id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.825 Rolnummer: A. 77336/VII-16350 Zaak: Arrest 136825 - - 28/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-09 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 12:52 Fiche Arrest nr 136.825 van 28 oktober 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.825 van 28 oktober 2004 in de zaak A. 77.336/VII-16.
- In zake : de b.v.b.a. ATELIERS VLASSENROOT, die woonplaats kiest bij advocaat F. LAGASSE, kantoor houdende te BRUSSEL, Bolwerksquare 1/A tegen : de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (R.S.Z.), die woonplaats kiest bij advocaten B. en C. CAMBIER, kantoor houdende te UKKEL, Winston Churchillaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. ATELIERS VLASSENROOT op 30 januari 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de "administratieve beslissing van 21 november 1997 en/of 2 december 1997, inzoverre het beheerscomité van de R.S.Z. de aanvraag tot gedeeltelijke kwijt- schelding van de aangerekende interesten afwijst"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 5 april 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; VII-16.350-1/11 Gelet op de beschikking van 6 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 september 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. EVERAERDT die, loco Advocaat F. LAGASSE verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat M. SMOUT die, loco Advocaten B. en L. CAMBIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Juridisch kader Overwegende dat het juridisch kader als volgt kan worden weergegeven : 1.
- Artikel 34, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, bepaalt dat het bedrag van de bijdragen door de werkgever aan de R.S.Z. verschuldigd is op 31 maart, 30 juni, 30 september en 31 december van elk jaar. Het vijfde lid bepaalt dat de bijdragen die voor het verstreken kwartaal verschuldigd zijn, alsook het saldo van de bijdragen van de werkgever bedoeld in het tweede lid, door de werkgever uiterlijk de laatste dag van de maand na dit kwartaal dienen te worden betaald. 1.
- Artikel 54 van dat koninklijk besluit bepaalt dat op de bijdragen die niet betaald zijn binnen de termijn bepaald o.m. in artikel 34, de werkgever een bijdrageopslag verschuldigd is van 10 % van hun bedrag alsmede een verwijlintrest van 7 % per jaar, te rekenen vanaf het verstrijken van deze termijnen tot op de dag waarop de betaling plaats heeft. VII-16.350-2/11 Artikel 55 bepaalt de gevallen waarin de R.S.Z. van deze bijdrageopslagen en intresten mag afzien (§ 1) dan wel deze verminderen - soms tot 100 % ( §§ 2 en 3). Ten tijde van de bestreden beslissingen luidde dit artikel 55 als volgt : "Art.
- §
- De Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid mag, onder de voorwaarden bepaald door zijn beheerscomité, en goedgekeurd door de Minister van Sociale Voorzorg, afzien van de toepassing van de bijdrageopslagen en de verwijlintresten, bedoeld bij artikel 54, eerste lid, wanneer de bijdragen betaald werden vóór het einde van het kwartaal volgend op dat waarop zij betrekking hebben. Onder dezelfde voorwaarden kan hij afzien van de toepassing van de vergoeding, bedoeld bij artikel 54, tweede lid, wanneer de kwartaalaangifte en haar bijlagen ingediend werden vóór het einde van het kwartaal volgend op dat waarop ze betrekking hebben. Hij mag afzien van de betaling van de burgerlijke sancties, bedoeld bij de voorgaande leden, wanneer de werkgever aantoont dat hij, wegens behoorlijk bewezen overmacht, onmogelijk zijn verplichtingen heeft kunnen nakomen binnen de gestelde termijnen. §
- Wanneer de werkgever het bewijs levert dat de niet-betaling van de bijdragen binnen de reglementaire termijnen aan uitzonderlijke omstandigheden is toe te schrijven, kan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid het bedrag van de bijdrageopslagen met ten hoogste 50 pct. en het bedrag van de nog verschuldigde verwijlintresten met ten hoogste 25 pct. verminderen. Dit kan hij nochtans enkel nadat de werkgever alle vervallen sociale zekerheidsbijdragen heeft betaald. §
- De vermindering van het bedrag van de bijdrageopslagen met 50 pct. kan door de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid op 100 % worden gebracht : 1/ wanneer de werkgever, ter verantwoording, het bewijs levert dat op het ogenblik dat de schuld eisbaar werd, hij een vaste en eisbare schuldvordering bezat ten opzichte van het Rijk, een provincie of provinciale openbare instelling, een gemeente, een vereniging van gemeenten, een gemeentelijke of intercommu- nale openbare instelling of een instelling van openbaar nut beoogd bij artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut of een maatschappij beoogd bij artikel 24 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 88 van 11 november 1967; 2/ wanneer zijn beheerscomité bij een met eenparigheid van stemmen getroffen gemotiveerde beslissing, aanvaardt dat zulke vermindering, wegens dwingende billijkheidsredenen of wegens dringende redenen van nationaal of gewestelijk economisch belang, bij wijze van uitzondering, verantwoord is";
- Feitelijke gegevens Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.
