← België

Arrest 137041 - - 05/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.041 Rolnummer: A. 143231/XIV-17295 Zaak: Arrest 137041 - - 05/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-24 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-04 13:26 Fiche Arrest nr 137.041 van 5 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.041 van 5 november 2004 in de zaak A. 143.231/XIV-17.

  1. In zake : XXX, wonende te A., L.straat 95 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 15 juli 1975, van (beweerde) XXX nationaliteit en van T. origine, op 28 oktober 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 september 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 september 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 30 september 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 6 november 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdeling- en; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 8 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 8 september 2004 om 10.00 uur; XIV-17.295-1/8 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. CLOOSEN, die loco Advocaat M. VERCAMMEN verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 25 juli 2003 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
  4. Op 2 september 2003 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 29 september 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) A. Vluchtrelaas U verklaarde de XXX nationaliteit te bezitten, van T. origine te zijn en afkomstig te zijn uit T. (XXX benaming voor het T. 'T.' of 'K.' district). U zou leven van het nomadenbestaan. Op 3 maart 2003 zou u met uw oom naar T. in T. gegaan zijn. U zou er verblijven op de school "T.", waar deze laatste als leerkracht werkzaam zou zijn. T. zou een vijftiental pamfletten hebben geschreven met de opschriften "T. behoort toe aan de T.!", "XXX moeten T. verlaten!", "Lang leve de D.!" en "Lang leve de P.!". U en uw oom zouden deze in de nacht van 10 maart 2003 in T. stad verspreid hebben. Toen u enkele pamfletten aankleefde op de muren van het plaatselijke hospitaal, zou u betrapt zijn door de politie. Die zou u per bromfiets hebben weggevoerd naar de gevangenis van T. De derde dag na uw aanhouding zou u zijn ondervraagd. Daarbij zou u zijn mishandeld. In de nacht van 10 april 2003 zou u door toedoen van T. ontsnapt zijn uit de gevangenis. T. zou via een kennis de bewakers hebben dronken gevoerd en toegang hebben verkregen tot de gevangenis. Uw oom zou u hebben opgewacht aan de gevangenis. Per bus zou u via R. naar K. gereden zijn, waar u op 12 april 2003 zou gearriveerd zijn. Dan zou u opnieuw per wagen via Y. naar S. gegaan zijn. U zou S. bereikt hebben op 14 april
  6. U zou er een week verbleven hebben bij uw tante. Met de monnik K. zou u per wagen richting S. gereden zijn. Op een onbekende plaats zou u te voet verder gereisd zijn tot de grens op G. U zou de N. nomadenplaatsen M. en P. hebben (zijn) gepasseerd. Op 30 april 2003 zou u K. bereikt hebben. U zou er verbleven hebben bij J. tot uw vertrek op 23 juli
  7. U zou per vliegtuig zijn afgereisd naar België. U vroeg hier asiel aan op 25 juli
  8. Ter ondersteuning van uw asielaanvraag legde u een attest van het Bureau van T. en één van de T. Community in Belgium neer. B. Motivering XIV-17.295-2/8 Vooreerst na een vergelijking van uw opeenvolgende verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en op het Commissariaat-generaal (CGVS) dient te worden vastgesteld dat deze een aantal fundamentele tegenstrijdigheden bevatten. Hierdoor brengt u de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ernstig in het gedrang. Zo verklaarde u op de DVZ dat u in de nacht van 10 maart 2003 een pamflet zou hebben aangekleefd op het stadhuis van T. (zie DVZ, p.9). Op het CGVS verklaarde u die nacht op geen enkele andere plek in T. behalve op het hospitaal, pamfletten te hebben aangekleefd. Bovendien verklaarde u aan ditzelfde hospitaal te zijn betrapt door de politie en te zijn opgepakt. (zie CGVS, p.

