← België

Arrest 136827 - - 28/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.827 Rolnummer: A. 145073/VII-31194 Zaak: Arrest 136827 - - 28/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-08 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 12:53 Fiche Arrest nr 136.827 van 28 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.827 van 28 oktober 2004 in de zaak A. 145.073/VII-31.194 In zake : de n.v. SMC INTERNATIONAL, die woonplaats kiest bij Advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te ANTWERPEN, Meir 24 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Vaartstraat 64 tussenkomende partij : de burgemeester van de stad Antwerpen, die woonplaats kiest bij Advocaat R. POCKELÉ-DILLES, kantoor houdende te ANTWERPEN, Stoopstraat 1/

  1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. SMC INTERNATIONAL op 2 februari 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit tot niet-ontvankelijkheid met betrekking tot het ingestelde hoger beroep overeenkom- stig art. 68 VLAREM I, betekend per brief van 2 december 2003, ontvangen op 4 december 2003"; Gelet op het arrest nr. 126.397 van 15 december 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit en de vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden verworpen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 16 maart 2004; VII-31.194-1/4 Gelet op de beschikking van 1 april 2004 die de tussenkomst van de burgemeester van de stad Antwerpen toelaat; Gelet op de kennisgeving van de memorie van antwoord aan de verzoekende partij op 29 april 2004; Gelet op de kennisgeving aan de partijen, op grond van artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, dat de kamer uitspraak zal doen onder aanvoering van het ontbreken van het vereiste belang, tenzij een van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord; Gelet op het aangetekend schrijven van de verzoekende partij van 29 juli 2004, waarbij zij vraagt om te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 23 september 2004, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 7 oktober 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat ISENBAERT die, loco Advocaat P. MALLIEN verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat J. BERGÉ, die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat S. KNAEPEN die, loco Advocaten R. POCKELÉ-DILLES en C. SERVAIS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat bij het versturen van een kopie van de memorie van antwoord aan de verzoekende partij de hoofdgriffier melding heeft gemaakt van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 14bis, § 1, van voornoemd besluit van de Regent; VII-31.194-2/4 Overwegende dat de verzoekende partij binnen de termijn van zestig dagen, gesteld in artikel 7 van voormeld besluit van de Regent, geen memorie van wederantwoord aan de griffie heeft toegestuurd; dat krachtens voornoemd artikel 21, tweede lid, in principe vastgesteld dient te worden dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt; dat enkel kan worden afgezien van deze sanctie wanneer de verzoekende partij aantoont dat zij wegens overmacht werd verhinderd tijdig een memorie van wederantwoord in te dienen; Overwegende dat de memorie van antwoord rechtsgeldig -met name op het adres van de woonplaatskeuze ten kantore van haar raadsman- aan de verzoekende partij werd betekend; dat laatstgenoemde partij in haar verzoek om te worden gehoord aanvoert dat “het nog niet is uitgeklaard hoe de memorie van antwoord van het Vlaamse Gewest (haar) niet heeft bereikt, niettegenstaande de ondertekende ontvangstkaart van de Post dd. 29 april 2004"; dat zij daar ter terechtzitting niet verder op ingaat en er aldus geen elementen worden aangevoerd waaruit het bestaan van overmacht in haren hoofde zou kunnen blijken; dat er geen grond bestaat om de in artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde sanctie niet toe te passen; Overwegende dat er, gelet op hetgeen voorafgaat, geen reden is om in te gaan op de vraag van de verzoekende partij om onderhavige zaak samen te behandelen met de zaak G/A 146.697/VII-31.456, BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-31.194-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig oktober tweeduizend en vier, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. E. BREWAEYS. VII-31.194-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.827 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.126.397 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.