- De verzoekende partij is een bedrijf dat actief is in de metaal-, mechanische en elektrische constructiesector. Het bedrijf werd vanaf 1996 VII-16.350-3/11 geconfronteerd met ernstige moeilijkheden, die hun oorsprong vonden in familiale kwesties. 2.
- Met een brief van 23 mei 1997 dient zij een verzoekschrift in tot : "- in hoofdorde : de toepassing van het artikel 55, § 3 van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 genomen ter uitvoering van de wet van 27 juni 1969 ter herziening van het wetsbesluit van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid van werknemers; dientengevolge : - de erkenning, in hoofde van VLASSENROOT BVBA, van dringende redenen van billijkheid of van nationaal of regionaal economisch belang; - de toekenning van een vermindering van de intresten (25 %) en van de bijdrageopslagen (100 %) op haar totale schuld bij de R.S.Z.; - in ondergeschikte orde : de toepassing van artikel 55, § 2 van het hoger genoemde Koninklijk Besluit; dientengevolge - de erkenning, in hoofde van VLASSENROOT BVBA, van uitzonderlijke omstandigheden die het ontbreken van betaling van de sociale zeker- heidsbijdrage binnen de reglementaire termijnen, rechtvaardigen; - de toekenning van een vermindering van de intresten (25 %) en van de bijdrageopslagen (50 %) op haar totale schuld bij het R.S.Z.". Het is deze aanvraag die aanleiding zal geven tot de bestreden beslissing, die met een brief van 2 december 1997 aan de verzoekende partij wordt meegedeeld. De brief luidt als volgt : "Geachte heer, Ingevolge uw verzoek deel ik u mede dat het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de aanvraag tot volledige vrijstelling van de bijdrageopslagen en intresten tijdens zijn zitting van 21 november 1997 heeft onderzocht. Het Beheerscomité oordeelde dat de ingeroepen redenen, nl. de gevolgen van de familiale twist voor het bedrijf en de wil en de inspanningen om te overleven, niet kunnen worden aanzien als zijnde dwingende billijkheidsredenen. Evenwel weerhoudt het Beheerscomité deze redenen als dringende redenen van gewestelijk en/of nationaal economisch belang, zodat in toepassing van artikel 55, § 3, 2/ van het koninklijk besluit van 28 november 1969 volledige ontheffing (100 %) wordt verleend van de aangerekende bijdrageopslagen voor : - de eerste wijziging betreffende het derde kwartaal 1990; - het tweede kwartaal 1992; - het vierde kwartaal 1992; - de jaarlijkse vakantiebijdrage dienstjaar 1992; - de dienstjaren 1993, 1994 en 1995; - de eerste wijziging betreffende het tweede kwartaal 1994; - de eerste wijziging betreffende het eerste kwartaal 1995; - de eerste wijziging betreffende het tweede kwartaal 1995; - de eerste wijziging betreffende het derde kwartaal 1995; - de eerste wijziging betreffende het vierde kwartaal 1995; - de eerste wijziging betreffende de jaarlijkse vakantiebijdrage dienstjaar 1995; VII-16.350-4/11 - het eerste kwartaal
