← België

Arrest 136979 - - 05/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.979 Rolnummer: A. 110407/XIV-6621 Zaak: Arrest 136979 - - 05/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-19 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 13:12 Fiche Arrest nr 136.979 van 5 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 136.979 van 5 november 2004 in de zaak A. 110.407/XIV-

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat S. SAROLEA, kantoor houdende te 1400 NIJVEL, Rue Saint-André
  4. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
  5. de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  6. de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Oezbeekse nationaliteit, op 17 september 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 augustus 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 7 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 20 augustus 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 5 oktober 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-6621-1/8 Gelet op de beschikking van 22 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. DE CALUWE, die loco advocaat S. SAROLEA verschijnt voor de verzoekende partijen, van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  7. Overwegende dat de verzoekende partijen België binnenkomen op 20 september 2000 en zich vluchteling verklaren op 21 september 2000; dat op 7 februari 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 20 augustus 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissingen zijn, die als volgt zijn gemotiveerd: - Inzake de eerste verzoekende partij: “U beweert tijdens uw verhoor voor het commissariaat-generaal een Oezbeeks staatsburger van Koreaanse origine te zijn. Uit uw verklaringen blijkt dat u omwille van uw afkomst problemen had in Oezbekistan. In 1998 opende u een zaak in bouwmaterialen. In februari 1999 moest u honderd dollar betalen aan de politie omdat er drugs in uw wagen zouden gevonden zijn. Op 13 maart 2000 werd u gedoopt. Toen u daarna uw auto wilde parkeren werd u door enkele Oezbeken geslagen. Eind mei 2000 eiste Bakhadiz Bakchadir geld van u. Hij zei dat elke Koreaan hem maandelijks tweehonderd dollar moest betalen. Eind juni 2000 kwamen er enkele Oezbeken naar uw zaak, ze waren gestuurd door Bakchadir. Ze eisten opnieuw geld van u. U ging hier echter niet op in en dreigde ermee naar de politie te gaan. Eind juli 2000 werden er twee installaties uit uw zaak gestolen. Waarop u, zonder resultaat klacht neerlegde bij de politie. Eind augustus 2000 werd uw echtgenote aangevallen door twee Oezbeken. Nadien legde u nogmaals klacht neer bij de politie. De politie zei dat ze jullie niet konden helpen omwille van het feit dat jullie tot een minderheid (Koreanen) behoorden. Op 18 september 2000 verliet u, in het gezelschap van uw echtgenote XXX (ov 5.011.767) en uw minderjarige dochter XXX, Oezbekistan. U reisde richting België, waar u op 21 september 2000 de status van vluchteling aanvroeg. U legde tijdens uw asielaanvraag volgende documenten voor: uw huwelijksakte, uw geboorteakte, de geboorteakte van uw echtgenote, de geboorteakte van uw dochter, de doopaktes van uw gezin en uw rijbewijs. Vooreerst verklaarde u dat u in Oezbekistan werd vervolgd omwille van uw Koreaanse afkomst. U stelde verder nog dat alle personen van Koreaanse afkomst in Oezbekistan problemen hebben omwille van hun afkomst (DVZ, vraag 41 en CGVS, p. 2 en p. 6). Deze door uw aangehaalde vervolging door de etnisch-Oezbeekse bevolking stemt niet overeen met de documentatie waarover het commissariaat-generaal beschikt. In deze documentatie (‘Missierapport Oezbekistan van de Immigratieambtenaar Ministerie van Binnenlandse Zaken 25 november - 9 december 2000 en Informatie Oezbekistan Cedoca’) wordt nergens melding XIV-6621-2/8 gemaakt van dergelijke informatie. In geen enkel recent landen- of mensenrechtenrapport wordt melding gemaakt van systematische discriminatie en/of vervolging van de Koreaanse minderheid in Oezbekistan. Ruslan Sharipov (Human Rights Society Uzbekistan) en Tskhay Yuriy (voorzitter van de Association of Koreans in Kazakhstan) ontkennen beide zelfs het bestaan van discriminatie van Koreanen in Centraal-Azië. Daarnaast ondermijnen een aantal tegenstrijdigheden tussen uw verklaringen en deze van uw echtgenoot XXX de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Ten