen 299, 303 en 304 van de nieuwe gemeentewet, artikel 169 van het administratief statuut van het personeel van het OCMW van Sint-Truiden en van de algemene rechtsbeginselen, met name de hoorplicht en de rechten van verdediging; dat zij hierbij uiteenzet dat haar rechten van verdediging op drie punten zijn geschonden, ten eerste, doordat het proces-verbaal van haar niet- verschijning op de hoorzitting van 6 mei 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn, voorzien van de voorgeschreven vermeldingen, haar nooit ter kennis werd gebracht, ten tweede, doordat zij van de processen-verbaal van het verhoor van de getuigen, Ludo GRESSENS en Robby BAMPS, op 6 mei 2004 pas kennis heeft gekregen toen het bestreden tuchtbesluit reeds was genomen, namelijk bij de betekening ervan; dat zij betoogt dat de verklaringen van de beide voornoemde getuigen geen loutere bevestiging zijn van hun verklaringen van 8 oktober 2003; dat Robby BAMPS bijkomend heeft verklaard dat verzoekster aan zijn deur is geweest en nog een brief in de bus heeft gestoken; dat Ludo GRESSENS bijkomend heeft verklaard dat verzoekster tegen hem een klacht wegens laster en eerroof heeft ingediend; dat de beide bestreden besluiten met deze nieuw aangebrachte elementen rekening hebben gehouden, ter adstructie waarvan verzoekster verwijst naar de overweging van het bestreden tuchtbesluit dat “uit de verklaringen van Dhr. Bamps blijkt dat Mevr. Reekmans hem benaderd heeft om feiten geheim te houden”; dat verzoekster ten derde aanvoert dat zij vanwege het OCMW, vooraleer het thans bestreden tuchtbesluit werd genomen, ook kennis had moeten krijgen van het feit dat de raad voor maatschappelijk welzijn niet in het bezit was van de stukken die zij eerder in het kader van haar beroep tegen de goedkeuring door de bestendige deputatie van het tuchtbesluit van 15 oktober 2003 van de raad voor maatschappelijk welzijn had ingediend bij de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken en waarnaar zij uitdrukkelijk heeft verwezen in haar aangetekende brief van 3 mei 2004 aan het OCMW aangaande haar verdediging in de hernomen tuchtprocedure die heeft geleid tot het thans bestreden tuchtbesluit; IX-4680-3/11 3.1.2.
  8. Overwegende, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, dat luidens artikel 303 van de nieuwe gemeentewet van de hoorzitting een proces-verbaal wordt opgemaakt dat getrouw de verklaringen van de gehoorde weergeeft, dat indien dat proces-verbaal op het einde van de hoorzitting wordt opgemaakt, er onmiddellijk voorlezing van wordt gedaan en de betrokkene verzocht wordt het te ondertekenen terwijl, indien het na de hoorzitting wordt opgemaakt, het binnen acht dagen na de hoorzitting aan de betrokkene wordt medegedeeld met verzoek het te ondertekenen; dat in dezen verzoekster zich op 6 mei 2004 niet op het verhoor door de raad voor maatschappelijk welzijn heeft aangemeld; dat de formaliteit van het opmaken van het proces-verbaal en de ondertekening ervan dient om te verzekeren dat de mondelinge verklaringen van de gehoorde persoon juist zijn weergegeven; dat aangezien verzoekster geen verklaringen heeft afgelegd er daarvan ook geen proces-verbaal diende te worden opgemaakt om haar ter ondertekening te worden voorgelegd; dat het eerste onderdeel van het middel niet ernstig is; 3.1.2.
  9. Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat volgens artikel 304 van de nieuwe gemeentewet de getuigen worden gehoord in aanwezigheid van de betrokkene of van zijn verdediger; dat aangezien verzoekster ervoor gekozen heeft om niet te verschijnen voor de raad voor maatschappelijk welzijn, de getuigen buiten haar aanwezigheid werden gehoord; dat, in zoverre de hiervoor aangehaalde bepalingen van artikel 303 van de nieuwe gemeentewet ook op de verklaringen van de getuigen van toepassing zijn, zulks enkel kan inhouden dat de betrokken getuigen de gelegenheid moet worden geboden om het in het proces-verbaal gerelateerde relaas van hun verklaringen op zijn juistheid te toetsen, niet om het tuchtrechtelijk vervolgd personeelslid in staat te stellen de getuigenissen te betwisten; dat verzoekster dat laatste uitdrukkelijk verzaakt heeft door niet aanwezig te willen zijn op de hoorzitting; dat zij dan ook doelbewust het risico heeft gelopen dat de getuigen bijkomende verklaringen of nuances zouden kunnen toevoegen aan wat haar reeds ter kennis was en zij de gelegenheid heeft verzaakt om de getuigen tegen te spreken; dat het tweede onderdeel van het middel niet ernstig is; 3.1.2.