- De nieuwe stand van de rekening, in uitvoering van deze beslissing, zal worden medegedeeld. Indien hieruit een debetsaldo blijkt, verzoek ik u het nog verschuldigde bedrag binnen de maand te willen storten op postrekening nr. 000- 0261811-08 met vermelding op de betaalstrook van het inschrijvingsnummer. Voor wat betreft het verzoek om kwijtschelding van de aangerekende intresten deel ik u mede dat het Beheerscomité tijdens zijn vergadering van 11.01.1980 besliste geen vermindering van de intresten meer toe te kennen indien de betaling van alle vervallen bijdragen na 30 juni 1980 plaatshad behoudens in het geval van overmacht en in geval van toepassing van artikel 55, § 3, 1 van het Koninklijk besluit van 28.11.1969, mits de werkgever bewijst dat hij zijn sociale zekerheidsbijdragen betaald heeft binnen de maand volgend op de betaling van de schuldvordering door de overheidsdienst(en). In dit laatste geval betreft het slechts een gedeeltelijke ontheffing (20 %) van de aangerekende intresten. Het tijdig doorstorten dient bewezen te worden aan de hand van kopies van bank- en/of postrekeninguittreksels. Ingeval u meent dat de met dit schrijven meegedeelde beslissing een onjuiste toepassing van de hierboven aangehaalde wettelijke bepalingen zou inhouden, kan een beroep tot nietigverklaring worden aangetekend bij de Raad van State. Het verzoek tot nietigverklaring moet in voorkomend geval aangetekend worden verstuurd aan de Raad van State, Wetenschapsstraat 33 te 1040 BRUSSEL, binnen 60 dagen na deze kennisgeving";
- Ontvankelijkheid 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als exceptie het gebrek aan belang opwerpt; dat zij deze exceptie als volgt formuleert : "Eerste onderdeel - De regel die wordt uitgedrukt in het adagium en waaronder wordt verstaan dat de bestuurlijke Overheden door hun reglementen zijn gebonden bij het nemen van individuele maatregelen, gaat in wezen terug op de gelijkheidsnorm. De regel houdt in dat bestuurlijke Overheden slechts bij wege van een lagere rechtsnorm mogen afwijken van een hogere rechtsnorm overeenkomstig algemene bepalingen die dergelijke afwijkingen toestaan. Hieruit vloeit voort dat het bestuurlijke Overheden niet is toegelaten ervan af te wijken in individuele gevallen (zie VAN MENSEL, A., Het Beginsel van Behoorlijk Bestuur, Mys & Breesch, Gent, 1997, r.nr. 364). Blijkens het annulatieverzoekschrift is verzoekster goed op de hoogte van het bestaan van de regel vastgelegd op 11.01.80, welke haar werd meegedeeld weliswaar samen met de bestreden beslissing doch wel duidelijk onderscheiden daarvan (zie annulatieverzoekschrift, blz. 5, punten 3 en 4.b). Gezien de beslissing van het Beheerscomité van tegenpartij van 11.01.
