← België

Arrest 136970 - - 04/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.970 Rolnummer: A. 129907/XIV-12791 Zaak: Arrest 136970 - - 04/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-25 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 13:10 Fiche Arrest nr 136.970 van 4 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 136.970 van 4 november 2004 in de zaak A. 129.907/XIV-12.791. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. DE POURCQ, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Nachtegaalstraat 47 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 5 mei 1974 en van XXX nationaliteit, op 28 november 2002 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 1 oktober 2002 tot weigering van regularisatie; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het voorlopig advies opgemaakt door Auditeur M. STERCK; Gelet op de kennisgeving van dat voorlopig advies aan de partijen; Gelet op de beschikking van 24 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 22 september 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. DE POURCQ, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor verwerende partij; XIV-12.791-1/9 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. XXX, heeft op 28 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 2/. 1.2. Verzoeker is door de Commissie voor regularisatie op 6 februari 2001, bijgestaan door een raadsman, gehoord. De derde kamer verleende een ongunstig advies omtrent de aanvraag. 1.3. De zaak werd hernomen door een andere kamer van de Commissie voor regularisatie. Verzoeker werd opnieuw gehoord, in het bijzijn van een raadsman, op 29 maart 2002. Op deze zitting vraagt verzoeker de uitbreiding naar artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet. 1.4. De Kamer van de Commissie voor regularisatie heeft op 21 augustus 2002 een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen : “(...) 1. De aanvraag werd tijdig en rechtsgeldig ingediend. Ten gronde beroepen verzoekers zich op de artikelen 2, 2/ en 2, 4/ van de regularisatiewet van 22 december 1999. 2. De procedurele voorgaanden Op de zitting van 6.2.01 verschijnen betrokkenen, bijgestaan door hun advocaat en een tolk. Het PV van de zitting vermeldt inderdaad dat het DVZ-dossier nog moest opgevraagd worden en dat desgevallend opnieuw contact werd opgenomen met de raadsman. Niettemin wordt een ongunstig advies opgesteld. De heer Minister stuurt het dossier dan ook terug naar de Commissie aangezien betrokkene “niet gecontacteerd werd ondanks de gemaakte afspraak, die ook vermeld werd op het zittingsblad, dat dit zou gebeuren zodra het dossier van DVZ ter beschikking zou zijn. Klaarblijkelijk is dit niet gebeurd.” De heer Minister verzoekt de Commissie om een onderzoek hierover. Doordat er een advies werd verleend na de zitting van 6.2.01, bezit de heer vice Eerste Voorzitter van de Commissie niet meer de rechtsmacht om inhoudelijk te antwoorden op verzoekers raadsmans brieven en stukken. De heer Pas heeft in die zin ook geantwoord bij het terugsturen van de ontvangen stukken. Op de zitting van 29.3.02 verschijnt verzoeker met zijn raadsman. Vooraf doet betrokkene afstand van het verzoek tot regularisatie voor zijn vrouw en zijn kind, die onafgebroken in XIV-12.791-2/9 XXX verbleven, dus ook op het moment van het indienen van de regularisatieaanvraag. Aldus is het regularisatieverzoek wat hen betreft zonder voorwerp. De kamer neemt akte van deze afstand. De debatten worden ab ovo hernomen. De Commissie verzet zich niet tegen de neerlegging van nieuwe bijkomende stukken, verzameld sedert de vorige zitting van 6.2.01. Meester Verbeke start zijn pleidooi met het verwijt dat hem op de vorige zitting van 6.2.01 geen inzage in extenso van het DVZ-dossier is verleend. De Kamervoorzitter legt uit dat dit principieel niet wordt toegestaan, aangezien de raadpleging van het dossier door de asielzoeker in de kantoren van de DVZ moet gebeuren; wel worden desgevallend bepaalde stukken spontaan meegedeeld aan de betrokkene, uit eerbied voor de rechten van verdediging, wanneer zij zouden worden gebruikt in de regularisatieprocedure. De raadsman stemt in met deze gang van zaken. 