(1)2 en 16). Vreemd genoeg sprak u op de DVZ helemaal niet van dit hospitaal; maar zei u, wat uw aanhouding betreft, slechts te zijn gevolgd door de politie en daarop te zijn meegenomen naar het politiekantoor. Verder verklaarde u op de DVZ dat u bij uw aanhouding 'iets kreeg om aan te trekken' om te overnachten (zie DVZ, p.9). Op het CGVS daarentegen, verklaarde u in gevangenschap steeds uw eigen kleren te hebben gedragen (zie CGVS, p. 14 en 16). Eveneens wat uw gevangenschap betreft, beweerde u op de DVZ de tweede dag na uw aanhouding voor het eerst te zijn ondervraagd (zie DVZ, p. 10). Terwijl u op het CGVS beweerde niet de tweede maar de derde dag na uw aanhouding een eerste maal te zijn ondervraagd (zie CGVS, p. 17). Inzake de wijze waarop u uit de gevangenis zou ontsnapt zijn, legde u wederom inconsistente verklaringen af op de DVZ en het CGVS. Op de DVZ beweerde u dat T. de 'politie dronken had gevoerd en de sleutels toen genomen had om u vrij te laten' (zie DVZ, p. 10). Op het CGVS verklaarde u dat T. niet eigenhandig de bewakers alcohol had aangeboden en de sleutel tot uw cel had bemachtigd, maar dat dit zou bewerkstelligd zijn door een voor u onbekende kennis van T. Deze zou na de bewakers te hebben dronken gemaakt, de sleutel hebben overhandigd aan T. (zie CGVS, p. 16-17). Dat u op de DVZ helemaal geen gewag maakte van deze derde persoon komt ongerijmd over gezien de centrale rol van deze persoon in uw ontsnapping. Ten laatste vermeldde u op de DVZ dat u op 10 maart 2002 eerder politiek actief zou zijn geweest door deel te nemen aan een demonstratie (zie DVZ, p. 10). Op het CGVS verklaarde u op deze datum pamfletten te hebben verspreid. U stelde uitdrukkelijk niet te hebben deelgenomen aan een betoging, omdat dit volgens uw verklaringen niet mogelijk zou zijn in T. (zie CGVS, p. 18). Voorts kunnen er ernstige bedenkingen gemaakt worden bij uw beweerde XXX nationaliteit en identiteit. Na controle door het CGVS blijkt immers dat uw kennis aangaande uw regio van herkomst eerder gering te noemen is. Zo is het bevreemdend te noemen dat u niet op de hoogte bleek te zijn in welke XXX provincie het district T. gelegen is. Verder, volgens informatie beschikbaar op het CGVS en waarvan een kopie in het administratief dossier gevoegd is, verklaarde u verkeerdelijk dat T. in de prefectuur 'T.' gelegen is. (zie CGVS, p.1 en 2). Daar u verklaarde afkomstig te zijn uit het sterk(
  1. e)gesiniceerde T. buiten de T. ('T. ') is het des te merkwaardiger dat u nagenoeg geen woord XXX kon spreken. Temeer (daar) het XXX de officiële landstaal betreft. XXX termen voor essentiële elementen uit het dagelijkse leven als 'zon', 'berg', 'lucht', 'drokpa' en 'bus' waren u volledig onbekend. Ook uw bestaan als nomade kan in twijfel worden getrokken. Immers, u bleek niet op de hoogte te zijn van de verschillende benamingen die kunnen gebruikt worden voor 'dri' (vrouwelijke yak). De term gegeven aan een 'dri' in het eerste jaar dat zij een kalf baarde was u onbekend. Evenmin wist u welke de specifieke term is voor dierenbelasting die u, zoals u verklaarde, jaarlijks diende te betalen aan de XXX regering. (zie CGVS, p.7-9). Vervolgens wat uw reisweg over land van T. tot de grens met N. aan G. betreft, dient te worden gesteld dat uw kennis hieromtrent zodanig beperkt is dat de geloofwaardigheid van uw vlucht verder ondermijnd wordt. Temeer daar moeilijk kan aangenomen worden dat de aard van uw beweerde afgelegde vluchtweg (gekenmerkt worden) met (door) dergelijke beperkte herinneringen kunnen zijn. Dat u met uitzondering van enkele vaste punten als R., K., Y., S., S. en G.; geen enkele andere plaatsnamen (~naam) op deze lange route kon opnoemen is sterk bevreemdend te noemen. Bovendien bleek u niet op de hoogte te zijn hoeveel de kostprijs van de busticketten bedroeg op uw reis van T. naar S. Op de door het CGVS gestelde vraag een beschrijving te geven van uw ervaringen in K., bleef uw beschrijving beperkt tot het feit dat er zich vele huizen in K. bevinden. U verklaarde via Y. naar S. te zijn gereisd, maar kon helemaal niet weergeven of Y. al dan niet ver gelegen is van L. Hoewel u een week zou verbleven hebben in S., bleef u wederom vaag in de beschrijving van uw ervaringen en kon u niet situeren waar u in S. zou verbleven hebben. Ook wat u(