- niet het voorwerp uitmaakt van het annulatieverzoek heeft verzoekster er geen belang bij die toepassing van deze regel te bestrijden. Zij heeft dan ook geen belang bij het annulatieberoep. Tweede onderdeel (ondergeschikt) Gezien verzoekster niet aantoont dat de facto er ook een bijdrage gevorderd is van de familie VLASSENROOT ter sanering van de lamentabele bedrijfs- situatie der B.V.B.A. VLASSENROOT kan zij zich niet meer beroepen op de VII-16.350-5/11 Het gaat niet op alles te verwachten van de Overheid en/of de Gemeenschap (personeel, banken, R.S.Z., schatkist) indien men zich ook niet richt tegen de werkelijke verantwoordelijken en aansprakelijken. In zulk geval kan men niet meer spreken van een wettig belang bij het annulatieberoep en kan men ook niet meer stellen dat de bestreden beslissing griefhoudend zou zijn"; 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert : "Eerste onderdeel : 1.a Verwerende partij betoogt dat verzoeker ook de vernietiging van de regel, vastgelegd op 11.01.1980 1.b De omstandigheid dat verzoeker in de formele motivering van de bestreden beslissing inderdaad ontdekt heeft dat er een Overigens dient opgemerkt te worden dat de 1.c Het eerste onderdeel van de enige exceptie dient alleszins verworpen te worden. Tweede onderdeel van de enige exceptie 2.a Naar het oordeel van de RSZ zou de verwerende partij een bijdrage moeten vorderen van de toenmalige familie VLASSENROOT. Zoniet zouden er -aldus de R.S.Z.- geen uitzonderlijke omstandigheden voorhanden kunnen zijn en zou het belang van verzoeker onwettig zijn.
- b Verzoeker heeft een verzoek bij de RSZ ingediend. Dit verzoek werd deels ingewilligd, deels geweigerd. Wanneer verzoeker ter ondersteuning van het middel de toepassing van een rechtsnorm inroept, kan ze geen onwettig belang worden verweten. De omstandigheid dat de voorgaande bestuursverantwoordelijkheden mogelijke fouten hebben begaan -zowel op beroepsgebied als op privé-gebied- ontneemt het recht van verzoeker niet om thans de beslissing van de R.S.Z. te betwisten, inzoverre ze voor verzoeker nadelig uitvalt. 2.c Volledigheidshalve dient opgemerkt te worden dat het nieuwe bestuur reeds al de omvangrijke schulden in kapitaal aangezuiverd heeft (verzoekschrift, p. 3, punt 4.c), hetgeen aantoont dat het nieuwe bestuur zich terdege inzet voor het bedrijf"; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie alleen nog op het tweede onderdeel van de exceptie verder ingaat; 3.
- Bespreking VII-16.350-6/11 Overwegende dat de verzoekende partij de voormelde beslissing van de R.S.Z. aanvecht, in zoverre haar de gevraagde kwijtschelding van verwijl- intresten wordt geweigerd; dat dit in haren hoofde ongetwijfeld een grief houdende beslissing is; dat de "beslissing" van 11 januari 1980 door de verwerende partij blijkbaar als een algemene regel is geconcipieerd; dat -zelfs in de veronderstelling dat de verwijzing ernaar in de bestreden beslissing als een behoorlijke kennisgeving ervan zou beschouwd worden- de verzoekende partij die "beslissing" niet met een afzonderlijk beroep moet bestrijden, en zich ermee kan vergenoegen op grond van artikel 159 van de Grondwet aan de Raad van State te vragen die regel buiten toepassing te laten bij de beoordeling van de wettigheid van de door haar bestreden beslissing; dat voor het overige het eerste onderdeel van de exceptie, evenals het tweede onderdeel daarvan, samenvallen met de beoordeling van de grond van de zaak, vermits ze in wezen de vraag betreffen of de verzoekende partij al dan niet in aanmerking komt voor de gevraagde vrijstelling van verwijlintresten; dat de exceptie in geen van haar beide onderdelen kan worden aangenomen;
- Ten gronde 4.
- Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen de volgende argumenten ontwikkelen : 4.1.
- In het verzoekschrift wordt het enig middel als volgt geformu- leerd : "Machtsoverschrijding, onwettige en tegenstrijdige motieven en schending van de art. 55, § 2 en 55, § 3 van het K.B. van 28 november 1969 genomen ter uitvoering van de wet van 27 juni 1969 ter herziening van het wetsbesluit van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid van werknemers
- Verzoeker heeft in zijn gemotiveerde aanvraag aangegeven waarom het bedrijf in kritische economische omstandigheden verkeerde. Zulke aanvraag kadert overigens keurig in het reddingsplan van het bedrijf, zoals vooropgesteld door de nieuwe zaakvoerder. Dit zijn duidelijk aanwijsbare feiten.