3. De ontvankelijkheid De aanvrager bewijst zijn identiteit en nationaliteit onvoldoende aangezien zijn origineel identiteitsdocument zou zijn "afgegeven op het Commissariaat-Generaal". Hij toont wel een niet-vervallen rijbewijs. De identiteit en nationaliteit werden niet betwist door de DVZ en slechts summier onderzocht door het Onderzoekssecretariaat. De Commissie beschikt verder niet over elementen die de identiteit en nationaliteit in twijfel trekken. Onder deze identiteit is betrokkene gekend onder meer door de DVZ, waar hij een dossier bezit, dat ter zitting kon geraadpleegd worden. XXX bewijst daarnaast een daadwerkelijk verblijf in het Rijk op 1.10.99 onder meer door de neerlegging van een verzoek tot schorsing tegen de negatieve beslissing van het CGVS op 2.7.99 (stuk l). 4. Ten gronde: artikel 2, 2/: onmogelijke terugkeer onafhankelijk van de wil De Commissie stelde ter zitting van 6.2.01 vast dat betrokkene bij de regularisatieaanvraag een verklaring heeft ingediend van onmogelijke terugkeer onafhankelijk van zijn wil. Ook op de zitting van 29.3.02, met nogmaals neerlegging van nieuwe stukken, roept hij zijn K. afkomst in, alsook het feit dat vele familieleden zouden zijn aangesloten bij de P. (Zo zou een neef gestorven zijn en een broer een been verloren zijn tengevolge van de twisten van de overheid met de P.). Betrokkene geeft echter ter zitting toe dat hij zelf nooit aangesloten is geweest bij de P. De recent vertaalde neergelegde stukken onder 2b en 2c van het laatste neergelegde dossier (IV), bevatten inderdaad informatie over de gesneuvelde "neef" en de gewonde "broer", die een osteomyeliet zou ontwikkeld hebben. Het is de Commissie echter niet duidelijk of de broer zijn onderbeen verloor als krijgsgevangene dan wel in andere, burgerlijke omstandigheden. Ook meent de Commissie dat met het neerleggen van een krantenartikel in de XXX taal de verwantschap van deze slachtoffers met de verzoeker niet onomstotelijk vast staat. Vooreerst herneemt deze Kamer de visie van de derde Kamer in haar advies van 13.7.01 voor wat betreft de frauduleuze asielprocedure. Bij arrest van 28.3.00, met kennisgeving op 6.4.00 wees de Raad van State een schorsingsverzoek af en bij arrest van 12.12.00 akteerde de Raad van State vervolgens een afstand van geding van het vernietigingsverzoek bij gebrek aan een tijdige voortzetting van deze procedure. De Commissie acht het dan ook passend de intussen in kracht van gewijsde gegane beslissingen van de diverse instanties te eerbiedigen met inbegrip van hun beoordeling over de vrees die verzoeker aldaar verwoord had en die inhoudelijk nauwelijks is gewijzigd. De Commissie ontkent niet dat de vertalingen van krantenartikelen op zich wel relevante informatie kunnen bevatten over de individuele situatie van de overleden "neef en voor (van) de "broer". Dit kan echter niet doorgetrokken worden naar de feiten voor verzoeker, over wie de Commissie geen enkele vermelding vindt. Deze nieuwe persberichten brengen aldus geen nieuwe gegevens bij die leiden tot een andere beoordeling. Hetzelfde geldt voor de algemene overzichtsdocumenten afkomstig van Amnesty International. Bovendien verklaart betrokkene zelf spontaan ter zitting dat zijn vrouw en kind onafgebroken in XXX verblijven en dat hij wekelijkse telefonische contacten met hen onderhoudt. Zo vertelt hij er echter niet bij dat zijn vrouw of kind enige hinder of bedreigingen zouden ondervinden. Noch licht hij de Commissie mondeling in over mogelijke folterpraktijken die hem bij een eventuele terugkeer zouden te wachten staan, terwijl hij als stukken een rist niet-gespecificeerde uitspraken van het EHRM neerlegt. Het is