← België

Arrest 136861 - - 28/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.861 Rolnummer: A. 82036/VII-17688 Zaak: Arrest 136861 - - 28/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-09 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 12:55 Fiche Arrest nr 136.861 van 28 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.861 van 28 oktober 2004 in de zaak A. 82.036/VII-17.688. In zake : Johan VAN HOECKE, wonende te EVERGEM, Riemewegel 90 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johan VAN HOECKE op 19 januari 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 26 november 1998 inzake het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Evergem van 23 juni 1998, waarmee aan verzoeker de milieuvergunning wordt verleend voor het veranderen van een rundveeteeltbedrijf aan de Riemewegel 90 in Evergem; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 7 juli 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van verzoeker; Gelet op de beschikking van 6 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 september 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; VII-17.688-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. DE PEUTER die, loco Advocaat K. HELSEN verschijnt voor verzoeker, en van Bestuurssecretaris E. TORREKENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Verzoeker exploiteert een landbouwinrichting in Evergem. Voor de inrichting geldt een vergunning die op 3 oktober 1978 voor een termijn van dertig jaar werd verleend voor 10 varkens, 20 runderen en 2 paarden. Op 22 oktober 1992 wordt akte genomen van de aangifte van de opslag van 650m³ dierlijke mest. De inrichting ligt volgens het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 september 1977, deels in woongebied, deels in bufferzone. Volgens het bijzonder plan van aanleg "Rieme" heeft het terrein de bestemmingen "zone voor woningbouw (20 meter), koeren en tuinen (50 meter), daarna zone voor land- en tuinbouw, bufferzone 8 deel B waar geen constructies zijn toegelaten". De inrichting werd zonder vergunning uitgebreid; de bestreden beslissing is het gevolg van verzoekers derde poging tot regularisatie. 1.2. Op 12 november 1992 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een milieuvergunning voor 188 runderen, de opslag van 1.200 m³ groenvoeders, de opslag van 8.500 kg krachtvoeders, de opslag van 2 x 1.000 liter mazout, een loods voor het stallen van materieel en het lozen van normaal huishoudelijk afvalwater. 1.3. Op 27 oktober 1994 weigert de bestendige deputatie opnieuw een milieuvergunning voor "de toevoeging" van een stal voor 107 runderen, de opslag van 855m³ dierlijke mest, en de opslag van 1.200m³ groenvoeders alsook voor "de uitbreiding" met het lozen van normaal huishoudelijk afvalwater, 61 runderen in VII-17.688-2/6 bestaande stallen, een loods voor het stallen van landbouwmachines en de opslag van 2 x 1.000 liter mazout. 1.4. Op 23 juni 1998 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Evergem een milieuvergunning voor de uitbreiding met en toevoeging van: - het lozen van huishoudelijk afvalwater; - 147 runderen; - het stallen van 5 voertuigen; - de opslag van 1.000 liter brandstof; - de opslag van 100m³ dierlijke mest; - de opslag van 1.500m³ dierenvoeders. De vergunning houdt onder meer de exploitatie in van een nieuw te bouwen stal, op het deel van het terrein dat volgens het gewestplan in bufferzone ligt. 1.5. De Vlaamse Landmaatschappij tekent administratief beroep aan. Volgende adviezen worden verleend : - de afdeling Milieuvergunningen adviseert ongunstig; - de afdeling ROHM adviseert ongunstig; - de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert enkel gunstig wanneer het huishoude- lijk afvalwater in de riolering zou worden geloosd, en niet in oppervlaktewater; - de Vlaamse Landmaatschappij adviseert ongunstig; - de Provinciale Milieuvergunningsdeskundige adviseert ongunstig; - de Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert "principieel ongunstig", maar desalniettemin acht zij "om billijkheidsredenen een vergunning voor de bestaande stallen aanvaardbaar", zonder te verduidelijken of en hoe dit mogelijk is op basis van de aanvraag, en voor hoeveel dieren. 1.6. Op 26 november 1998 wordt de bestreden beslissing genomen : de vergunning wordt geweigerd. Er zijn twee weigeringsmotieven. Een eerste weigeringsmotief is gestoeld op de planologische onverenigbaarheid van de nieuwe rundveestal. Een tweede weigeringsmotief is dat de aanvraag strijdig is met artikel 4, § 2, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (vergunningenbesluit), gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996; VII-17.688-3/6 2. De gegrondheid van het beroep 2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel de schending aanvoert van "artikel 33, § 2, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging van meststoffen en artikel 4, par. 2, 3/

