← België

Arrest 137050 - - 08/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.050 Rolnummer: A. 153510/IX-4573 Zaak: Arrest 137050 - - 08/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-07 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 13:27 Fiche Arrest nr 137.050 van 8 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.050 van 8 november 2004 in de zaak A. 153.510/IX-

  1. In zake : Marc VAN GESTEL, wonende te MINDERHOUT (HOOGSTRATEN), Sint-Clemensstraat 3 tegen : de Lokale Politie NOORDERKEMPEN, die woonplaats kiest bij advocaat A. DESMEDT, kantoor houdende te ANTWERPEN, Amerikalei 122, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Marc VAN GESTEL op 7 juli 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 12 mei 2004 van de korpschef van de politiezone Noorderkempen waarbij hij wordt overgeplaatst van de wijkpost Meer naar het hoofdcommissariaat; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 8 september 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 4 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-4573-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat E. VAN DER VLOET, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat C. FLAMEND, die loco advocaat A. DESMEDT verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politie van de politiezone Hoogstraten/Merksplas/Rijkevorsel (hierna : de politiezone Noorderkempen). Vooraleer hij middels de bestreden beslissing werd overgeplaatst naar het hoofdcommissariaat, was hij wijkagent in de wijkpost van de Hoogstraatse deelgemeente Meer. 1.
  5. Op 6 februari 2004 stelt de korpschef van de politiezone Noorderkempen een nota op met als onderwerp : "Functioneringsgesprek - taakafspraken". In een hoofdstuk "motivatie van de maatregelen" wordt een overzicht gegeven van de moeilijkheden die verzoeker en een andere collega, binnen de wijkwerking, hebben gecreëerd sinds de in werkingstelling van de politiezone en van de gesprekken die de korpschef met de betrokkenen heeft gehad. In een tweede hoofdstuk stelt de korpschef : "Functionele afspraken. 1/ De beide personeelsleden zullen vanaf heden terug mee de verkeersregeling uitvoeren wanneer nodig. 2/ Rekening houdend met hun medische vrijstelling voor langdurig staande diensten, zal er in overleg met Commissaris Jan VINCKX, Officier operaties/ gemeenschapsgerichte politiezaken en Hoofdinspecteur Leen MARTENS, wijkcoördinator, bekeken worden hoe deze diensten het best geregeld worden (m.b.t. plaats en tijd). 3/ De beide personeelsleden werden er op gewezen dat hun weinig constructieve houding de sfeer in de wijkpost en tussen de wijkagenten enerzijds, en de IX-4573-2/8 samenwerking met de collega's van de polyvalente pool anderzijds, sterk nadelig heeft beïnvloed. Hierdoor komt de goede werking van de dienst, in het bijzonder in de wijkpost Meer, ernstig in het gedrang. De komende week zal een vergadering belegd CP Jan VINCKX, HINP Leen MARTENS en de wijkagenten van Hoogstraten. Hier zullen de nodige afspraken gemaakt worden zodat er terug op een gezonde basis gestart kan worden. 4/ De beide personeelsleden worden er op gewezen dat bij eenzelfde principiële, en niet te verantwoorden houding in de toekomst, een ordemaatregel bij overplaatsing onvermijdelijk is". Verzoeker tekent de nota voor kennisname, met de vermelding "enkel akkoord met functionele afspraken". In april 2004 dient hij een verweerschrift in waarin hij uitvoerig uiteenzet waarom hij niet akkoord kan gaan met het luik "motivatie voor de maatregelen". 1.