  10. Overwegende, wat het derde onderdeel betreft, dat verzoekster in haar voormelde brief van 3 mei 2004 weliswaar verklaart te refereren in eerste instantie "naar mijn verdedigingsbundel bij het ingestelde beroep bij de Vlaamse Minister, waarbij ik een aantal gegevens en bewijsstukken indiende", vervolgt dat de toezichthoudende overheid haar had gemeld "dat het verzoek tot nazicht, samen met de aanvullende stukken IX-4680-4/11 aan u -dit is het OCMW- werden overgemaakt" en : "Ik neem dan ook aan dat u deze gegevens verder heeft onderzocht, zoniet verzoek ik u bij deze tot een nader onderzoek daaromtrent"; dat vooreerst verzoekster geen bewijs van die mededeling van de toezichthoudende overheid voorlegt; dat zij ook niet preciseert om welke aanvullende stukken het gaat; dat ten slotte in het bestreden tuchtbesluit van 6 mei 2004 te lezen staat : "Gelet op het feit dat Mevr. Reekmans in haar schriftelijke verdedigingsnota verwijst naar een aantal gegevens en bewijsstukken die door de toezichthoudende overheid zouden zijn overgemaakt aan het OCMW; dat de Raad vaststelt dat er door de toezichthoudende overheid geen andere stukken aan de Raad werden bezorgd dan het afschrift van de processen-verbaal van verhoor die werden opgemaakt bij de hoorzitting van 1 maart 2004; aangezien telefonisch op 6 mei 2004 door het toezichthoudende bestuur ook werd bevestigd dat er aan de vertegenwoordigers van de Raad geen bijkomende stukken zijn overhandigd; dat aan de verdedigingsnota die Mevr. Reekmans bij de toezichthoudende overheid neerlegde evenmin stukken zijn gevoegd, zodat het helemaal niet duidelijk is of er wel stukken werden neergelegd; Gelet op het feit dat Mevr. Reekmans zelf geen stukken heeft overgemaakt samen met haar verdedigingsnota moet de Raad vaststellen dat (hij) niet in het bezit is van enig verdedigingsstuk van Mevr. Reekmans, behoudens de verdedigingsnota die zij aangetekend aan de Raad bezorgde; Aangezien de tuchtrechtelijk vervolgde zelf kiest hoe zij haar verdediging wenst te voeren en dat het aan de tuchtrechtelijk vervolgde toekomt om zelf de documenten bij te brengen waarop zij haar verdediging steunt, kan niet geantwoord worden op loze beweringen van Mevr. Reekmans, die nergens op gesteund zijn, en waar geen bewijzen van worden bijgebracht”; Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat de raad voor maatschappelijk welzijn wel degelijk aandacht heeft gehad voor verzoeksters verklaring dat zij bijkomende stukken had toegezonden aan de toezichthoudende overheid; dat echter, het weze nogmaals herhaald, verzoekster ervoor heeft gekozen haar verweer voor de raad voor maatschappelijk welzijn louter schriftelijk te voeren, zodat zij de gelegenheid heeft laten voorbijgaan om te repliceren op de vaststelling dat de bedoelde stukken niet voorhanden waren of zelfs maar te preciseren om welke stukken het ging; dat ook het derde onderdeel van het middel niet ernstig is; 3.2.