eerste verklaarde u tijdens uw interview voor de dienst Vreemdelingenzaken dat u in maart 1999 door drie Oezbeken werd aangevallen (DVZ, p. 6). Terwijl zowel u, als uw echtgenote, tijdens jullie verhoor in dringend beroep stellen dat u in maart 2000 werd aangevallen door drie Oezbeken (M: CGVS, p. 4-5 en V: p. 3-4). Ten tweede ontkenden zowel u, als uw echtgenote tijdens jullie interview voor de dienst Vreemdelingenzaken dat jullie klacht neerlegden bij de politie nadat uw echtgenote werd geslagen in augustus 2000 (DVZ, M: p. 6 en V: p. 4). Daarentegen beweerden jullie tijdens jullie verhoor in dringend beroep dat jullie wel degelijk klacht neerlegden bij de politie nadat uw echtgenote in augustus 2000 werd geslagen (CGVS, M: p. 4 en V: p. 2). Door al deze bovenstaande elementen is het niet langer mogelijk nog enige geloofswaarde te hechten aan uw asielrelaas. De door u neergelegde documenten zijn niet van die aard dat ze bovenstaande zouden kunnen weerleggen. Bijgevolg kan er in uw hoofde niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vervolging omwille van één van de criteria voorzien in de Vluchtelingenconventie.”; - Inzake de tweede verzoekende partij: “U beweert tijdens uw verhoor voor het commissariaat-generaal een Oezbeeks staatsburger van Koreaanse origine te zijn. U verklaart dat uw echtgenoot bouwmaterialen verkocht. Op 13 maart 2000 werden jullie gedoopt. Nadien werd uw echtgenoot op de parking aangevallen door enkele Oezbeken. Op 25 mei 2000 eiste Bakchadir van uw echtgenoot geld. Uw echtgenoot diende tweehonderd dollar smeergeld te betalen. Eind juni 2000 kwamen enkele personen dit smeergeld ophalen. Uw echtgenoot weigerde te betalen en dreigde ermee om naar de politie te gaan. Op 25 juli 2000 werden er enkele goederen gestolen uit de zaak van uw echtgenoot. Daarop legde uw echtgenoot klacht neer bij de politie. Op 25 augustus 2000 werd u geslagen door enkele Oezbeken. Nog diezelfde dag legden jullie klacht neer bij de politie. De politie lachte jullie uit omwille van jullie afkomst. Op 18 september 2000 verliet u, in het gezelschap van uw echtgenoot XXX (ov 5.011.767) en uw minderjarige dochter XXX, Oezbekistan. U reisde richting België, waar u op 21 september 2000 de status van vluchteling aanvroeg. U legde tijdens uw asielaanvraag volgende documenten voor: uw huwelijksakte, uw geboorteakte, de geboorteakte van uw dochter, de geboorteakte van uw echtgenoot en het rijbewijs van uw echtgenoot. Uit uw relaas blijkt dat u zich baseert op dezelfde feiten als die aangehaald door uw echtgenoot in diens asielaanvraag. Uit een vergelijking van de diverse verklaringen (dienst Vreemdelingenzaken, commissariaat-generaal) van u en uw echtgenoot XXX blijkt dat door een aantal tegenstrijdigheden de geloofwaardigheid van uw asielrelaas danig in het gedrang komt. Deze tegenstrijdigheden en de andere opmerkingen werden uitgebreid en gedetailleerd opgesomd in de beslissing van uw echtgenoot. Vermits ten aanzien van de asielaanvraag van uw echtgenoot een negatieve beslissing werd genomen op grond van bedrieglijke verklaringen kan ten aanzien van uw asielaanvraag onmogelijk een positief antwoord worden weerhouden. De door u neergelegde documenten zijn niet van die aard dat ze bovenstaande zouden kunnen weerleggen. Bijgevolg kan er in uw hoofde niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging omwille van één van de criteria voorzien in de Vluchtelingenconventie.”; 2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partijen een enig middel aanvoeren dat luidt als volgt: “Eerste en enige middel: Manifest gebrek aan motivering wat een schending uitmaakt van de artikelen 48 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen en het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli
  9. Overwegende dat de bestreden beslissingen aan eisers een paar contradicties verwijten tussen elkaars verklaringen voor de dienst Vreemdelingenzaken en voor de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en staatlozen en daarnaast wordt er beweerd dat de stelling van XIV-6621-3/8 de eisers dat alle Koreanen in Oezbekistan problemen zouden hebben, niet zou berusten op waarheid. Dat gelet op de motivering het aangehaalde middel kan onderverdeeld worden in twee onderdelen, het één betreffende de vervolging van de Koreaanse minderheid in Oezbekistan en het andere betreffende de beweerde contradicties.