  6. Met een nota van 12 mei 2004 deelt de korpschef aan verzoeker zijn beslissing mee om hem over te plaatsen naar het hoofdcommissariaat om een andere taak te vervullen. Die beslissing, die het voorwerp uitmaakt van de onderhavige vordering tot schorsing is zeer uitvoerig gemotiveerd. Vooreerst wordt, met verwijzing naar de punten 3 en 4 van de "functionele afspraken" van 6 februari 2004, aangestipt dat verzoeker in zijn verweerschrift "op ongepaste wijze een aantal bijkomende bemerkingen (geformuleerd heeft) over een aantal collega's en één van zijn hiërarchische oversten", dat hij daarin de korpschef verwijt de waarheid te verdraaien, en niet objectief te zijn en dat hij zelf "dreigementen op hem afvuurt", waaruit besloten wordt dat verzoekers "zeer snel na de gemaakte afspraken zich terug bezondigde aan een ongepaste communicatiestijl". Vervolgens wordt verwezen naar een "argument van operationele aard", te weten problemen over de wijze waarop verzoeker zijn opdracht in de wijk zou vervullen en de wrevel van de wijkbewoners opwekt. De motivering besluit aldus : "(...) Het hogervermelde incident illustreert dat de passieve houding van inspecteur Mark VAN GESTEL ten aanzien van het probleem, in combinatie met zijn bezigheden in de vrije tijd, een bepaalde negatieve perceptie oproepen bij de bevolking met betrekking tot de gewenste neutrale opstelling van de politie. Naast deze vaststelling is het bovendien duidelijk dat Inspecteur Mark VAN GESTEL zijn verantwoordelijkheden met betrekking tot zijn taak als wijkagent in onvoldoende mate opneemt. Met uitzondering van de gerechtelijk/administratieve opdrachten, die het personeelslid tot tevredenheid uitvoert, presteert hij op het vlak van initiatiefname en preventie inzake wijkgerichte problemen ondermaats. Gezien IX-4573-3/8 de ervaringen en voorvallen uit het verleden zijn wij van mening dat Inspecteur VAN GESTEL niet langer voldoet in deze functie en dat zijn houding de goede constructieve werking van de dienst in het gevaar brengt. Om deze reden beslissen wij overeenkomstig de bevoegdheden toegekend door artikel 44 van de Wet van 07 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, dat het personeelslid zal worden overgeplaatst naar het hoofdcommissariaat om een andere taak in te vullen". 1.
  7. Verzoeker blijkt sinds medio mei 2004 arbeidsonbekwaam te zijn en psychiatrische bijstand te krijgen wegens een "probleem van arbeidsbelemmering op werk". 1.
  8. Bij beschikking van 15 juli 2004 verklaart de waarnemend voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout, zetelend in kort geding, zich onbevoegd om uitspraak te doen over de vordering van verzoeker om in de functie van wijkagent te Meer hersteld te worden.
  9. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  10. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 44 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveau’s (hierna : WGP), doordat die bepaling een wettelijk kader schept voor het optreden van de korpschef -dat overigens onder de eindverantwoordelijkheid van het politiecollege staat- maar dat zij niet belet dat de korpschef bij de uitoefening van zijn bevoegdheden zich niet zou moeten schikken naar bepaalde procedures die in andere reglementen zijn vastgelegd -zoals tuchtprocedures, evaluatieprocedures-, zodat artikel 44 WGP geen recht- vaardiging kan vormen voor het getroffen overplaatsingsbesluit; 3.
  11. Overwegende dat de verwerende partij zich in haar nota met opmerkingen beperkt tot een herhaling van de feitelijke gegevens waarop het bestreden besluit gesteund is; IX-4573-4/8 3.
  12. Overwegende dat naar luid van artikel 44, eerste lid WGP, een lokaal politiekorps onder de leiding staat van een korpschef; dat het derde lid van dezelfde wetsbepaling de korpschef onder meer belast met de organisatie en de verdeling van de taken; dat zulks betekent dat hij elke maatregel neemt die noodzakelijk is om de goede werking van het korps te verzekeren, zoals het toewijzen van de functies aan het personeel; dat de korpschef bij het treffen van dergelijke beslissing gewis de reglementering die ter zake kan bestaan moet naleven; dat evenwel, indien hij zulks niet doet, hij de desbetreffende reglementering miskent maar niet artikel 44 WGP; dat het middel niet ernstig is; 4.