  11. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel aanvoert dat de bestreden tuchtmaatregel niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten die haar ten laste worden gelegd, maar die zij ten stelligste heeft betwist of alleszins in de juiste context heeft geplaatst; dat zij betoogt dat zij misschien wel enkele inbreuken heeft begaan op haar beroepsplichten, maar dat de impact daarvan zeer gering was; dat zij geen tuchtrechtelijk verleden heeft en steeds een zeer goede evaluatie heeft gekregen; dat veel gepaster maatregelen mogelijk zijn dan het ontslag van ambtswege; dat er nog IX-4680-5/11 een strafonderzoek aan de gang is en dat een eventuele seponering in haar voordeel zou kunnen spelen; dat het OCMW geen enkele schade heeft geleden; dat verzoekster bijkomend laat gelden dat ook de retroactiviteit die aan de opgelegde tuchtmaatregel is gegeven, onredelijk is; dat volgens haar het bestreden ministerieel goedkeuringsbesluit van 5 oktober 2004 niet motiveert waarom de opgelegde tuchtsanctie zou moeten terugwerken tot 16 oktober 2003 en zij bovendien meent dat het ministerieel niet- goedkeuringsbesluit van 9 maart 2004, dat tot het hernemen van de tuchtprocedure heeft geleid, niet alleen gebaseerd is op vormgebreken, maar ook op inhoudelijke argumenten, zodat een retroactieve uitwerking van de nieuw genomen tuchtmaatregel niet geoorloofd is; 3.2.2.
  12. Overwegende dat het bestreden tuchtbesluit een uitgebreide bespreking wijdt aan de inhoud van verzoeksters functie van collectief schuldbemiddelaar bij het OCMW van Sint-Truiden, en daarbij onder meer vermeldt dat de aan haar zorgen toevertrouwde cliënten hun volledig inkomen uit handen geven om een bepaald leefgeld ter beschikking te krijgen van de schuldbemiddelaar, dat ook de schuldeisers de schuldbemiddelaar moeten kunnen vertrouwen, inzonderheid in de zin dat al de inkomsten van de betrokken schuldenaars op de budgetbeheersrekening ingeschreven worden en dat verzoekster door aan haar toevertrouwde cliënten allerlei te laten opknappen "in het zwart" dat vertrouwen beschaamd heeft en daardoor ook het vertrouwen van het publiek en de gerechtelijke overheden in de dienst schuldbemiddeling van het OCMW zelf ondergraven heeft; dat voorts wordt aangehaald dat het uitoefenen, zonder toelating van het OCMW, van een juridische stage bij een advocaat die eveneens als schuldbemiddelaar optreedt, met haar functie conflicteert; dat alleen al deze twee tenlasteleggingen, indien zij gegrond zijn, het de Raad van State doen voorkomen dat daarvoor de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege niet kennelijk buiten verhouding staat tot de feiten; dat gelet op het voorgaande ook verzoeksters bewering als zou het OCMW door haar handelingen geen schade hebben geleden niet geloofwaardig klinkt; dat dit onderdeel van het middel niet ernstig is; 3.2.2.
  13. Overwegende, wat betreft de retroactiviteit van de opgelegde sanctie, dat de niet-goedkeuring van het oorspronkelijke tuchtbesluit van 15 oktober 2003 door de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken op 9 maart 2004, op het eerste gezicht uitsluitend gesteund lijkt te zijn op louter formele en procedurele gebreken van dat tuchtbesluit, namelijk het ontbreken van een tuchtverslag van de secretaris, de onmogelijkheid voor verzoekster om de getuigenverklaringen van 8 oktober 2003 tegen te spreken en, ten slotte, de IX-4680-6/11 niet-afdoende motivering van de kwalificatie van sommige aan verzoekster ten laste gelegde feiten als tuchtfeiten; dat in de huidige stand van de rechtspleging dan ook moet worden besloten dat de terugwerking van de thans bestreden tuchtmaatregel tot de datum van uitwerking van het oorspronkelijke, niet-goedgekeurde tuchtbesluit van 15 oktober 2003 geoorloofd was; dat ook dit onderdeel van het middel niet ernstig is; 3.3.
  14. Overwegende dat verzoekster in een derde middel de schending aanvoert van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat zij hierbij laat gelden dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden, doordat het OCMW haar geen kennis heeft gegeven van de inhoud van het getuigenverhoor van 6 mei 2004 eensdeels en haar niet ervan heeft verwittigd dat haar verdedigingsbundel met aanvullende stukken, die voorheen was neergelegd bij de toezichthoudende overheid, niet in het bezit was van het OCMW anderdeels; 3.3.
  15. Overwegende dat het middel samenvalt met verzoeksters eerste middel en om de redenen die bij de behandeling van dat middel zijn uiteengezet evenmin als ernstig kan worden beschouwd; 3.4.
