id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.069 Rolnummer: A. 123592/XIV-10742 Zaak: Arrest 137069 - - 09/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-10 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 13:28 Fiche Arrest nr 137.069 van 9 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 137.069 van 9 november 2004 in de zaak A. 123.592/XIV-10.742. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat R. COLLIN, kantoor houdende te 6900 MARCHE-EN-FAMENNE, Avenue de la Toison d’Or 27 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 5 februari 1981 en van XXX nationaliteit, op 8 juli 2002 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 10 juni 2002 houdende weigering tot inoverwegingname van een vluchtelingenverklaring, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 17 juli 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het voorlopig advies opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op de kennisgeving van dat voorlopig advies aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 20 oktober 2004 om 14.00 uur; XIV-10.742-1/5 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat R. COLLIN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Verzoeker komt op 22 november 2001 in België aan en verklaart zich op 23 november 2001 voor de eerste maal vluchteling. 1.2. Op 3 december 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 18 januari 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. Verzoeker dient bij de Raad van State op 12 februari 2002 een beroep in tegen deze beslissing. Bij arrest van deze zetel nr. 113.793 van 17 december 2002 wordt dit beroep verworpen. 1.4. Op 24 mei 2002 verklaart verzoeker zich voor de tweede maal vluchteling. 1.5. Op 10 juni 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing houdende weigering tot inoverwegingname van een vluchtelingenverklaring. Dit is de thans bestreden beslissing die als volgt is gemotiveerd: “(...) Betrokkene heeft zich op 23/11/2001 bij de Dienst Vreemdelingenzaken voor de eerste maal vluchteling verklaard. Zijn vluchtelingenverklaring werd op 03/12/2001 onontvankelijk verklaard en hem dezelfde dag nog betekend. Daarop diende betrokkene op 5/12/2001 een schorsend beroep in tegen de laatstgenoemde beslissing bij het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. De Adjunct-Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen besliste op 18/01/2002 dat betrokkene de vluchtelingenstatus wordt geweigerd. Betrokkene nam kennis van deze beslissing op 22/01/2002. Op 14/02/2002 diende betrokkene een beroep tot nietigverklaring tegen deze beslissing in bij de Raad van State en op 24/05/2002 diende betrokkene een tweede asielaanvraag in bij de Dienst Vreemdelingenzaken. XIV-10.742-2/5 Betrokkene zou nog steeds niet kunnen terugkeren naar zijn land van herkomst omdat zijn leven er nog steeds in gevaar zou zijn. Betrokkenes vader zou op 10 of 12/01/2002 voor de tweede maal opgepakt zijn door de XXX autoriteiten omwille van zijn politieke activiteiten en omwille van het feit dat betrokkene XXX ontvlucht was. Betrokkenes vrienden A. en R. zouden nog steeds spoorloos zijn. Betrokkenes familie zou bedreigd geworden zijn door leden van het E. Betrokkenes vader zou pas vrijgelaten (worden) indien betrokkene terugkeerde naar XXX. Betrokkene zou telefonisch contact gehad hebben met zijn broer S. en met een partijgenoot R. genaamd. Betrokkene zou na zijn vlucht uit XXX zijn politieke activiteiten verdergezet hebben. Op 11/02/2002 zou hij deelgenomen hebben aan een manifestatie in Frankfurt in Duitsland. Uit het relaas van betrokkene kan opgemaakt worden dat hij na zijn vorige asielprocedure niet naar zijn land van herkomst terugkeerde en geen nieuwe feitelijke elementen aanbracht, betrekking hebbend op situatie of feiten die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de asielprocedure waarin zij ze had kunnen aanbrengen, die nuttig zijn voor de beoordeling van zijn tweede erkenningsaanvraag en die duiden op een gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1 van de Vluchtelingenconventie. Betrokkene bracht om zijn tweede asielaanvraag te staven enkel een document aan die (dat) zijn vermeend(