niet de opdracht van deze Commissie om een overzicht van rechtspraak te maken over schendingen van artikel 3 EVRM. Zij is aldus van mening dat betrokkene in casu geen ernstige en duidelijke redenen opgeeft om te geloven dat betrokkene een reëel risico loopt om in XXX te worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen overeenkomstig artikel 3 EVRM voormeld. Ten slotte bevat het dossier ook een verklaring van iemand die getuigt in algemene bewoordingen dat “betrokkene en zijn familie werden opgepakt of mishandeld” en dat “een eventuele terugkeer te gevaarlijk zou zijn” (stuk 1). Ook deze verklaring is in te algemene bewoordingen gesteld om in aanmerking te kunnen worden genomen als bewijsstuk. Bovendien vermeldt deze getuige niet eens zijn identiteitsgegevens, zodat dit stuk volgens de Commissie onvoldoende bewijswaarde bezit. XIV-12.791-3/9 Het feit dat volgens de nieuwste conclusie van de aanvrager een aantal neven ("kozijns") van wie de verwantschapsgraad overigens niet bewezen is, zouden zijn erkend als politiek(

  1. e)vluchteling, kan evenmin volstaan voor een gunstig advies voor betrokkene. De Commissie vermag niet te oordelen en te adviseren bij algemene en als regel geldende beschikking (art. 6 Ger.W.). Ieder dossier moet individueel benaderd en behandeld worden. Zo blijkt dat de geregulariseerde, Y., zich aan de dienstplicht zou onttrokken hebben, terwijl dit niet het geval is met (voor) betrokkene (nieuwste stuk 12a). Verder blijkt dat de geregulariseerde, E., bijkomend humanitaire redenen kon laten gelden, waaronder de kennis van het Nederlands en een langere verblijfsperiode in het Rijk (stuk 7m). Om deze redenen blijft de Commissie na lezing van al de neergelegde bijkomende stukken bij haar negatieve standpunt. Op deze rechtsgrond kan dan ook geen regularisatie worden toegekend. 5. Artikel 2, 4/: sociale bindingen en humanitaire redenen Betrokkene doet een eisuitbreiding op grond van artikel 2, 4/ van de regularisatiewet. De Commissie stelt vast dat het ononderbroken verblijf in het Rijk sedert de asielaanvraag op 22.10.98 tot aan het einde van de wettelijke referteperiode van 31 januari 2000 niet overeenstemt met de wettelijke termijn van 6 jaar, gelet op de afwezigheid van minderjarige kinderen die hier school lopen. Verzoeker ontving bovendien een bevel om het grondgebied te verlaten na de betekening van de negatieve beslissing van de Vaste Beroepscommissie alsook een bericht van afwijzing van de schorsingsprocedure bij de Raad van State. Het proces-verbaal van de Algemene Vergadering van 18.11.00 vermeldt dat aangenomen wordt dat zodra de voorgeschreven verblijfsduur van de verzoeker wordt bewezen, de sociale banden en humanitaire redenen verondersteld worden aanwezig te zijn. In casu staaft verzoeker aldus geen verblijf van 6 jaar in het Rijk, zelfs geen anderhalf jaar tijdens de wettelijke referteperiode. Daarom moet hij uitdrukkelijk bijzondere sociale en humanitaire bindingen met het Rijk sedert oktober 1998 wettigen voor de Commissie. Vóór 1998: geen specifiek stuk (enkel asielprocedure). Vóór 1999: geen specifiek stuk (enkel asielprocedure). Uit een nieuw stuk 8 blijkt bovendien dat de aanvrager in augustus 1999 in Breda (Nederland) is opgepakt en teruggestuurd naar ons land. In een brief aan de Commissie vermeldt de raadsman dat betrokkene toen aanwezig was op een K. feest hoewel hiervan geen stavingsstuk wordt voorgelegd, hetgeen de Commissie onder de aandacht van de heer Minister wenst te brengen. Vóór 2000: Een niet gedagtekende (sic) noch ondertekende (sic) noch geregistreerde huurovereenkomst aangegaan voor een jaar, zonder aanvangsdatum (sic) die eindigt op 23.5.00. De Commissie oordeelt dat een dergelijke overeenkomst weinig bewijswaarde heeft. Vóór 2001: Betrokkene brengt een aantal stukken aan over zijn tewerkstelling. Een voorlopige arbeidsvergunning tot tewerkstelling als werknemer bij BVBA C. (oud stuk 2a), een