  2. w)verdere vluchtweg en grensoversteek betreft, kon u geen concrete informatie verstrekken. (zie CGVS, p. 19-24) Tenslotte zijn de documenten die u ter ondersteuning van uw asielrelaas voorlegde, in het licht van bovenstaande vaststellingen, niet van die aard dat zij de appreciatie van de adjunct-commissaris inzake uw asielaanvraag in positieve zin kunnen ombuigen. Weliswaar bevestigen deze documenten uw T. origine, doch vormen zij geenszins een bewijs van uw XXX nationaliteit. U bleek verder niet in het bezit te zijn van identiteit(s)- en/of reisdocumen- ten ten einde uw identiteit en nationaliteit te staven. Rekening houdend met bovenstaande anomalieën is uw asielaanvraag dan ook onontvankelijk. C. Conclusie XIV-17.295-3/8 Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik vestig de aandacht van de Minister op het feit dat het in de huidige omstandigheden niet duidelijk is of gedwongen terugkeer naar XXX zonder risico van ernstige vervolging mogelijk is. Dit sluit niet uit dat u zonder risico van vervolging vrijwillig naar uw land van herkomst kan terugkeren. (...).”. 2. Overwegende dat verzoeker een enig middel afleidt uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 57/6 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat uit de lezing van het middel blijkt dat hij tevens de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aanvoert; dat hij in het eerste onderdeel een theoretische uiteenzetting geeft over de formele en materiële motiveringsplicht, toegepast op de bestreden beslissing; dat verzoeker aanvoert “dat er in casu enerzijds sprake is van een onjuiste en anderzijds een manifest gebrek aan motivering in de beslissing, wat ertoe leidt te besluiten dat de aan het Commissariaat-generaal voorgelegde middelen niet zorgvuldig onderzocht werden”; dat hij in het tweede onderdeel van het middel ingaat op enkele motieven van de bestreden beslissing; 2.1. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van artikel 57/6 van de Vreemdelingenwet betreft, dit artikel betrekking heeft op de bevoegdheden van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de gegrondheidsfase van de asielprocedure; dat de thans bestreden beslissing werd genomen in het kader van de ontvankelijkheidsfase, zodat voormeld artikel niet dienstig kan worden aangevoerd; Overwegende dat, wat de ingeroepen motiveringsplicht betreft, verzoeker niet aantoont dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelin-gen werden geschonden, temeer daar uit zijn middel blijkt dat hij de motieven van de bestreden beslissing kent; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; 2.2. Overwegende dat, wat de materiële motiveringsplicht betreft, het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebe- voegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische Wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister XIV-17.295-4/8 van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “bedrieglijkheid” is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld indien tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid en tussen geografische gegevens die de asielzoeker moet kennen, wanneer hij van een bepaalde nationaliteit is, of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker, geput uit het dossier; dat de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten op grond van de motieven, die integraal worden weergegeven onder punt 1.3. van huidig arrest en die samengevat als volgt luiden : - verzoekers verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal bevatten een aantal fundamentele tegenstrijdigheden, waardoor de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas ernstig in het gedrang komt. Deze tegenstrijdigheden hebben betrekking op de plaats(
