← België

Arrest 137034 - - 05/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.034 Rolnummer: A. 88191/X-9270 Zaak: Arrest 137034 - - 05/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-15 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 13:24 Fiche Arrest nr 137.034 van 5 november 2004 - Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 137.034 van 5 november 2004 in de zaak A. 88.191/X-

  1. In zake :
  2. Raymond VANDECASTEELE (overleden), rechtsgeding hervat door Philippe VANDECASTEELE, wonende te 2900 SCHOTEN, Klamperdreef 7,
  3. Philippe VANDECASTEELE, wonende te 2900 SCHOTEN, Klamperdreef 7 tegen :
  4. de gemeente SCHOTEN, die woonplaats kiest bij Advocaat M. BALLON, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Britselei 39,
  5. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
  6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Raymond VANDECASTEELE en Philippe VANDECASTEELE op 26 januari 2000 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 17 november 1999 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten houdende verlening aan Ricardo HEERE van de vergunning voor het bouwen van een woning met bijgebouw op een perceel gelegen te Schoten, Klamperdreef 9, kadastraal bekend Sectie A, nr. 111d4; Gelet op het arrest nr. 84.032 van 10 december 1999 waarbij het verzoek tot tussenkomst van Ricardo HEERE in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd, de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen, de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ten laste van de X-9270-1/4 verzoekende partijen worden gelegd en de kosten van de tussenkomst ten laste van de tussenkomende partij worden gelegd; Gelet op het arrest nr. 88.191 van 22 juni 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen en de uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld; Gelet op het arrest nr. 106.635 van 17 mei 2002 waarbij de debatten worden heropend en aan het Arbitragehof de volgende prejudiciële vraag wordt gesteld : "Schendt het art. 17, § 4ter, van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State niet de art. 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk beschouwd en in samenhang beschouwd met de art. 23 en 160 van de Grondwet inzoverre het vermoeden van afstand van geding ook geldt ondanks het indienen van een aanvraag voor de voortzetting van de procedure voor de 15de dag van het nieuw gerechtelijk jaar en binnen de 45 dagen volgend op de betekening, wanneer deze termijn voor de aanvraag tot voortzetting van de procedure aanvangt in de gerechtelijke vakantie en ook verstrijkt binnen de gerechtelijke vakantie, terwijl deze regel voorgeschreven is door de art. 2 en 50, al.2 van het Gerechtelijk Wetboek -, in acht genomen dat verzoekende partijen woonstkeuze hebben gedaan bij een advocaat en in acht genomen dat de uitspraak van het arrest tot verwerping van de schorsingsaanvraag gewezen is na de termijn, voorzien bij het art. 17, § 4, van de Gec. W.R.v.St. en dat verzoekende partijen evenmin de datum van betekening van het arrest op voorhand kunnen bepalen ?"; Gelet op het arrest nr. 143/2002 van 9 oktober 2002 van het Arbitragehof; Gelet op de beschikking van 24 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 oktober 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. VANDENBULCKE, die verschijnt voor verzoekers, van Advocaat E. VAN DEN MUSSELE die, loco Advocaat M. BALLON verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat I. BOCKSTAELE die, loco Advocaat J. CLAES verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; X-9270-2/4 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het bericht van ontvangst van de ter post aangetekende zending waarbij het arrest nr. 88.191 van 22 juni 2000 aan verzoekers werd betekend, is gehandtekend (onleesbaar) en gedagtekend "20/7"; dat verzoekende partijen niet betwisten dat deze betekening werd gedaan aan het adres van hun raadslieden, alwaar zij keuze van woonplaats hadden gedaan; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoekers aanvoeren, noch het feit dat het vakje "afgeleverd" niet werd aangekruisd, noch het feit dat de handtekening niet deze zou zijn van één van de twee raadslieden, de geldigheid van deze betekening aantasten; dat dient te worden aangenomen dat de persoon die de aangetekende zending op het adres van de gekozen woonplaats heeft afgetekend, handelde met mandaat, minstens in opdracht van verzoekers' raadslieden; dat verzoekers' argument dat de in de brief waarbij voormeld arrest werd betekend vermelde bijlagen niet werden bijgevoegd een loutere bewering is die niet geloofwaardig is alleen reeds vermits verzoekers tegelijk beweren deze betekening nooit te hebben ontvangen; Overwegende het arrest 143/2002 van 9 oktober 2002 van het Arbitragehof zegt voor recht dat artikel 17, § 4ter, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 160, van de Grondwet niet schendt door het feit dat, wanneer de in die bepaling voorgeschreven termijn van dertig dagen om een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging in te dienen aanvangt en verstrijkt tijdens de gerechtelijke vakantie, hij niet wordt verlengd tot de vijftiende dag van het nieuwe gerechtelijke jaar, overeenkomstig artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek; Overwegende dat vastgesteld dient te worden dat verzoekende partijen geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging hebben ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; dat krachtens voornoemd artikel 17, § 4ter, te hunnen aanzien een vermoeden van afstand van het geding geldt, X-9270-3/4 BESLUIT: Artikel
  7. De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
  8. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, voor de helft ten laste van de nalatenschap van de eerste verzoekende partij en voor de andere helft ten laste van de tweede verzoekende partij. Het door de verzoekende partijen op het verzoekschrift tot voortzetting gekweten recht, ten belope van 347,06 euro, dient te worden terugbetaald, voor de helft aan de nalatenschap van de eerste verzoekende partij en voor de andere helft aan de tweede verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf november 2004, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-9270-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.034 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.84.032 ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.88.191 ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.106.635 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.