← België

Arrest 137049 - - 08/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.049 Rolnummer: A. 135020/IX-3753 Zaak: Arrest 137049 - - 08/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-22 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-04 13:27 Fiche Arrest nr 137.049 van 8 november 2004 - Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.049 van 8 november 2004 in de zaak A. 135.020/IX-

  1. In zake : Peter BECKX, die woonplaats kiest bij advocaat M. DECAT, kantoor houdende te DIEST, Overstraat 49 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Peter BECKX op 4 april 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de koninklijke besluiten nrs. 4277 tot 4290 van 18 december 2002 houdende de benoeming van een aantal kandidaten "intermachten" tot de graad van majoor of korvetkapitein; Gelet op het arrest nr. 121.116 van 30 juni 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op de kennisgeving van dit arrest aan de verzoekende partij op 23 juli 2003; Gelet op de kennisgeving aan de verzoekende partij, op grond van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij de verzoekende partij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord; Gelet op het schrijven van de verzoekende partij van 12 september 2003, waarbij zij vraagt om te worden gehoord; IX-3753-1/3 Gelet op de beschikking van 23 juli 2004, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 11 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. DENEEF, die loco advocaat M. DECAT verschijnt voor verzoeker, en van majoor-administrateur militair A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat naar luid van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest; Overwegende dat verzoeker geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is verworpen; dat hij wel betoogt dat hij "geen afstand van geding wenst te doen" en dat het wettelijk vermoeden van afstand in zijn geval geen toepassing mag vinden, aangezien hij wel degelijk belang heeft bij het beroep en de verwerping van zijn vordering tot schorsing dat belang niet heeft doen teloorgaan; dat de raadsman van verzoeker ter terechtzitting nog betoogt dat het niet-indienen van een verzoek tot voortzetting te wijten is aan een materiële vergissing doordat het arrest over de vordering tot schorsing aan zijn kantoor betekend is gedurende het gerechtelijk verlof en tijdens een reorganisatie van dat kantoor; Overwegende dat het door artikel 17, § 4ter, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ingestelde vermoeden van afstand een onweerlegbaar vermoeden is, dat enkel buiten werking kan worden gesteld in geval de betrokkene overmacht of onoverkomelijke dwaling bewijst; dat noch de IX-3753-2/3 verwijzing naar de ontvangst van het arrest over de schorsingszaak gedurende het gerechtelijk verlof -begrip dat overigens binnen de reglementering van de rechtsple- ging voor de Raad van State niet gekend is-, noch de verwijzing naar een materiële reorganisatie van het advocatenkantoor waar verzoeker woonplaats gekozen had en aan hetwelk het voornoemd arrest rechtsgeldig was betekend, als een vorm van overmacht of onoverkomelijke dwaling kan worden gezien; Overwegende dat verzoeker niet binnen de door artikel 17, § 4ter, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voorgeschreven termijn een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend, dat te zijnen aanzien een vermoeden van afstand van geding geldt, BESLUIT: Artikel
  2. De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
  3. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht november 2000 en vier, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-3753-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.049 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.121.116 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.