attest van deeltijdse tewerkstelling van het sociaal secretariaat SFD met een indiensttreding op 23.1.01 (oud stuk 2b) evenals twee loonfiches: voor juni en augustus 2001 bij deze BVBA. Tevens voegt hij nog een attest van het sociaal secretariaat ACERTA als werknemer met eenzelfde indiensttreding op 23.1.01 (nieuw stuk 6b) alsook een attest van inschrijving bij de socialistische mutualiteit A. (nieuw stuk 6a). Ter zitting blijkt dat betrokkene zich moeilijk verstaanbaar maakt in het Nederlands, en dat hij geen taalcursus Nederlands zou hebben gevolgd. Zijn raadsman had voor deze zitting inderdaad verzocht om een tolk. Betrokkene is ten slotte niet ten laste geweest van een OCMW en heeft geen beroepsopleiding gevolgd. Ook verklaart betrokkene ter zitting dat zijn vrouw en kind nog steeds in XXX verblijven en dat het te moeilijk is om ze te laten overkomen. Verder onderhoudt hij wekelijks telefonische contacten met hen. Hieruit leidt de Commissie af dat voor betrokkene het centrum van zijn gezinsbelangen niet in België is. De stukken 7(a-
  2. k)zijn louter fotokopies van identiteitskaarten van mensen van (OVN) XXX, Nederlandse of Belgische nationaliteit. Dergelijke stukken zijn neergelegd op de voorgaande zitting, waarop dan handgeschreven de vermelding "nicht" of "kozijn" is toegevoegd zonder stavingsstuk. Verder bevatten deze identiteitsdocumenten geen enkele steunbetuiging of getuigenverklaring over sociale bindingen met de aanvrager of van humanitaire bindingen van de aanvrager met het Rijk. De voorzitter van de vzw K. getuigt dat betrokkene vanaf 29.9.98 (sic) tot heden contact heeft met de vzw en dat hij deelnam aan hun culturele en sportieve activiteiten. Het dossier bevat verder geen sociaal verslag, wel een blanco strafregister van 30.1.01 (stuk 3, 6.2.01) en een bericht van de wijkagent dat betrokkene niet aanwezig was op de controle van 5.3.00 ter bevestiging van de woonst op het adres dat nochtans kort tevoren door de aanvrager was opgegeven. Na lezing van al de stukken is de Commissie van oordeel dat betrokkene niet afdoende aantoont dat hij, naast een regelmatig en ononderbroken verblijf in het Rijk sedert de XIV-12.791-4/9 asielaanvraag in oktober 1998, daadwerkelijk bijzondere duurzame sociale bindingen heeft kunnen aanknopen. Derhalve kan aan dit regularisatieverzoek geen gunstig gevolg worden gegeven. (...).”; 1.5. Op 1 oktober 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. Dit is de thans bestreden beslissing die als volgt luidt: “(...) In goede orde heb ik de brief van Mtr. A. DE POURCQ ontvangen met betrekking tot het ongunstig advies verleend door de Commissie voor Regularisatie, betreffende uw regularisatieaanvraag met het nummer 2060 2000 0128 03849. Ik heb gemeend, bij het nemen van mijn negatieve beslissing toch het door de Commissie voor Regularisatie geformuleerde advies (zie bijlage) te moeten volgen, waar het stelt dat niet voldaan werd aan de voorwaarden van de wet van 22 december 1999. De door uw raad aangebrachte elementen zijn immers niet van aard om dit ongunstig advies, - waarvan ik de overwegingen onderschrijf en als de mijne overneem -, noch om de motivering ervan te wijzigen. Alhoewel uw identiteit als dusdanig niet bewezen was ter zitting en deze twijfel in het advies werd vervat heeft deze twijfel nooit enige invloed gehad op de ontvankelijkheid van de aanvraag bij de bewuste kamer. Het feit dat uw aanvraag als ontvankelijk werd beschouwd impliceert dat de identiteit en nationaliteit als dusdanig werden aanvaard en als niet betwist werden beschouwd. Het feit dat u al dan niet inzage had kunnen krijgen van het DVZ-dossier heeft dan ook op geen enkel wijze uw rechten ter zake geschaad. Het is duidelijk dat opdat artikel 2§2 van de wet van 22 december 1999 toepasselijk zou zijn er persoonlijke reden(