  10. Eerste onderdeel: Betreffende de documentatie waarover het commissariaat-generaal beschikt betreffende de vervolging van de Koreaanse minderheid in Oezbekistan. Overwegende dat de bestreden beslissingen stellen dat zij over informatie beschikken waaruit kan afgeleid worden dat er in het geheel geen sprake is van systematische vervolging van de Koreaanse minderheid in Oezbekistan. Dat er eerst en vooral moet opgemerkt worden dat, zelfs indien het zo zou zijn dat er geen sprake is van systematische vervolging van de Koreaanse minderheid in Oezbekistan, quod non, dan nog is dit geen geldig motief om de asielaanvragen van de eisers af te wijzen, nu het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève niet vereist van de kandidaat-vluchteling dat er moet aangetoond worden dat men op systematische wijze wordt vervolgd, maar enkel dat men op persoonlijke en daadwerkelijke wijze wordt vervolgd. Dat de bestreden beslissingen daarom op impliciete wijze een voorwaarde bij creëren en die aan de eisers opleggen, terwijl dit manifest onwettig is, nu er een voorwaarde wordt toegevoegd aan de wettelijke voorwaarden om te voldoen aan de wettelijke definitie van vluchtelingen. Dat het dus alleszins geen vereiste is dat de Koreaanse minderheid op systematische wijze wordt vervolgd opdat de eisers zouden kunnen aannemelijk maken dat zij, als individuen, omwille van hun Koreaanse origine werden vervolgd. Dat de bestreden beslissingen aldus een manifeste appreciatiefout begaan en een manifest verkeerde toepassing hanteren van het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen. Dat elke asielaanvraag aan een individueel onderzoek moet onderworpen worden en dus overwegingen van dergelijke algemene aard, als zou de Koreaanse bevolkingsgroep in Oezbekistan niet op systematische wijze worden vervolgd, geen enkele indicatie geeft die de conclusie rechtvaardigt dat de eisers in geen enkel geval vervolgingen hebben kunnen ondergaan. Dat de bestreden beslissingen informatie aanhalen waaruit men meent te kunnen afleiden dat de Koreaanse bevolkingsgroep niet op systematische wijze worden vervolgd. Dat de informatie aangehaald door de bestreden beslissingen helemaal niet met zekerheid toelaten tot deze conclusie te komen, nu er slechts twee personen worden aangehaald in het document die zich wagen aan uitspraken hierover die telkens zeer genuanceerd zijn en die niet toelaten te stellen dat er absoluut geen sprake zou zijn van vervolgingen ten aanzien van Koreanen in Oezbekistan. Dat de aangehaalde informatie door de bestreden beslissingen dus totaal niet dienstig kan zijn om deze laatsten te motiveren. Dat eerst en vooral Meneer Tskhay Yuriy wordt aangehaald, die in Kazachstan de situatie kan evalueren, omdat hijzelf in Kazachstan woont, maar hij stelt zelf dat hij niet direct een oordeel zou willen vellen over de toestand van de Koreanen in Oezbekistan en Tadzjikistan (natuurlijk omdat hij er nooit heeft gewoond en er nooit is geweest), maar dat voor zover hij weet de Koreanen en Oezbekistan zich niet slecht voelen en niet onder discriminatie te lijden hebben. Dat deze stelling van de aangehaalde, zogenaamde ‘expert’ aangeeft dat hij zich helemaal niet als een expert beschouwt wat betreft de toestand van de Koreanen in Oezbekistan en dat de bestreden beslissingen dus bezwaarlijk de stellingname van deze persoon, die gebaseerd is op een algemene indruk, kan verheffen tot bewijs dat de Koreaanse minderheid geen problemen hebben en niet zouden worden vervolgd in Oezbekistan. Dat men zich trouwens vragen kan stellen bij wat deze persoon verstaat onder ‘vervolgingen’, nu hij verder gaat door te stellen ‘om eerlijk te zijn, moet ik toch bekend maken dat in die streek, net als in mijn land, mensen van één nationaliteit misbruik maken van mensen van een andere nationaliteit omwille van dingen zoals oogkleur of hun behoren tot een andere godsdienst. Dergelijk conflicten, daar ben ik zeker van, kunnen in elk multinationaal land voorkomen. Daarom is dit geen discriminatie. Discriminatie is een afwezigheid van gelijke rechten’ (Cedoca informatie p. 25). Dat de aangehaalde persoon, waarop de bestreden beslissingen hun conclusie steunen dat de Koreanen niet worden vervolgd, er dan toch wel een rare definitie van discriminatie op nahoudt, nu hij stelt dat misbruik die wordt gemaakt door mensen van één nationaliteit van mensen met een andere nationaliteit omwille van hun andere oogkleur