- Het Beheerscomité van de RSZ heeft de door verzoekster ingeroepen redenen weerhouden als dringende redenen van gewestelijk en/of nationaal economisch belang; het Beheerscomité heeft -in toepassing van art. 55, § 3.2/ van het K.B. van 28 november 1969 bij uitzondering de volledige ontheffing (100 %) verleend van de aangerekende bijdrage-opslagen. Deze beslissing is definitief en wordt overigens niet betwist door verzoeker.
- Voor wat betreft het verzoek om kwijtschelding van de aangerekende interesten stelt verwerende partij dat het VII-16.350-7/11 plaatshad, behoudens in geval van overmacht en in geval van toepassing van artikel 55, § 3.1 van het K.B. van 28 november
- (...) In dit laatste geval betreft het slechts een gedeeltelijke ontheffing (20 %) van de aangerekende interesten'. 4.a De art. 55, § 2 en 55, § 3 van het K.B. van 28 november 1969, genomen ter uitvoering van de wet van 27 juni 1969, machtigen de RSZ om vermindering van bijdrageopslagen en van interesten toe te kennen. Het beheerscomité is verplicht om elke aanvraag te onderzoeken en rekening te houden met de gegevens van het dossier, geactualiseerd in
- Deze bevoegdheid is duidelijk een bevoegdheid die telkens geval per geval moet worden uitgeoefend. 4.b De verwijzing naar een -tevens nog niet-gepubliceerde- princiepsbeslissing van 11 januari 1980 kan de bestreden deelbeslissing niet rechtsgeldig onder- steunen. Een algemene formule mag niet worden gebruikt, omdat ze niet betrokken is op de concrete situatie van de aanvrager (vb. R.v.St., 69.621 van 17 november 1997 inzake BOURGOIS t. Belgische Staat). De motieven zijn dus in casu onwettig; er is machtsoverschrijding. 4.c Vermits de verwerende partij niet de haar toegekende bevoegdheid geval per geval uitoefent, maakt dit ook een schending uit van het art. 55 van het K.B. van 28 november
- 5.a Art. 55, § 3.2/ is een aanvulling op art. 55, § 2; het luidt immers als volgt : 5.b De RSZ heeft terecht de aangevoerde omstandigheden aanvaard als dringende redenen, die haar machtigen om bij uitzondering de volledige ontheffing van bijdrage-opslagen te verlenen op grond van art. 55, § 3.2/. Deze beslissing is inmiddels definitief geworden. Men ziet niet in waarom deze omstandigheden ook niet aangemerkt (hadden) kunnen worden als aanvaardbare redenen om ook de gedeeltelijke vermindering van interesten (tot en met 25 %) toe te kennen. 5.c Daarom is er ook sprake van contradictorische motieven. De verwijzing naar een princiepsbeslissing van 11 januari 1980 kan deze contradictie niet opvangen noch verantwoorden. Tevens worden de art. 55, § 2 en 55, § 3 van het K.B. van 28 november 1969 andermaal geschonden, nu de gradatie in uitzonderlijkheid van de omstandigheden -m.a.w. het weerhouden van de toepassing van art. 55, § 3 voor de verhoging tot de volledige ontheffing van bijdrage-opslagen impliceert dat het art. 55, § 2 ook toepassing moet krijgen- miskend wordt". 4.1.