  16. Overwegende dat verzoekster in een vierde middel machtsafwending, alsook de schending van het fair-playbeginsel en het beginsel patere legem quam ipse fecisti aanvoert; dat volgens haar niet iedereen binnen het OCMW apprecieert dat zij bijkomende studies doet en opleidingen volgt en de werkelijke reden van haar ontslag in het feit ligt dat zij voor het volgen van haar academische opleiding allerlei sociale voordelen aanvraagt, waarin door de wetgeving is voorzien, maar waarvan de inwilliging tot gevolg heeft dat de werkomstandigheden van haar collega’s zwaarder worden; dat zij onder meer uiteenzet dat bijna alle aanvragen die zij dit jaar heeft gedaan ofwel onjuist, ofwel geheel niet, ofwel onvolledig werden behandeld, “enkel en alleen om haar te pesten”; dat loonbrieven niet regelmatig werden verstuurd; dat zij regelmatig werd opgeroepen voor medische controle; dat vergoedingen waarop zij recht had, niet of laattijdig werden betaald; dat de weigering van de overdracht van haar jaarlijks verlof en de regeling van de overuren werden geschorst door de toezichthoudende overheid; 3.4.
  17. Overwegende dat in de huidige stand van de rechtspleging verzoeksters uiteenzetting niet overtuigt; dat louter het feit dat verzoekster moeilijkheden heeft ondervonden bij het aanvragen van bepaalde sociale voordelen en in haar relatie met het bestuur administratieve ongemakken ervaart, niet aantoont dat de thans bestreden IX-4680-7/11 tuchtmaatregel met machtsafwending is tot stand gekomen; dat verzoekster die moeilijkheden mogelijk ervaart als pesterijen, doch geen bewijs en zelfs geen begin van bewijs ervan overlegt dat het bestuur -objectief gezien- werkelijk de intentie zou hebben gehad haar te pesten; dat verzoekster alleszins niet aannemelijk maakt dat de thans bestreden tuchtmaatregel ingegeven zou zijn door andere motieven dan het bestraffen van haar schuldig gedrag; dat het vierde middel niet ernstig is; 3.5.
  18. Overwegende dat verzoekster in een vijfde middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 317 van de nieuwe gemeentewet; dat zij laat gelden dat de haar ten laste gelegde tuchtfeiten inmiddels zijn verjaard, waarvoor zij betoogt dat de tuchtoverheid minstens sedert 27 februari 2003 kennis heeft van de haar ten laste gelegde feiten, aangezien zij toen preventief werd geschorst; dat op 27 juni 2003 de tuchtrechtelijke vervolging werd ingesteld, vermits zij op die datum ervan in kennis werd gesteld dat het tuchtonderzoek beëindigd was en werd opgeroepen voor verhoor; dat op dat ogenblik vier maanden van de in artikel 317 van de nieuwe gemeentewet bepaalde verjaringstermijn van zes maanden waren verstreken; dat de verjaringstermijn overeenkomstig de ministeriële omzendbrief BA-G-92/12 van 9 september 1992 van de gemeenschapsminister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden weer verder liep vanaf de niet-goedkeuring van het oorspronkelijke tuchtbesluit door de minister op 9 maart 2004; dat zij op 8 april 2004 opnieuw werd opgeroepen voor verhoor, zodat overeenkomstig de voormelde ministeriële omzendbrief inmiddels weer een maand van de verjaringstermijn was verstreken; dat het nieuwe tuchtbesluit van 6 mei 2004 door de bestendige deputatie niet werd goedgekeurd op 16 juni 2004; dat de verjaringstermijn sedert dan opnieuw verder loopt en het thans bestreden ministerieel goedkeuringsbesluit van 5 oktober 2004 meer dan drie en een halve maand later en dus na het verstrijken van de verjaringstermijn werd genomen; dat verzoekster tevens aanvoert dat in de bestreden besluiten geen of geen afdoende antwoord wordt gegeven op het argument van de verjaring van de tuchtvordering dat zij heeft laten gelden in haar brief van 3 mei 2004 aan het bestuur; 3.5.