  3. en)waar hij pamfletten ging kleven en zijn daaropvolgende arrestatie door de politie, op de kledij die hij droeg tijdens zijn detentie, het tijdstip van zijn eerste ondervraging, de beweerde “derde” persoon die een centrale rol speelde bij zijn ontsnapping, en de politieke demonstratie waar verzoeker al dan niet zou aan hebben deelgenomen; - er kunnen ernstige bedenkingen worden gemaakt bij verzoekers beweerde XXX nationaliteit en identiteit, aangezien zijn kennis van zijn regio van herkomst “eerder gering” is en aangezien hij nauwelijks een woord XXX spreekt; - verzoekers bestaan als nomade kan in twijfel worden getrokken wegens zijn gebrek aan kennis van de desbetreffende terminologie; - verzoekers kennis van zijn reisweg over het land van T. tot aan de grens met N. is zo beperkt dat de geloofwaardigheid van zijn vlucht wordt ondermijnd; - gelet op wat voorafgaat, vermogen de documenten die verzoeker voorlegt ter ondersteuning van zijn asielrelaas, niet de appreciatie van de Commissaris-generaal in positieve zin om te buigen; 2.2.1. Overwegende dat verzoeker de hogergenoemde tegenstrijdigheden omtrent het kleven van pamfletten, zijn arrestatie en zijn gevangenschap “zeer kleine details” noemt, die te wijten zijn aan verstrooidheid en vergetelheid, en opmerkt dat er in zijn relaas één duidelijke (coherente) lijn zit, namelijk dat hij werd opgepakt en verbleef in de gevangenis; dat verzoeker verder aanvoert dat hij op de Dienst Vreemdelingenzaken wel degelijk melding heeft gemaakt van de derde persoon die betrokken was bij de ontsnapping maar dat dit niet werd genoteerd; dat hij daaraan toevoegt dat hij daar nooit gesproken heeft over een betoging en dat dit deel van zijn asielrelaas foutief werd vertaald; Overwegende dat van de kandidaat-vluchteling redelijkerwijze mag worden verwacht dat hij, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die aan de basis liggen van zijn vlucht uit zijn land van herkomst nauwkeurig, XIV-17.295-5/8 zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de overheden, die bevoegd zijn om kennis te nemen van zijn asielaanvraag, zodat op grond van dit relaas kan worden nagegaan of er met betrekking tot de kandidaat-vluchteling aanwijzingen bestaan om te besluiten tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de beslissing van een persoon om zijn land van herkomst te verlaten dermate fundamenteel en ingrijpend is, dat hij bij machte moet zijn om desbetreffend een zo volledig mogelijk en coherent verhaal te vertellen; dat de motieven van de bestreden beslissing steun vinden in de respectieve verhoorverslagen van de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal; dat ze betrekking hebben op de kern van verzoekers vluchtrelaas, omdat het feiten betreft die de directe aanleiding zijn van verzoekers vlucht uit zijn land van herkomst; dat de Commissaris-generaal bovendien zijn beslissing steunt op meerdere fundamentele tegenstrijdigheden; dat verzoeker deze tegenstrijdigheden minimaliseert maar niet weerlegt; dat het argument betreffende de onjuiste vertaling of notitie een loutere hypothese is die niet wordt gestaafd met concrete elementen; dat het geen steun vindt in het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken waaruit blijkt dat verzoeker geen opmerkingen had over de vertaling; dat hij, door het plaatsen van zijn handtekening, overigens bevestigde dat het verhoorverslag overeenstemt met de inlichtingen die hij gaf; dat de Commissaris-generaal derhalve terecht op grond van voornoemde motieven zijn beslissing kon nemen; 