  3. en)aanwezig moeten zijn waarom u niet terug kunt naar uw (land) van herkomst. Een verwijzing naar een algemene situatie op zich is onvoldoende om te besluiten tot een individuele onmogelijkheid tot terugkeer. Dat u ook nu nog faalt op dit punt. De verwijzing naar de eventuele problemen van familieleden is op zich onvoldoende, temeer (daar) u zelf verklaard heeft nooit lid te zijn geweest van het P. Dat uw raadsman terecht stelt dat ieder dossier individueel moet onderzocht en geapprecieerd worden. Dat juist deze individuele appreciatie niet van aard is om te besluiten dat er redenen zijn om af te wijken van het advies van 21 augustus 2002. Om het bestaan van duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen te kunnen laten gelden moet voldaan zijn aan artikel 9§9 van de wet van 22 december 1999. Het is echter duidelijk dat er op het ogenblik van de regularisatieaanvraag geen sprake was (van) een verblijf van zes / vijf jaar (volgens uw eigen verklaring (was
  4. u)pas in het land sedert 1998), noch van een relevant wettig verblijf, noch dat u geen bevel had ontvangen om het grondgebied te verlaten in de vijf jaar voorafgaand aan deze aanvraag. Er is dus duidelijk niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 9§9. In subsidiaire orde kan gesteld worden dat u geen elementen aanhaalt die het bestaan van duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen laten veronderstellen op het ogenblik van de aanvraag zijnde januari 2000, zoals vereist door artikel 2 van de wet van 22 december 1999, dat uitdrukkelijk stelt dat aan de voorwaarden moet voldaan zijn op het ogenblik van de aanvraag. Daarom besluit ik tot een afwijzing van uw regularisatieaanvraag . (...).”; 2. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; XIV-12.791-5/9 2.1. Overwegende dat verzoeker een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt: “(...) geput uit de schending van het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging en van de motiveringsplicht, voortvloeiend uit de artikelen 1-3 Wet van 29.07.91. Omtrent de "ontvankelijkheid" van de regularisatieaanvraag argumenteert de Commissie: "De aanvrager bewijst zijn identiteit en nationaliteit onvoldoende aangezien zijn origineel identiteitsdocument zou zijn "afgegeven op het Commissariaat- Generaal". Echter, onder punt 3 van het advies op p. 2 staat er : "onder deze identiteit is betrokkene gekend ondermeer door de DVZ, waar hij een dossier bezit dat ter zitting kon geraadpleegd worden". In zijn brief van 24.09.02 aan de Minister, Cel regularisaties, heeft de raadsman gesteld: "Het staat dus vast dat de Commissie, of een lid daarvan, dit dossier op 29.03.02 heeft kunnen inzien, terwijl dit niet het geval was voor mijn cliënt of diens raadsman." Het staat dus vast dat tot twee keer toe, ter gelegenheid van de twee zittingen van de Regularisatiecommissie, verzoeker of zijn raadsman geen kans hebben gekregen om het dossier van de Dienst Vreemdelingenzaken in te kijken, iets waarop ter zitting nochtans was gewezen door de raadsman. De Minister, in zijn antwoord van 01.10.02, stelt wel dat de twijfel in hoofde van de Commissie "nooit enige invloed gehad heeft op de ontvankelijkheid van de aanvraag bij de bewuste Kamer", doch de formulering van het advies is dermate, dat het onduidelijk blijft of deze Kamer nu al of niet een voldoende bewijs van de identiteit en nationaliteit heeft aanvaard. Bovendien is het principieel strijdig met de rechten van de verdediging - in een tegensprekelijke procedure voor de Regularisatiecommissie - dat deze Commissie tot twee keer inzage heeft gehad van het dossier DVZ, terwijl aan verzoeker of zijn raadsman die kans niet werd geboden. Zoals de raadsman schreef op 24.09.02: “In casu wordt de indruk gelaten dat, zelfs indien men de identiteit en nationaliteit aanvaard(t), er een grote mate van twijfel overblijft, wat dan voor het vervolg van het advies in het nadeel van cliënt kan gespeeld hebben”. Overwegende dat verzoeker op het eerste gezicht geen belang heeft bij dit middel omdat uit de bestreden beslissing genoegzaam blijkt dat het bewijs van de identiteit en de nationaliteit van verzoeker geen invloed had op de ontvankelijkheid van de regularisatieaanvraag; dat bijgevolg het eerste middel niet ontvankelijk is; 2.2. Overwegende dat verzoeker een tweede middel aanvoert dat als volgt luidt: “(...) geput uit de schending van art. 2. 2/ Regularisatiewet van 22.12.99 en van art. 3. E.V.R.M. Art. 2, 2 stelt dat een regularisatieaanvraag kan indienen, de vreemdeling(