of godsdienst, geen discriminatie zou zijn. Dat Mijnheer Tskhay Yuriy dus uitdrukkelijk bevestigt dat er discriminatie en vervolgingen bestaan van etnische minderheden, ook al houdt hij er een andere definiëring op na dan de westerse, wat het onbegrijpelijk maakt dat de bestreden beslissingen de stellingen van deze persoon gebruikt om te beweren dat deze bevestigen dat de Koreanen geen enkele vervolging te vrezen hebben. XIV-6621-4/8 Dat de bestreden beslissingen aldus een manifest verkeerde interpretatie geven aan de aangehaalde documentatie door enerzijds, de stellingen van iemand die totaal geen expert is wat betreft de toestand van de Koreanen in Oezbekistan te gebruiken als referentie en anderzijds, omdat deze persoon, ondanks zijn ondeskundigheid en de reserves die hijzelf uitdrukt over de betrouwbaarheid van zijn kennis, zelf bevestigt dat leden van een bepaalde minderheid, zowel in Kazachstan als in Oezbekistan misbruikt worden omwille van uiterlijke kenmerken (kleur van de ogen) of omwille van hun andere godsdienst. Dat de motivering van de bestreden beslissingen aldus is gebaseerd op informatie die niet relevant en betrouwbaar genoeg is en die anderzijds en stelling van de bestreden beslissingen tegenspreekt, nu er wel wordt gesproken van misbruik van mensen omwille van het feit dat ze behoren tot een andere ‘nationaliteit’ of omdat ze een andere godsdienst hebben. Dat daarnaast de bestreden beslissing eveneens Meneer Ruslan SHARIPOV aanhaalt die zich eveneens zeer genuanceerd opstelt over de toestand van de Koreanen in Oezbekistan. Dat Meneer SHARIPOV individuele gevallen van vervolging niet uitsluit en zich telkens in de voorwaardelijke wijze uitdrukt, door zijn stellingname steeds te beginnen met ‘ik denk dat’, ‘ik geloof dat’, zonder ooit te zeggen ‘ik ben er absoluut zeker van dat’ of ‘het lijdt geen twijfel dat’. Dat Meneer SHARIPOV zo stelt dat hij ‘denkt’ dat de Koreanen niet worden gediscrimineerd worden in Oezbekistan en dat indien er gevallen zijn, dit er maar een paar zullen zijn (Cedoca, informatie laatste p.). Dat ook deze persoon waarvan de stellingname uitdrukkelijk wordt aangehaald door de bestreden beslissing niet met zekerheid kan bevestigen dat er geen sprake is van vervolgingen van Koreaanse mensen in Oezbekistan en dat hij zelfs de mogelijkheid acht dat er individuele gevallen zijn. Dat de bestreden beslissing dus evenmin deze stellingname van Meneer SHARIPOV kan gebruiken om eruit af te leiden dat er op zeker wijze kan worden gesteld dat er geen sprake is van vervolging van Koreanen in Oezbekistan en dat er dus een manifeste appreciatiefout is begaan van de informatie waarover de commissaris-generaal beschikt. Dat in het geval dat er geen informatie kan gevonden worden die het type van vervolgingen aangehaald door de eisers, uitsluit, er het voordeel van de twijfel moet worden toegekend, want dergelijke algemene informatie moet heel omzichtig worden gebruikt om te kunnen oordelen dat de aangehaalde vluchtmotieven van kandidaat-vluchtelingen manifest ongegrond en ongeloofwaardig zijn. Dat de commissaris-generaal er niets is in geslaagd om aan te tonen door betrouwbare en ondubbelzinnige informatie aan te halen, dat er in het geheel geen sprake kan zijn van vervolgingen van leden van de Koreaanse bevolkingsgroep in Oezbekistan, want enkel in het geval men erin slaagt om die mogelijkheid van vervolging helemaal uit te sluiten, kan men dergelijke algemene informatie gebruiken om een individuele asielaanvraag af te wijzen als ongeloofwaardig en manifest ongegrond. Dat in onderhavig geval de algemene informatie die wordt aangehaald door de bestreden beslissingen zelfs suggereert dat er inderdaad individuele gevallen bestaan van vervolging omwille van het behoren tot een minderheidsgroep of omwille van de geloofsovertuiging en dat daarom de bestreden beslissingen er niet de conclusie kunnen uit afleiden dat de Koreaanse bevolkingsgroep niet zou worden gediscrimineerd zonder een manifeste appreciatiefout te begaan. Dat het feit dat er in geen enkel recent landenrapport wordt melding gemaakt van systematische vervolgingen van Koreanen in Oezbekistan geen reden is om de asielaanvragen van de eisers af te doen als manifest ongegrond, nu hen het voordeel van de twijfel moet worden toegekend in die hypothese. Dat het zeker niet in elk geval van een ontvankelijke asielaanvraag ze os dat er sporen kunnen gevonden worden van het bestaan van gelijkaardige vervolgingen in landenrapporten. Dat om die redenen de bestreden beslissingen een manifeste appreciatiefout begaan en dus een manifest gebrek aan motivering vertonen, in strijd met de artikelen 48 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen, evenals als van het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli
