← België

Arrest 136927 - - 29/10/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.927 Rolnummer: A. 137761/XIV-15484 Zaak: Arrest 136927 - - 29/10/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-27 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 13:00 Fiche Arrest nr 136.927 van 29 oktober 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.927 van 29 oktober 2004 in de zaak A. 137.761/XIV-15.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat M.-Ch. WARLOP, kantoor houdende te 1200 BRUSSEL, Slegerslaan
  2. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Syrische nationaliteit, op 10 juni 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 mei 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 9 december 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 7 mei 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 19 juni 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 1 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 september 2004; XIV-15.484-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. VANDENBERGHE, die loco advocaat M.-Ch. WARLOP, verschijnt voor de verzoekende partij, en van adjunct- adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 25 november 2002 en zich vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat op 9 december 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 5 mei 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is; 2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending opwerpt van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden (E.V.R.M.), van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van het algemeen beginsel dat de overheid verplicht bij het nemen van een beslissing rekening te houden met alle pertinente gegevens van de zaak; dat de verzoekende partij aanvoert dat de commissaris-generaal enkel rekening heeft gehouden met de voor haar ongunstige elementen in het dossier, dat haar verklaringen verkeerd werden vertaald door de aangewezen tolk, dat zij tevergeefs bij monde van haar raadsman uitdrukkelijk had verzocht om bijgestaan te worden door een Syrische tolk, dat er klaarblijkelijk een verwarring was ontstaan tussen de termen “al-Kataeb al-lubnania (Kattaeb Phalanges d’Amine Gemalyel) en “al-Qouate al-loubnania (Forces Libanaises de Samir Geagea)”, dat het bijzonder moeilijk is voor een tolk die de politieke toestand in Syrië niet beheerst om voormelde termen correct te onderscheiden, dat de “Forces Libanaises” hadden samengewerkt met de toenmalige Premier en minister van Defensie, generaal Aoun om de eenheid van Libanon te realiseren, doch dat het tot een breuk kwam toen de “Forces Libanaises” een staatsgreep planden omdat generaal Aoun daartegen was en een militair offensief lanceerde tegen de “Forces Libanaises”, dat het Syrische leger van die gelegenheid gebruikmaakte om het presidentieel paleis binnen te dringen en te XIV-15.484-2/5 bombarderen, dat generaal Aoun naar Frankrijk moest vluchten, dat de “Forces Libanaises” sindsdien verboden zijn en dat Kattaeb een officieel erkende partij is sinds haar oprichting door Pierre Gemayel, dat de verzoekende partij stelt nooit verklaard te hebben dat generaal Aoun lid zou zijn geweest van “Forces Libanaises” of dat Kattaeb niet meer zou bestaan, dat de commissaris-generaal zich vergist met zijn stelling dat de leden van Kataeb en “Forces Libanaises” die deelnamen aan de gevechten tijdens de burgeroorlog niet vervolgd zouden kunnen worden, dat zij dienaangaande verwijst naar dezelfde informatiebron van de commissaris-generaal waaruit zou blijken dat de Libanese Justitie ondanks de amnestie- wet van 1991 dossiers van voormalige leden van Forces Libanaises heropend heeft, dat de amnestiemaatregel kan worden opgeheven, zo de betrokkene nieuwe en gelijkaardige misdrijven pleegt; dat de commissaris-generaal de plicht heeft om een omstandig onderzoek te voeren om over de ontvankelijkheid van de asielaanvraag te oordelen, dat hij daartoe alle elementen en niet alleen de ongunstige in aanmerking moet nemen, dat de verklaringen van de asielaanvragen niet allemaal letterlijk in de verhoorslagen worden weergegeven, dat de verwerende partij dit had moeten onderzoeken en dat de door de verzoekende partij aangehaalde feiten betrekking hebben op de vrees in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève; 2.
  5. Overwegende dat artikel 6 van het E.V.R.M. enkel van toepassing is op jurisdictionele procedures doch geenszins op administratieve beroepsprocedures zoals een dringend beroep in het kader van de behandeling van een asielaanvraag; dat het middel in die mate onontvankelijk is; Overwegende dat artikel 62 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; XIV-15.484-3/5 Overwegende dat de bestreden beslissing is gesteund op twee motieven, te weten dat de verklaringen van de verzoekende partij over Kata’eb, “Forces Libanaises”en Michel Aoun niet overeenkomen met de informatiebron waarover de commissaris-generaal beschikt, en dat de verzoekende partij niet kon verduidelijken waarom de Syrische geheime politie haar huis plots, tien jaar later, zou doorzoeken en documenten, foto’s, slogans en geschriften over haar vermeend vijfjarig politiek engagement zou meenemen, terwijl zij zelf had verklaard sinds 1990 geen enkele politieke activiteit meer te hebben uitgevoerd en tussen 1990 en 2001 geen problemen te hebben gekend met de Libanese of Syrische autoriteiten; Overwegende dat geen enkele wettelijke bepaling de commissaris- generaal verplicht een tolk aan te stellen die zowel de gekozen taal van de asielzoeker als de politieke toestand in zijn land van herkomst zou beheersen; dat uit het verhoorverslag van het commissariaat-generaal blijkt dat de verzoekende partij de motieven die aan de basis lagen van haar vlucht ruimschoots heeft kunnen uiteenzetten; dat het verhoor op het commissariaat-generaal plaatsvond in de door de verzoekende partij gekozen taal, namelijk het Arabisch, en meer dan twee uur duurde; dat uit het verhoorverslag eveneens blijkt dat de verzoekende partij het verzoek om een Syrische tolk pas had ingediend toen het verhoor reeds meer dan een uur bezig was, en dat haar antwoord op de vraag waarom een uur wachten om dit te vragen luidde als volgt:“Begrijp tolk maar sommige woorden begrijp ik (niet) goed. Soms woorden moeilijk te begrijpen” (verhoorverslag, p. 14); dat dit antwoord te vaag is en niet preciseert in welke mate de aangewezen tolk verwijt treft bij het gebrekkig taalbegrip van de verzoekende partij; dat daarenboven de door de verzoekende partij post factum opgeworpen terminologische verwarring tussen “al-Kataeb al-lubnania (Kattaeb Phalanges d’Amine Gemalyel) en “al-Qouate al-loubnania (Forces Libanaises de Samir Geagea)” geen afbreuk doet aan de vaststelling van de commissaris-generaal dat zij niet kon verduidelijken waarom de Syrische geheime politie haar huis plots, tien jaar later, zou doorzoeken en documenten, foto’s, slogans en geschriften over haar vermeend vijfjarig politiek engagement zou meenemen, terwijl zij zelf had verklaard sinds 1990 geen enkele politieke activiteit meer te hebben ondernomen en tussen 1990 en 2001 geen problemen te hebben gekend met de Libanese of Syrische autoriteiten; dat de verzoekende partij derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het enige middel in die mate ongegrond is;
  6. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, XIV-15.484-4/5 de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  7. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig oktober tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-15.484-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.927 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.