id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.038 Rolnummer: A. 129908/XIV-12792 Zaak: Arrest 137038 - - 05/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-24 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 13:25 Fiche Arrest nr 137.038 van 5 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.038 van 5 november 2004 in de zaak A. 129.908/XIV-12.
(2000)aankwam en waar u dezelfde dag nog asiel aanvroeg. U bent niet in het bezit van enige documenten die uw identiteit kunnen staven. Opgemerkt dient te worden dat u hoedanook niet aannemelijk heeft gemaakt daadwerkelijk afkomstig te zijn uit Kosovo. Zo kon u zelf (noch op de Dienst Vreemdelingenzaken, noch ten overstaan van het Commissariaat-generaal) geen enkel dorp of geen enkele stad noemen, liggende in de omgeving van Prishtinë (gehoorverslag CGVS p. 4). U kende evenmin de naam van enige andere wijk, liggende om en rond uw beweerde wijk Lagjja e Spitalit (gehoorverslag CGVS p. 6). U herkende noch de naam van de President van de Federale Republiek Joegoslavië (gehoorverslag CGVS p. 5), noch de naam van de hoofdstad van Joegoslavië (gehoorverslag CGVS p. 5), wanneer deze werden genoemd. U beweerde verder de (dat) Prishtina de hoofdstad van Joegoslavië is (gehoorverslag CGVS p. 5), terwijl dit in werkelijkheid Belgrado is. U verklaarde dat de Joegoslavische vlag uit rood en zwart bestaat en u kon niet specifiëren of er enig symbool op staat (gehoorverslag CGVS p. 5). In werkelijkheid bestaat de Joegoslavische vlag uit horizontale banden van respectievelijk blauwe, witte en rode kleur. U herkende de acroniemen KFOR en UNMIK niet (gehoorverslag CGVS p. 5), nochtans respectievelijk het acroniem van de algemeen gekende internationale troepenmacht en van de internationale administratieve missie in Kosovo. U kende noch herkende het acroniem voor het etnisch Albanese "Kosovaars Bevrijdingsleger" (UÇK) (gehoorverslag CGVS p. 6), dat gewapende strijd voerde tegen het Servische leger en bij beëindiging van het gewapend conflict verantwoordelijk was voor de verdrijving van de Rom-zigeuners uit Kosovo. Daarenboven beweerde u het Servisch geheel onmachtig te zijn, zelfs eenvoudige Servische woorden als bakker of straat, kende u niet (gehoorverslag CGVS p. 8). U herkende de officiële en courant gebruikte Servische termen voor identiteitskaart, geboorteakte en politiekantoor niet wanneer deze werden genoemd (gehoorverslag CGVS p. 5). Gelet op hetgeen voorafgaat, kan aldus niet het minste geloof gehecht worden aan uw beweerde afkomst uit Kosovo noch aan de door u ingeroepen asielmotieven. (...).”.
- Overwegende dat verzoekster een enig middel afleidt uit de schending van de motiveringsplicht zoals bepaald in de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat zij tevens aanvoert dat het verhoorverslag van het interview op het Commissariaat-generaal niet mocht worden gebruikt bij het nemen van de bestreden beslissing; Overwegende dat, wat de ingeroepen motiveringsplicht betreft, verzoekster niet aantoont dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen werden geschonden, temeer daar uit haar middel blijkt dat zij de motieven van de bestreden beslissing kent; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op grond van zijn in artikel 52 van de Vreemdelingenwet vervatte appreciatiebe- voegdheid tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten omdat “niet het minste geloof (kan worden) gehecht (...) aan (...) haar beweerde afkomst uit Kosovo noch aan de door (...) haar ingeroepen asielmotieven.”; dat hij tot dit besluit komt omdat verzoekster het (correcte) antwoord schuldig bleef op vragen omtrent haar streek en haar (beweerde) land van afkomst, en omdat zij beweerde het Servisch geheel onmachtig te zijn; dat deze vaststellingen integraal worden weergegeven in de bestreden beslissing onder punt 1.