  5. en)die op het ogenblik van de aanvraag “hetzij om redenen onafhankelijk van hun wil, niet kunnen terugkeren naar het land of de landen waar zij vóór hun aankomst in België gewoonlijk verbleven hebben, noch naar hun land van herkomst, noch naar het land waarvan ze de nationaliteit hebben”. Art.3 E.V.R.M. stelt, op een dwingende manier: "Niemand mag worden onderworpen aan folteringen, noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen." De Commissie stelde, wat betreft de vertaalde krantenartikelen betreffende O. en H. dat: - het niet duidelijk was "of de broer zijn onderbeen verloor als krijgsgevangene dan wel in andere, burgerlijke omstandigheden" terwijl nochtans de vertaling wel degelijk gewag maakt van "krijgsgevangene" wat in het geval van de burgeroorlog tussen het XXX leger en de P. niet anders kon betekenen dan dat het om een P.strijder ging. De hypothese dat het ook om een "gemeenrechtelijke" hechtenis zou kunnen gaan, houdt dus duidelijk een manifeste appreciatiefout in. Het lijkt erop dat er in hoofde van de Commissie onwil aanwezig was om de broer van verzoeker het label P.-strijder toe te kennen, terwijl dit zelfs niet in de asielprocedure werd betwist. Vermits de Commissie inzage heeft gekregen van het dossier DVZ, had dit voor haar duidelijk moeten zijn. - “Met het neerleggen van een krantenartikel in de XXX taal, de verwantschap van deze slachtoffers met verzoeker niet onomstotelijk vaststaat" XIV-12.791-6/9 terwijl opnieuw deze familieband voorheen, in de asielprocedure, niet het voorwerp van discussie heeft uitgemaakt. Dat er bovendien minstens een getuigenverklaring in het dossier was (verklaring van dhr. Y. op 24.06.01) die de band tussen verzoeker en dhr. O. expliciet vermeldde als zijnde broers. - deze laatste getuige niet eens zijn identiteitsgegevens heeft vermeld, zodat deze verklaring onvoldoende bewijswaarde bezit voor de Commissie, terwijl deze verklaring begint als volgt: " Ik ondergetekende, M., wonende te B.straat 135, A., verklaar hierbij dat ik de heer XXX al ken vanaf mijn geboorte... en ik was er getuige van dat hij en zijn familie werden opgepakt of mishandeld..." Ook hier maakt de Commissie een ernstige appreciatiefout want deze getuige vermeldt wel degelijk zijn naam, voornamen, adres en bovendien is het geen verklaring in te algemene bewoordingen, want de getuige vertelt dat hijzelf getuige is geweest van een bepaalde in hechtenisneming. Het standpunt van de Minister is dat een verwijzing naar een algemene situatie onvoldoende is om te besluiten tot een individuele onmogelijkheid van terugkeer en dat de verwijzing naar problemen van familieleden niet volstaat, als men zelf verklaart nooit lid te zijn geweest van de P. Echter, als men het ganse dossier van verzoeker, zoals dit neergelegd werd met brieven van 06.02.01, 21.09.01 en ter zitting van 26.03.02, bekijkt, dan stelt men vast dat niet alleen stukken en verwijzingen zijn gebeurd naar méér algemene problemen van K. in XXX, maar ook zeer concrete gegevens werden aangebracht over - zijn broer O. en zijn neef H - zijn neven/ kozijns erkend als vluchteling in België - verklaringen van een getuige van het K. - enz. De problemen die ondermeer zijn broer O., zijn neef H. en andere familieleden op politiek vlak hadden ondervonden in het verleden, hadden en hebben voor verzoeker gevolgen op het vlak van: - de vrees, zoals door Amnesty International geuit met brief van 23.04.94 voor het gevaar dat familieleden van P.-strijders liepen bij terugkeer naar XXX - het aannemelijk zijn van een hoger risico om slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen in geval van terugkeer, zoals verwoord in het rapport van het Nederlands(