  11. Tweede onderdeel: Wat betreft de contradicties die aan de eisers worden verweten. Overwegende dat de bestreden beslissingen aan de eisers twee contradicties verwijten tussen hun verklaringen door de dienst Vreemdelingenzaken en voor de commissaris-generaal. Dat eerst en vooral de eisers voor de dienst Vreemdelingenzaken hebben gesteld dat XXX in maart 1999 werd aangevallen door drie Oezbeken en dat ze voor de commissaris-generaal stelden dat dit in maart 2000 gebeurde. Dat het duidelijk is dat de eisers zich voor de dienst Vreemdelingenzaken hebben vergist in het jaartal, nu de eiser stelde dat zijn duim was gebroken bij deze aanval en dat hij constant pijn had, maar dat pas in België wist dat zijn duim effectief was gebroken omdat de dokters in Oezbekistan zeiden dat er niets aan de hand was. Dat de eiser op die manier ongeveer een half jaar met pijn heeft rondgelopen omdat de aanval in maart 2000 gebeurde en ze in september 2000 in België aankwamen, terwijl het XIV-6621-5/8 natuurlijk niet logisch is dat hij anderhalf jaar zou rondlopen met die pijn in zijn duim zonder vroeger tot de conclusie te komen dat er wel degelijk meer aan de hand was met zijn duim dan de Oezbeekse dokters lieten vermoeden. Dat deze contradictie alleszins niet van die aard is om op fundamentele wijze de geloofwaardigheid van het relaas van de eisers aan te tasten. Dat het trouwens niet klopt dat de eisers beide hebben verklaard voor de dienst Vreemdelingenzaken dat XXX in maart 1999 werd aangevallen, nu het enkel XXX deze vergissing heeft begaan die niet de geloofwaardigheid van hun relaas in het gedrang brengt. Dat XXX heeft verklaard voor de dienst Vreemdelingenzaken dat haar man in de lente van 2000 werd aangevallen door drie Oezbeken (zie verhoorverslag DVZ, vraag 42). Dat de bestreden beslissingen dus een manifeste appreciatiefout begaan door te stellen en te insinueren dat de eisers beide een bedrieglijk asielrelaas zouden hebben aangepast in dezelfde zin voor de commissaris-generaal. Dat het een kleine vergissing is geweest van XXX voor de dienst Vreemdelingenzaken die niet van die aard is om de bedrieglijkheid aan te tonen, nu XXX steeds dezelfde verklaringen heeft gehandhaafd op dit punt en dat het duidelijk moet zijn voor ieder objectief persoon dat het een simpele vergissing was, namelijk een vergissing in het jaartal. Dat de geloofwaardigheid van de eisers nog wordt benadrukt door het feit dat ze beiden verklaarden dat het na hun doopsel in maart 2000 was dat XXX werd aangevallen. Dat deze vergissing van XXX niet van die aard is om totaal de geloofwaardigheid van hun relaas in het gedrang te brengen, zodat de bestreden beslissingen een manifeste appreciatiefout begaan. Dat de bestreden beslissingen tenslotte aan de eisers verwijten dat ze beiden hebben verklaard voor de dienst Vreemdelingenzaken dat ze geen klacht hebben neergelegd nadat XXX werd aangevallen in augustus 2000, terwijl ze voor de commissaris-generaal verklaarden dat ze dit wel deden. Dat de eisers verkeer zijn begrepen op de dienst Vreemdelingenzaken, nu ze hebben verklaard dat ze geen klacht hebben neergelegd bij de politie, maar dat ze er wel zijn geweest om hun probleem uit te leggen. Dat ze echter niet de kans kregen om een klacht neer te leggen omdat de politie hen duidelijk maakte dat ze hen niet konden helpen. Dat de eisers dit zeer duidelijk hebben uitgelegd op het commissariaat-generaal en dat deze uitleg op verkeerde wijze is genoteerd op de dienst Vreemdelingenzaken. Dat dit element alleszins niet van die aard is om aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de eisers te twijfelen, gelet op de gegronde middelen die zijn aangehaald tegen het overige van de motivering van de bestreden beslissingen, zodat één enkele contradictie niet voldoende is om een asielaanvraag als onontvankelijk te bestempelen. Dat om die redenen de bestreden beslissingen een manifeste appreciatiefout begaan, in strijd met de artikelen 48 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals van het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen.”; 2.