2.2.2. Overwegende dat verzoeker vervolgens argumenten aanhaalt om te verklaren waarom hij nauwelijks XXX spreekt; dat hij ondermeer aanvoert dat er geen noodzaak toe was en dat hij niet naar een XXX school ging; Overwegende dat uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt dat dit één van de vaststellingen is die de Commissaris-generaal ertoe brengen “ernstige bedenkingen” te hebben bij verzoekers beweerde XXX nationaliteit en identiteit; dat verzoekers argumenten niet opwegen tegen de opmerking van de Commissaris-generaal dat het “des te merkwaardi- ger” is dat verzoeker nagenoeg geen woord XXX spreekt, terwijl hij afkomstig zou zijn uit het sterk gesiniceerde T. buiten de “T.”; dat het betreffende motief steun vindt in het administratief dossier en door verzoeker, die zich beperkt tot algemene en weinig zeggende opmerkingen, niet wordt ontkracht; dat de vaststelling van de Commissaris-generaal die betrekking heeft op verzoekers geringe kennis van zijn regio van herkomst door verzoeker niet wordt aangevoch- ten, zodat kan worden aangenomen dat hij ze niet betwist; dat hij evenmin het motief betreffende zijn beweerde nomadenbestaan aanvecht; 2.2.3. Overwegende dat verzoeker in verband met zijn vluchtweg aanvoert dat hij op de vlucht was en dus niet alle plaatsen en culturen in zich kon opnemen; Overwegende dat dit motief in de bestreden beslissing op omstandige wijze wordt onderbouwd; dat verzoekers argumentatie geen afbreuk doet aan de talrijke XIV-17.295-6/8 vaststellingen en bevindingen van de Commissaris-generaal terzake, die steun vinden in het administratief dossier; 2.2.4. Overwegende dat verzoeker inzake de voorgelegde documenten aanvoert dat zij aantonen dat hij een affiniteit bezit met T., niet met XXX en de XXX bevolking; Overwegende dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing verzoekers affiniteit met T. niet in vraag stelt; dat hij enkel vaststelt dat de documenten verzoekers T. origine bevestigen maar dat zij geen bewijs vormen van diens XXX nationaliteit; dat verzoeker niet aantoont dat de bevindingen van de Commissaris-generaal feitelijke grondslag missen; 2.3. Overwegende dat verzoeker ten slotte aanvoert dat de Commissaris- generaal de gegevens van het dossier en zijn verklaringen niet grondig heeft onderzocht en dat hij geen rekening heeft gehouden met de feiten van de zaak; Overwegende dat verzoekers grief niet overtuigt; dat uit de lezing van de bestreden beslissing immers blijkt dat de Commissaris-generaal de asielaanvraag van verzoeker individueel en persoonlijk heeft onderzocht; dat uit het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal bij het nemen van de bestreden beslissing rekening heeft gehouden met de specifieke verklaringen van verzoeker en met alle terzake dienende elementen; dat het eerste deel van de bestreden beslissing een nauwkeurige neerslag bevat van de feiten, die resulteren uit de verklaringen van verzoeker op het Commissariaat-generaal; dat in een tweede deel het individuele asielrelaas van verzoeker op een objectieve wijze wordt geanalyseerd in de globale context van zijn asielaanvraag; dat deze uiterst volledige en gedetailleerde analyse de Commissaris-generaal op goede gronden tot het besluit heeft gebracht dat verzoekers asielaanvraag bedrieglijk is; 3. Overwegende dat verzoeker de door de Commissaris-generaal weerhouden motieven niet weerlegt; dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die deugdelijk en draagkrachtig zijn; dat de door verzoeker aangehaalde bepalingen niet werden geschonden; dat het enig middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-17.295-7/8 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf november tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-17.295-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.041 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.