← België

Arrest 137039 - - 05/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.039 Rolnummer: A. 107125/XIV-5385 Zaak: Arrest 137039 - - 05/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-24 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-04 13:25 Fiche Arrest nr 137.039 van 5 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.039 van 5 november 2004 in de zaak A. 107.125/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat D. MONFILS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Eedgenotenstraat 51 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 6 november 1952 en van Armeense nationaliteit, op 6 juli 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 juni 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gelet op de beschikking van 27 augustus 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-5385-1/4 Gelet op de beschikking van 8 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 8 september 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. HAEGEMANS, die loco Advocaat D. MONFILS verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  5. De verzoekende partij komt België binnen op 21 november 2000 en verklaart zich vluchteling op 23 november
  6. 1.
  7. Op 12 februari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 12 juni 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) “Aan betrokkene werd op 17 april 2001 op zijn gekozen woonplaats een oproeping aangetekend verstuurd om de motieven voor zijn asielaanvraag te komen toelichten of deze schriftelijk over te maken aan het Commissariaat-generaal. Aangezien betrokkene zonder geldige reden binnen de maand na de verzending ervan geen gevolg heeft gegeven aan deze oproeping noch aan de vraag om inlichtingen, bevestigt de Commissaris-generaal overeenkomstig artikel 52, par. 2, al. 4, van de Vreemdelingenwet, de weigering van verblijf besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken op 12 februari
  9. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.” (...)”. XIV-5385-2/4
  10. Over de gegrondheid van de zaak. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert “van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen” (Vreemdelingenwet); dat hij in se aanvoert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn bevoegdheid heeft overschreden doordat hij de bestreden beslissing nam met toepassing van artikel 52, § 2, 4/, van de Vreemdelingenwet, terwijl dit artikel enkel kan worden toegepast door de Minister van Binnenlandse Zaken of diens aangestelde; Overwegende dat artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt hetzij de (weigerings)beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde te bevestigen hetzij de asielaanvraag ontvankelijk te verklaren; dat hoewel de Vreemdelingenwet geen uitdrukkelijke wetsartikelen bevat die bepalen welke criteria de Commissaris-generaal hierbij dient te hanteren, hij evenwel zijn beslissing neemt in het kader van een dringend beroep dat gericht is tegen de weigeringsbeslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde; dat bijgevolg de Commissaris-generaal dezelfde criteria hanteert als de Minister van Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde bij het nemen van zijn beslissing; dat deze criteria worden omschreven in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat artikel 52, § 2, 4/ van voornoemde wet bepaalt dat een asielaanvraag onontvankelijk kan worden verklaard wanneer de vreemdeling binnen een maand na de verzending geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan opgeven; dat de Commissaris-generaal op grond van deze bepaling zijn bevestigende beslissing kon nemen; dat hij immers oordeelt in beroep en door de devolutieve werking van het beroep kennis neemt van het geheel van de zaak, zoals de asielinstantie in eerste aanleg; dat hij precies daarom voornoemde criteria mag, kan en moet hanteren; dat verzoeker noch in zijn inleidend verzoekschrift, noch in zijn memorie van wederantwoord elementen aanbrengt die afbreuk doen aan de beslissing van de Commissaris-generaal; dat Commissaris-generaal zijn bevoegdheid niet heeft overschreden; dat de bestreden beslissing in rechte en in feite afdoende werd gemotiveerd, dat de motiveringsplicht niet werd geschonden; dat het enig middel ongegrond is, XIV-5385-3/4 BESLUIT: Artikel
  11. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf november tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-5385-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.039 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.