  12. Overwegende dat artikel 48 van de Vreemdelingenwet zich beperkt tot het poneren van een algemeen recht om als vluchteling te worden erkend indien men voldoet aan de voorwaarden; dat de ontvankelijkheid van een asielaanvraag beoordeeld wordt aan de hand van de criteria vernoemd in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partijen artikel 48 van de Vreemdelingenwet niet op dienstige wijze kunnen inroepen; dat het middel in die mate onontvankelijk is; Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet betrekking heeft op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissingen kennen doch betwisten dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij met andere woorden de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren; dat het onderdeel van het middel enkel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad XIV-6621-6/8 van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat blijkens het administratief dossier de commissaris- generaal beschikt over een Missierapport opgesteld door de Immigratieambtenaar van het ministerie van Binnenlandse Zaken, aangevuld met informatie uit CEDOCA waarbij op concrete vragen van de ambtenaar van het commissariaat-generaal de antwoorden werden opgezocht; dat die informatie een verzameling is van gesprekken met autoriteiten in Oezbekistan, rapporten van NGO’s en mensenrechtenorganisaties, en artikels; dat de commissaris-generaal daaruit redelijkerwijze kon afleiden dat er geen systematische discriminatie en/of vervolging is van de Koreaanse minderheidsbevolking in Oezbekistan; dat de verzoekende partijen slechts twee bronnen aanhalen in de informatiebundel waardoorde inhoud van het geheel van die informatie niet wordt aangetast; dat daarenboven de kritiek van de verzoekende partijen niet wordt geconcretiseerd door een verwijzing naar andere objectieve en relevante informatiebronnen; Overwegende, wat de aan de verzoekende partijen verweten tegenstrijdigheden betreft, dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat er tegenstrijdigheden zouden zijn vastgesteld in de opeenvolgende verklaringen van de tweede verzoekende partij over het jaartal waarin de aanval plaatsvond; dat bijgevolg de kritiek op de zogenaamde “insinuaties” in de bestreden beslissing feitelijke grondslag mist; dat de eerste verzoekende partij daarentegen de vastgestelde tegenstrijdigheid in haar opeenvolgende verklaringen niet ontkent doch deze tracht te minimaliseren of post factum en zonder aannemelijke staving te verklaren; dat voorts uit de verhoorverslagen van de dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de eerste verzoekende partij verklaarde: “Ik ging opnieuw niet naar de politie omdat dit niets opleverde”, en dat de tweede verzoekende partij het volgende verklaarde: “We zijn niet naar de politie gegaan”; dat uit de verhoorverslagen van het commissariaat-generaal blijkt dat de verzoekende partijen uitdrukkelijk verklaarden naar de politie te zijn gegaan (admin. dossier, stuk 9, p.4, en stuk 10, p.2); dat bijgevolg de commissaris-generaal terecht een tegenstrijdigheid heeft vastgesteld over het al dan niet indienen van een klacht bij de politie; Overwegende dat de verzoekende partijen aldus niet aannemelijk maken dat de commissaris-generaal de bestreden beslissingen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het middel in die mate ongegrond is; XIV-6621-7/8
  13. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  14. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf november tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-6621-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.136.979 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.