- De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord, vooreerst dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het middel in zoverre het gebaseerd is op machtsoverschrijding en, ondergeschikt, dat zijzelf over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt en niet is aangetoond dat "de verminderingsbe- voegdheid van tegenpartij doelgebonden zou zijn, zoniet minstens zo doelgebonden zou zijn dat er geen ruimte meer overblijft voor een discretionaire appreciatie in de gegeven concrete omstandigheden terwijl verzoekster in haar oorspronkelijke aanvraag toch heeft uiteengezet dat Vervolgens stelt die partij dat nergens verwezen wordt naar de motiveringswet van
- VII-16.350-8/11 Voorts betoogt zij dat artikel 55 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 een duidelijk onderscheid maakt tussen bijdrageopslagen en verwijlintresten, en er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de basis waarop verminderingen kunnen worden gesteund, met name : - uitzonderlijke omstandigheden; - dwingende billijkheidsredenen of dringende redenen van nationaal of gewestelijk economisch belang (dit zijn geheel andere algemene criteria) die bij wijze van uitzondering kunnen in aanmerking worden genomen. Volgens de verwerende partij gaat het dus niet om een gradatie van uitzonderlijkheid maar wel in wezen om enerzijds uitzonderlijke omstandigheden, anderzijds andere gevallen die bij uitzondering aanleiding kunnen geven tot een vermindering. Artikel 55, § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 kan volgens die partij slechts zinvol bestaan indien het "een eigen zijnswijze en eigen zijnsverantwoording heeft". Aldus begrepen heeft artikel 55, § 2 betrekking op een vermindering van maximaal 50 % van de bijdrageopslagen en van maximaal 25 % van de nog verschuldigde verwijlintresten, terwijl artikel 55, § 3 enkel geldt voor bijdrageopslagen tot beloop van maximaal 100 % en niet voor intresten en ook voor artikel 55, § 3 de bestuurlijke voorwaarde geldt dat de vervallen sociale zekerheids- bijdragen dienen betaald te zijn ondanks het feit dat zulks niet expressis verbis in artikel 55 wordt vermeld. 4.1.
- In haar memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij dat zij de regel vastgelegd op 11 januari 1980 niet rechtstreeks hoefde te betwisten, dat deze regel haar niet tegenstelbaar is, en dat de verwerende partij niet mocht volstaan met een verwijzing naar de algemene princiepsbeslissing van het beheerscomité van 11 januari
- Voorts stelt zij dat zij inderdaad niet verwijst naar de formele motiveringswet, doch dat het om een probleem van interne legaliteit gaat. Ten slotte betoogt zij dat de subtiele nuanceringen van de verwerende partij, voorgesteld na een grondige analyse, niet kunnen aangenomen worden en alleszins het verzoekschrift niet ontkrachten. 4.1.
- In haar laatste memorie gaat de verwerende partij niet meer in op het middel; VII-16.350-9/11 4.
- Bespreking Overwegende dat luidens artikel 55, § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, "wanneer de werkgever het bewijs levert dat de niet-betaling van de bijdragen binnen de reglementaire termijnen aan uitzonderlijke omstandigheden is toe te schrijven", het bedrag van de verwijlintresten met ten hoogste 25 % kan verminderd worden door de R.S.Z.; dat de verzoekende partij, weliswaar in ondergeschikte orde, de toepassing van deze bepaling heeft gevraagd; dat de verwerende partij dit verzoek heeft afgewezen enkel en alleen met verwijzing naar haar in de bestreden akte omschreven "beslissing" dd. 11 januari 1980; dat zij aldus zelf aangeeft niet te hebben onderzocht of de motieven van de verzoekende partij om vrijstelling te vragen als "uitzonderlijke omstandigheden" kunnen worden beschouwd; dat, wanneer de overheid voor de uitoefening van een bepaalde discretionaire bevoegdheid wel een aantal algemene beleidslijnen kan aannemen, dit haar er evenwel niet van ontslaat haar appreciatiebevoegheid daadwerkelijk geval per geval uit te oefenen, en elke individuele aanvraag afzonderlijk op haar merites te beoordelen; dat de verwerende partij aldus het in het middel ingeroepen artikel 55, § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 heeft geschonden; dat het middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 21 november 1997 van het beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, inzoverre de door de b.v.b.a. ATELIERS VLASSENROOT ingediende aanvraag tot gedeeltelijke kwijt- schelding van de aangerekende interesten wordt afgewezen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. VII-16.350-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig oktober tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samen- gesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-16.350-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.825 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.