  19. Overwegende dat de regel, vervat in de door verzoekster vermelde ministeriële omzendbrief BA-G-92/12 van 9 september 1992, volgens welke de tuchtoverheid na de niet-goedkeuring van haar tuchtbesluit door de toezichthoudende overheid de tuchtrechtelijke vervolging kan hernemen gedurende het op dat ogenblik nog resterende gedeelte van de verjaringstermijn, thans, ingevolgde de wet van 22 mei IX-4680-8/11 2001, opgenomen is in artikel 317, derde lid, van de nieuwe gemeentewet; dat verzoekster er echter ten onrechte van uitgaat dat de verjaringstermijn, waarvan op 8 april 2004 -dit is de datum van de hervatting van de tuchtprocedure- reeds vijf maanden waren verlopen, ingevolge de niet-goedkeuring van het nieuw tuchtbesluit op 16 juni 2004 door de bestendige deputatie verder is gaan lopen; dat het bedoelde niet-goedkeurings- besluit van de bestendige deputatie immers vervangen werd door het thans bestreden ministerieel goedkeuringsbesluit van 5 oktober 2004, zodat de verjaringstermijn niet verder is gaan lopen vanaf 16 juni 2004; dat voorts het bestreden tuchtbesluit uitdrukkelijk vermeldt dat de tuchtvordering niet is verjaard en dat de verjaringstermijn is geschorst door het begin van de tuchtprocedure, waardoor het, voor zoveel als nodig, een afdoende antwoord verstrekte op de -overigens niet onderbouwde - bewering van verzoekster in haar brief van 3 mei 2004 aan het bestuur dat de ten laste gelegde feiten verjaard zouden zijn; dat het bestreden ministerieel goedkeuringsbesluit hoe dan ook niet formeel diende te antwoorden op de argumenten die verzoekster voor de tuchtoverheid had aangevoerd; dat het vijfde middel niet ernstig is; 3.6.
  20. Overwegende dat verzoekster in een zesde middel de schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel en van het beginsel van de redelijke termijn; dat zij betoogt dat, zo al niet aangenomen zou worden dat de tuchtvordering inmiddels verjaard is, alleszins moet worden vastgesteld dat de redelijke termijn waarbinnen een tuchtstraf kan worden opgelegd, verstreken is; dat zij laat gelden dat de tuchtoverheid sedert 27 februari 2003 kennis heeft van de ten laste gelegde feiten en dat zij pas meer dan negentien maanden later door het thans bestreden ministerieel goedkeuringsbesluit van 5 oktober 2004 is ontslagen; dat volgens verzoekster de fouten die tijdens de tuchtprocedure zijn gebeurd allemaal te wijten zijn aan de tuchtoverheid zelf en de administratieve procedures niet kunnen worden ingeroepen ter verantwoording van de lange duur van de tuchtprocedure; 3.6.
  21. Overwegende dat de niet-goedkeuring van het tuchtbesluit van 15 oktober 2003 van de raad voor maatschappelijk welzijn door het ministerieel besluit van 9 maart 2004, er niet aan in de weg stond dat het OCMW op 8 april 2004 de tuchtprocedure hernam, gezien de wettelijke verjaringstermijn nog niet was verstreken; dat de raad voor maatschappelijk welzijn al binnen de maand, namelijk op 6 mei 2004, een nieuw tuchtbesluit heeft genomen; dat er dus geen sprake is van een schending van de redelijke termijn; dat de omstandigheid dat het nog tot 5 oktober 2004 heeft geduurd alvorens deze nieuwe tuchtmaatregel de goedkeuring van de minister heeft verkregen, een gevolg is van het bijzonder administratief toezicht dat de wetgever zelf IX-4680-9/11 in artikel 53 van de OCMW-wet heeft ingesteld; dat ten overvloede kan worden vastgesteld dat tijdens de eerste tuchtprocedure, welke geleid heeft tot het niet- goedkeuringsbesluit van 9 maart 2004, verzoekster zelf allerlei middelen heeft aangewend om de tuchtprocedure te rekken; dat de Raad van State zich overigens afvraagt of haar niet-verschijnen op 6 mei 2004 ook niet in dat opzet paste; dat het zesde middel niet ernstig is; Overwegende dat de vaststelling dat geen der aangevoerde middelen ernstig is volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen, daargelaten de vraag of verzoekster terecht een beroep doet op de uiterst dringende noodzakelijkheid, BESLUIT: Artikel
  22. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  23. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. IX-4680-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig oktober 2000 en vier, door : de H. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-4680-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.824 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.142.947 ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.844 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.