  1. e)van het Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 1996"; dat verzoeker in essentie doet gelden dat zijn vergunningsaanvraag wat het aantal dieren betreft een regularisatie inhoudt van een bestaande toestand, hetgeen voor gevolg heeft dat er geen sprake kan zijn van een uitbreiding van de effectieve mestproductie van de gemeente Evergem; dat hij stelt dat bij het bepalen van de oorspronkelijke gemeentelijke productiedruk van Evergem reeds rekening werd gehouden met de P2O5 -productie van de 169 runderen die door hem werden opgegeven in de landbouwtelling van 15 mei 1992, zodat niet kan worden beweerd dat de gemeentelijke reserve verder onder nul daalt, daar de mestproductie reeds werd in rekening gebracht bij de bepaling van de negatieve reserve; dat volgens verzoeker elke andere interpretatie ertoe leidt dat de mest- productie van zijn inrichting dubbel wordt geteld; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord doet gelden dat uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij blijkt dat de in het geding zijnde vergunningsaanvraag gepaard gaat met een stijging van de vergunde mestproductie van 424 kg P2O5 tot 3.491 kg P2O5 , zodat de aanvraag strijdig is met artikel 4, § 2, 3/, e), van het vergunningenbesluit en dat het niet terzake dienend is of de niet-vergunde dieren al dan niet reeds werden opgenomen in de landbouwtelling van 1992; 2.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord in essentie repliceert dat de verwerende partij geenszins zijn stelling weerlegt dat in casu wel voldaan is aan de voorwaarde van artikel 4, § 2, 3/, e), van het vergunningenbesluit, dat het overigens enkel heeft over een daling van de gemeentelijke reserve; dat naar zijn oordeel het niet volstaat te poneren dat het niet ter zake dienend is of de dieren al dan niet reeds werden opgenomen in de landbouw- telling van 1992; 2.4. Overwegende dat de laatste memorie van verzoeker zich beperkt tot een verzoek tot voortzetting van de procedure; VII-17.688-4/6 2.5.1. Overwegende dat het middel is gericht tegen het tweede decisief weigeringsmotief te weten : "Overwegende dat uit het advies van de VLM blijkt dat de vergunde mestproductie 424 kg P205 bedraagt (afkomstig van 6 runderen dat de uitbreiding derhalve niet kan worden toegestaan (...)"; 2.5.2. Overwegende dat verzoeker niet betwist dat de gemeente Evergem binnen het raam van het meststoffendecreet en zijn uitvoeringsbesluiten een zwarte gemeente betreft; dat overeenkomstig artikel 4, § 2, 3/, e), van het vergunningenbe- sluit, in het geval dat de vergunningsaanvraag voor wat betreft de rubrieken 9.3. tot 9.8. van de indelingslijst betrekking heeft op een aanvraag tot verandering met uitbreiding van de mestproductie van een bestaande veeteeltinrichting horende bij een gezinsveeteeltbedrijf, de aanvraag kan worden ingewilligd indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan : "e. als de inrichting gelegen is in een donkergrijze of zwarte gemeente, mag de vergunningverlening niet tot gevolg hebben dat de gemeentelijke reserve van de gemeente waarop de melding of aanvraag betrekking heeft, hierdoor negatief wordt of verder daalt onder nul"; 2.5.3. Overwegende dat luidens artikel 33, § 7, vierde lid, van het meststoffendecreet zoals het gold ten tijde van het bestreden besluit de gemeentelijke reserve voor zwarte gemeenten "gelijk (
  2. is)aan het verschil van enerzijds 50 % van de som van de vrijgekomen produktie en anderzijds de toegenomen productie"; dat bij de berekening van deze "vrijgekomen productie" conform artikel 33, § 4, vierde lid, van het meststoffendecreet en de berekening van de "toegenomen productie" conform artikel 33, § 4, tweede en derde lid, van hetzelfde decreet de "oorspronkelijke productiedruk per gemeente" waarvan sprake in artikel 33, § 2 en die onder meer gebaseerd is op de gegevens van de land- en tuinbouwtelling van 15 mei 1992, geen enkele rol speelt maar enkel bepalend is voor de indeling van de gemeenten in vier groepen, nl. de witte, de lichtgrijze, de donkergrijze en de zwarte gemeenten; dat de gemeentelijke reserve de evolutie betreft na de berekening van de oorspronkelijke productiedruk; dat dienvolgens verzoekers argumentatie niet tot de VII-17.688-5/6 onwettigheid van het hiervoren geciteerd weigeringsmotief kan leiden; dat het middel niet gegrond is; 2.6. Overwegende dat aangezien het hiervoren besproken weigerings- motief volstond om de vergunning te weigeren, het eerste middel dat gericht is tegen het overtollig weigeringsmotief gestoeld op de planologische onverenigbaarheid van de inrichting, niet moet worden onderzocht, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig oktober tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samen- gesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-17.688-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.861 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.