  6. e)Ministerie van Buitenlandse Zaken op 13.12.00 (zie stuk 2, gehecht aan de brief van 24.09.02). Ongetwijfeld zijn er nog andere waarschuwingen, uit andere objectieve bronnen, zie b.v. de brief van A.I. Nederland d.d. 15.03.00 aan Vluchtelingenwerk Amsterdam, p. 13 (stuk 4). Het is op dit punt dat het "gezag van gewijsde" dat toegekend werd aan de (Franstalige) bevestigende beslissing van het CGVS d.d. 02.07.99, zeer betwistbaar is. Het valt immers op dat in deze beslissing een vrij cijfermatige benadering van de asielaanvraag is gebeurd, in die zin dat voornamelijk is nagekeken of verzoeker zich niet tegengesproken heeft wat betreft de timing, het aantal en de duur van de verschillende hechtenissen. Gemakshalve werden voor verzoeker zeer belangrijke feiten opzij geschoven zoals de dood van H. in augustus '91, gestorven in de strijd tegen het XXX leger en de in gevangenisneming van zijn broer O. in juni-juli 1993 (broer die nadien veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van meer dan 10 jaar en nog steeds in de gevangenis verblijft op dit moment in K.). Een andere broer van verzoeker verblijft in Duitsland, als vluchteling. Het is nuttig hier te verwijzen naar het feit dat 2 andere leden van de familie S., meer bepaald R. en N. recent werden erkend als vluchtelingen door het C.G.V.S. bij beslissing d.d. 17.10.02 (zie stukken 1 en 2). Het gaat hier meer bepaald om broers van voornoemde H. Artikel 3 E.V.R.M. maakt deel uit van de harde kern van de Conventie, waarbij principieel geen uitzonderingen zijn toegestaan. Impliciete restricties staan in verband met de context waarin dit artikel wordt ingeroepen. De " slechte behandeling" moet een minimum aan zwaarwichtigheid hebben, daar de appreciatie afhangt van het geheel der gegevens van de zaak (Beslissing E.V.R.M. 13.03.01 op de ontvankelijkheid, p. 13, zaak CONKA / Belg.Staat). Volgens het arrest SOERING moet het gaan om "un motif sérieux et avéré de croire que l'interessé si on le livre à un état déterminé y courr(er)a un risque réel de subir de tels traitements" (arrest SOERING / U.K. 07.07.89, Serie A, nr. 161 § 91). In de bovengeciteerde zaak CONKA oordeelde het Hof in negatieve zin, wat betreft de toepassing van art. 3 E.V.R.M., wegens "I' absence de tout indice de violence ou de mauvais traitements subis par les intéressés depuis leur retour en S. et du fait que leur fils a volontairement choisi de les rejoindre en avril 2000". XIV-12.791-7/9 In casu bestaan die aanwijzingen wel en ze zijn ernstig te nemen in het geval van verzoeker. Tot op de dag van vandaag bestaat het risico dat verzoeker, in geval van terugzending naar XXX onmiddellijk en aan de grens wordt onderworpen aan ernstige ondervragingen, bedreigingen, zelfs gevangenisneming (een praktijk die courant toegepast werd en wordt voor XXX K., die illegaal het land hebben verlaten en al of niet gedwongen terugkeren via een luchthaven of een andere officiële grensovergang). Er dreigt dus schending van art. 3 E.V.R.M.”; Overwegende dat in de bestreden beslissing op het eerste gezicht op goede gronden wordt overwogen dat een verwijzing naar een algemene situatie in het land van herkomst niet volstaat om te besluiten tot de individuele onmogelijkheid van terugkeer en dat de verwijzing naar problemen van familieleden van verzoeker evenmin volstaat, nu feitelijk vaststaat dat verzoeker zelf nooit lid was van de P.; dat ieder dossier individueel wordt onderzocht en geëvalueerd, zodat rekening houden met allerlei externe factoren en andere zaken, die geen rechtstreeks oorzakelijk verband vertonen met de voorliggende zaak, een schending zou uitmaken van artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek; dat bijgevolg het tweede middel niet ernstig is; 2.3. Overwegende dat verzoeker een derde middel aanvoert dat als volgt luidt: “(...) geput uit de schending van de artikelen 1 t/m 3 van de uitdrukkelijke Motiveringswet alsook van art. 2. 