  13. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van de artikelen III.III.
  14. en III.III.
  15. van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: het RPPol); dat hij betoogt dat hij, wanneer hij tijdens het onderhoud met de officieren van zijn korps en in zijn verweerschrift tegen de nota van de korpschef van 6 februari 2004 bepaalde uitlatingen heeft gedaan, enkel gebruik gemaakt heeft van het spreekrecht en van zijn recht op vrije meningsuiting, terwijl het bestreden besluit, door hem te verwijten zijn mening “op ongepaste wijze” te hebben geuit, de vermelde bepalingen duidelijk miskent; 4.
  16. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen daar op antwoordt dat “de ongenuanceerde, eigengereide en agressieve epistels” van verzoeker niet beantwoorden aan de criteria die het RPPol stelt, dat verzoeker overigens niet gesanctioneerd is en dat het motief van het bestreden besluit ook geen verband houdt met het spreekrecht van verzoeker; dat zij voorts stelt dat verzoeker overgeplaatst is omdat hij in zijn functie niet meer voldeed en zijn houding de constructieve werking van de dienst in gevaar bracht; 4.
  17. Overwegende dat artikel III.III.1., onder de daar genoemde voorwaarden, het recht van vrije meningsuiting van de politieambtenaar erkent; dat artikel III.III.2 aan de politieambtenaar het recht verleent om, onder bepaalde voorwaarden, vrij te spreken en te publiceren zonder toestemming van zijn meerdere; Overwegende dat die bepalingen voor de politieambtenaar geen vrijgeleide inhouden om zich in zijn contacten met de hiërarchische meerderen op een onbetamelijke wijze uit te laten; dat, met de gegevens waarover de Raad van State thans beschikt, vastgesteld wordt enerzijds dat de korpschef niet ten onrechte de IX-4573-5/8 handelwijze van verzoeker aangemerkt heeft als de emanatie van een ongepaste communicatiestijl en anderzijds dat de directe aanleiding voor de overplaatsing van verzoeker niet, of toch niet hoofdzakelijk, gelegen lijkt te zijn in zijn ongepaste communicatiestijl, maar wel in zijn slechte functionering in de wijkpost Meer; dat het middel niet ernstig is; 5.
  18. Overwegende dat verzoeker in het derde middel de schending aanvoert van de artikelen VII.I.
  19. tot VII.I.51 RPPol doordat in het bestreden besluit gesteld wordt dat hij zijn taak als wijkagent onvoldoende opneemt, dat hij op het vlak van initiatiefnamen en preventie inzake de wijkgerichte problemen ondermaats presteert en dat hij niet langer voldoet in deze functie, terwijl de korpsoverste daarmee zijn functioneren evalueert zonder de daarvoor bestaande regelgeving na te leven; 5.
  20. Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen terecht op antwoordt dat de overplaatsing niets te maken heeft met de tweejaarlijkse evaluatie -bepalingen uit het RPPol die overigens nog niet in werking zijn- maar dat zij haar grondslag vindt in artikel 44 WGP; dat het slecht functioneren voor de korpschef evident een reden kan zijn om de dienstaanwijzing van een personeelslid te veranderen; dat het middel niet ernstig is; 6.
  21. Overwegende dat verzoeker in het vierde middel de schending aanvoert van de artikelen 1 tot 5 en 17 tot 58 van de wet van 13 mei 1999 houdende het statuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet), doordat hem, wijl het bestreden besluit verwijst naar de -overigens in genen dele bewezen- bewering dat hij, door het aannemen van geld van een café uitbater, zijn neutraliteit verloren zou hebben in een geschil van die café uitbater en zijn buren, een maatregel opgelegd is die steunt op een vastgestelde tekortkoming aan zijn beroepsplichten en een aantasting van de waardigheid van het ambt, terwijl de tuchtwet de overplaatsing niet als een mogelijke sanctie voor dergelijke misdraging bevat en terwijl de geëigende procedure voor het opleggen van dergelijke straf ook niet gevolgd is; 6.