- van huidig arrest; XIV-12.792-3/6 Overwegende dat verzoekster aanvoert dat zij wel degelijk uit Kosovo afkomstig is, dat zij diep geschokt is door wat zij daar heeft meegemaakt en nog steeds een grote vrees heeft om terug te keren naar haar beweerde land van herkomst; dat zij evenwel enkel de conclusie van de Commissaris-generaal ontkent maar geen van de motieven van de bestreden beslissing in concreto weerlegt; dat dergelijke uiteenzetting niet van aard is om het besluit van de Commissaris-generaal namelijk dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt daadwerkelijk uit Kosovo afkomstig te zijn, te ontkrachten; Overwegende dat verzoekster verder aanvoert dat de tolk op het Commissariaat-generaal (die van Albanese origine was) haar vijandig bejegende; dat zij in wezen aanvoert dat het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal haar niet tegenstel- baar is omdat het haar niet werd voorgelezen en zij het niet heeft ondertekend; dat zij het de Commissaris-generaal ten grieve duidt dat zij de juistheid van deze notities en van het vertaalwerk niet heeft kunnen verifiëren, zodat dit verhoorverslag niet mocht worden gebruikt bij het nemen van de bestreden beslissing; dat de Commissaris-generaal evenwel niet verplicht is om het verhoorverslag voor te leggen aan de kandidaat-vluchteling; dat enkel is vereist dat de kandidaat-vluchteling in het kader van de asielprocedure nuttig voor zijn belangen kan opkomen; dat het “gehoorverslag” bestaat uit gedetailleerde notities die worden gebruikt om de bestreden beslissing uit te werken en te onderbouwen; dat evenwel enkel deze laatste het voorwerp uitmaakt van huidige procedures en niet de notities; dat bovendien uit het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal niet blijkt dat er zich problemen hebben voorgedaan met de tolk; dat verzoekster nochtans de mogelijkheid heeft gekregen eventuele problemen te melden; dat de rol van de tolk, Advocaat en haar zelf en het verder verloop van het gehoor haar immers werden uitgelegd; dat bovendien aan verzoekster werd gevraagd of zij de tolk begreep en dat haar werd gezegd eventuele problemen te melden (verhoorverslag CGVS, p. 1); dat verzoekster bevestigde dat zij de tolk en de vragen heeft verstaan (verhoorverslag CGVS, p. 10); dat zij overigens nalaat uiteen te zetten waaruit de vijandige houding van de Albanese tolk zou blijken en welke van haar verklaringen foutief werden vertaald; dat met betrekking tot het argument van verzoekster dat de notities van het interview op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen haar niet tegenstelbaar zijn, vermits zij de tekst ervan nooit heeft goedgekeurd, het vermoeden geldt, tot bewijs van het tegendeel, dat in het verslag van de jurist van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wordt opgenomen wat de asielzoekster heeft verklaard, aangezien de jurist die het interview afneemt in zijn hoedanigheid van afgevaardigde en vertegenwoordiger van de Commissaris-generaal optreedt als een beëdigd ambtenaar die er alle belang bij heeft, gelet op zijn statuut, om de verklaringen van de asielzoekster zo precies en volledig mogelijk te noteren; dat het bewijs van het tegendeel door verzoekster niet wordt geleverd; dat bovendien de jurist die optreedt in voornoemde hoedanigheid er geen belang bij heeft dat de verklaringen van de kandidaat-vluchteling onjuist zouden worden weergegeven; dat tenslotte uit het administratief dossier blijkt dat het interview afgenomen op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen XIV-12.792-4/6 ernstig en grondig is gebeurd en één uur en dertig minuten heeft geduurd; dat dit blijkt uit de inhoud van het interview; dat verzoeksters grieven derhalve geen steun vinden in de gegevens van het administratief dossier; dat zij niet aantoont dat de Commissaris-generaal zich niet mocht steunen op het verhoorverslag bij het nemen van zijn beslissing; Overwegende dat verzoekster de door de Commissaris-generaal weerhouden motieven niet weerlegt; dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat de Commissaris-generaal derhalve kon vaststellen dat de asielaanvraag van verzoekster bedrieglijk is; dat het enig middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-12.792-5/6 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf november tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-12.792-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.038 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div