4/ van de Regularisatiewet. De Regularisatiecommissie vond geen "daadwerkelijk bijzondere duurzame sociale bindingen". De Minister van Binnenlandse Zaken stelde het niet voldaan zijn van art. 9 § 9 van de Regularisatiewet voorop, in subsidiaire orde was niet voldaan aan art. 2, 4/. Zowel tijdens de voorbereidende werken, voorafgaand aan het tot stand komen van de regularisatiewet als in de rechtspraak van de Algemene Vergadering van de Kamers van de Regularisatiecommissie werd stilgestaan bij de vraag hoe een regularisatieaanvraag diende geëvalueerd te worden, indien de wettelijk voorziene termijn niet gehaald werd: S Voorbereidende werken: “Voor de aanvragers die door hun verblijfsduur tussen de eerste en vierde categorie vallen, zal hun situatie met voldoende soepelheid worden beoordeeld om ernstig onrechtvaardige situaties te vermijden.” (Kamer, 2de zitting van de 50ste zittingsperiode, 1999 - 2000, p. 13) S PV Algemene Vergadering van de Kamers der Regularisatiecommissie 18.11.00: “Voor diegenen die de verblijfsperiode van 6 of 5 jaar niet helemaal volmaken en waarop één van de overige twee hypothesen van artikel 9, 9 niet van toepassing is, dient de Commissie zich soepel op te stellen (cf. Parlementaire Werkzaamheden).” Jean - Yves CARLIER omschreef deze afweging als volgt: "En résumé, il semble que le critère général de circonstances humanitaires et d' attache social durable, puisse s' interpréter principalement comme un critère de duréé de présence en Belgique pendant 6 ou 5 ans. Cette durée permettrait de présumer une certaine intégration sociale. A défaut, si le critère de durée est insuffisant, il pourrait être compensé par une preuve d'intégration forte. Une sorte de dialectique s'instaure ici aussi entre les deux facteurs contextuels : plus la durée de présence est longue, moins l'intégration sociale devrait être établie par d'autres éléments; moins longue la durée de présence, plus forte doit être la preuve d'intégration sociale." (J.-Y. CARLIER. Loi relative à la réqularisation des étrangers, J. T. 22.01.00, p. 81) In casu is geen enkele evaluatie gebeurd van het integratieproces, in hoofde van verzoeker. Stellen, zoals de Minister doet, dat moet voldaan zijn aan de voorwaarden "op het ogenblik van de aanvraag" is een te letterlijke interpretatie van de wet die niet strookt met de toepassing ervan, in veel dossiers behandeld voor de kamer van de Regularisatiecommissie. Immers, in heel wat gelijkaardige dossiers werd toch rekening gehouden met sociale bindingen en/of humanitaire redenen die ingetreden zijn nà de regularisatieaanvraag. Zeer concreet: tewerkstelling op basis van de Omzendbrief van 06.04.00.”; XIV-12.791-8/9 Overwegende dat uit de samenlezing van de artikelen 2,4/, en 9,9/, van de Regularisatiewet op het eerste gezicht blijkt dat de verzoeker die “duurzame sociale bindingen” doet gelden voorafgaandelijk het bewijs moet leveren van zijn aanwezigheid in het Rijk overeenkomstig één van de bewijsmogelijkheden bepaald in artikel 9,9/, van de Regularisatiewet; dat de bestreden beslissing op goede gronden overweegt dat niet is voldaan aan het voorschrift van artikel 9,9/, van voornoemde wet, zodat het onderzoek naar de toepasbaarheid van artikel 2,4/ van voornoemde wet niet dient te worden gevoerd; dat bijgevolg het derde middel niet ernstig is, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De kosten worden in beraad gehouden. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier november tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-12.791-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.970 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.