  22. Overwegende dat de verwerende partij opmerkt dat verzoeker het bestaan van machtsafwending niet bewijst, dat integendeel de schier eindeloze gesprekken die de verschillende oversten met verzoeker gehad hebben bewijzen dat binnen de hiërarchie alles in het werk gesteld is om de goede werking binnen de wijk Meer te garanderen en dat het bestreden besluit genomen is om de goede werking IX-4573-6/8 van de dienst, die verstoord is door de houding van verzoeker, te verzekeren; dat zij daar aan toevoegt dat er nooit beweerd is dat verzoeker zich schuldig gemaakt zou hebben aan fraude; 6.
  23. Overwegende dat uit het dossier van de zaak inderdaad niet opgemaakt kan worden dat aan verzoeker verweten wordt geld aangenomen te hebben van een café uitbater; dat het bestreden besluit wel verwijst naar het feit dat verzoeker, als verantwoordelijke voor de eerste lijnspolitiehulp in zijn wijk, zich passief opgesteld heeft in een overlastprobleem hetgeen, in combinatie met zijn vrije tijdsactiviteiten “een bepaalde negatieve perceptie oproept bij de bevolking”; Overwegende dat, geconfronteerd met dergelijke feiten, de korpschef terecht kon besluiten de verstoring van de dienst tegen te gaan met de overplaatsing van verzoeker; dat niet blijkt dat de korpschef bij het treffen van zijn besluit aan de opgelegde maatregel een bestraffend karakter heeft willen geven; dat het middel niet ernstig is; 7.
  24. Overwegende dat verzoeker in het vijfde middel aan de korpschef verwijt dat hij artikel 32bis van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk miskend heeft, doordat het bestreden besluit als een pesterij op het werk moet worden beschouwd; dat hij betoogt dat hij zich wegens de tegen hem gevoerde campagne psychisch heeft moeten laten begeleiden en dat de collega’s van de wijkpost hem verzekeren geen problemen meer met hem te hebben; 7.
  25. Overwegende dat de verwerende partij erop wijst dat verzoeker nagelaten heeft de geëigende procedure bij de aangestelde vertrouwenspersoon of de externe preventieadviseur in te stellen, dat de campagne waarover hij zich beklaagt in feite “talloze gesprekken” waren die de korpschef met verzoeker heeft gevoerd, die soms door verzoeker waren uitgelokt, die uitgelopen zijn op een overeenkomst -van 6 februari 2004- waarin functioneringsafspraken gemaakt zijn ten aanzien van een meer constructief handelen door verzoeker, maar die vervolgens door hemzelf niet nagekomen zijn; 7.
  26. Overwegende dat het dossier van de zaak aantoont dat het bestreden besluit zijn grondslag vindt in de wijze waarop verzoeker zijn taken in de wijkpost Meer vervuld heeft; dat er geen sprake is van een tegen verzoeker georganiseerde campagne, maar integendeel veeleer van doorgedreven inspanningen IX-4573-7/8 van de korpschef om verzoeker met overredingskracht en via afspraken duidelijk te maken waar zijn plaats in het korps is; dat het besluit er ook op gericht is de verstoring van de orde binnen de dienst tegen te gaan; dat geen pesterij wordt aangetoond; dat de omstandigheid dat enkele collega’s van verzoeker geen problemen met hem lijken te hebben het optreden van de korpschef niet doen verworden tot een vorm van pesterij op het werk; dat het middel niet ernstig is;
  27. Overwegende dat geen van de door verzoeker aangevoerde middelen ernstig zijn; dat niet voldaan is aan een van de grondvoorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bevelen, BESLUIT: Artikel
  28. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  29. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht november 2000 en vier, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4573-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.050 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.748 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.