- e)lidmaatschap van de monarchistische partij (aan) zou bevestigen. Er dient echter opgemerkt te worden dat betrokkenes eerste asielaanvraag werd afgesloten met een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf genomen op basis van bedrieglijkheid zodat er ernstig getwijfeld kan worden aan de authenticiteit van het voorgelegde document. Om dezelfde reden kan er ook weinig geloof gehecht worden aan de overige verklaringen van betrokkene in verband met de gebeurtenissen die zijn familieleden zouden overkomen zijn en die betrokkene naar voor bracht ter staving van zijn tweede asielaanvraag. De bovenvermelde verklaring wordt niet in overweging genomen. (...).”; 2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt op grond van artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang van het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); Overwegende dat verzoeker naar aanleiding van zijn tweede asielaanvraag twee “nieuwe elementen” aanhaalt, met name een document inzake zijn lidmaatschap van de monarchistische partij en het feit dat zijn vader een tweede maal werd gearresteerd door de XXX autoriteiten; Overwegende dat artikel 51/8, tweede lid, van de Vreemdelingenwet als volgt luidt : “De Minister of diens gemachtigde, kan beslissen de verklaring niet in aanmerking te nemen wanneer de vreemdeling voorheen reeds dezelfde verklaring heeft afgelegd bij een in het eerste lid bedoelde overheid en hij geen nieuwe gegevens aanbrengt dat er wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951. De nieuwe gegevens moeten betrekking hebben op feiten en situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen. Een beslissing om de verklaring niet in aanmerking te nemen is alleen vatbaar voor een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. Er kan geen vordering tot schorsing tegen deze beslissing worden ingesteld.”; Overwegende dat in het arrest van het Arbitragehof nr. 61/94 van 14 juli 1994 het volgende wordt overwogen in verband met artikel 50, derde en vierde lid (dat bij wet van 15 juli 1996 gewijzigd is en nu artikel 51/8, eerste lid is geworden) : XIV-10.742-3/5 “De wetgever heeft aldus beoogd een specifieke vorm van misbruik van procedure, het systeem van herhaalde identieke verklaringen, uit te schakelen. Daartoe heeft hij de vordering tot schorsing bij de Raad van State uitgesloten in de gevallen waarbij de vreemdeling :
- a)reeds vroeger een verklaring om zich als vluchteling te laten erkennen heeft afgelegd, verklaring die na onderzoek niet in aanmerking is genomen; en
- b)de mogelijkheid heeft gehad om tegen die weigering in beroep te gaan en alle rechtsmiddelen uit te putten; en
- c)een identieke verklaring aflegt zonder enig nieuw gegeven aan te voeren. Nieuwe gegevens in de zin van de bestreden wetsbepaling zijn gegevens die “betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen.”; Overwegende dat verzoeker tijdens zijn tweede asielverklaring als nieuwe elementen een document heeft aangehaald inzake zijn lidmaatschap van de monarchistische partij en het feit dat zijn vader een tweede maal werd gearresteerd door de XXX autoriteiten; dat in de bestreden beslissing desbetreffend wordt overwogen dat verzoeker na zijn vorige asielprocedure geen nieuwe feitelijke elementen heeft aangebracht die betrekking hebben op situaties of feiten die zich hebben voorgedaan ná de laatste fase in de asielprocedure waarin hij ze had kunnen aanbrengen, en dat verzoekers eerste asielaanvraag werd afgesloten met een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf genomen op basis van bedrieglijkheid, zodat er ernstig kan worden getwijfeld aan de authenticiteit van het voorgelegde document, en dat er tevens weinig geloof kan worden gehecht aan de overige verklaringen van betrokkene in verband met de gebeurtenissen die zijn familieleden zouden zijn overkomen; dat verzoeker in het verzoekschrift tot schorsing hierover stelt dat dit nieuwe elementen zijn die verband houden met zijn vorige verklaringen die hij heeft afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat verzoeker daaraan toevoegt dat hij via de telefoon van zijn broer heeft vernomen dat hun vader werd gearresteerd en dat verzoeker reeds vroeger had gezegd dat hij lid was van de monarchistische oppositie, en dat het nieuwe document ook aangeeft dat verzoeker gevaar loopt bij een eventuele terugkeer naar XXX; dat deze uiteenzetting in het verzoekschrift geen afbreuk doet aan de vaststelling van de verwerende partij dat verzoeker na zijn vorige asielprocedure geen nieuwe feitelijke elementen heeft aangebracht die betrekking hebben op situaties of feiten die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de asielprocedure waarin hij ze had kunnen aanbrengen; dat de Minister van Binnenlandse Zaken op het eerste gezicht correct en oordeelkundig de Vreemdelingenwet toepast wanneer hij weigert om de vluchtelingenverklaring in overweging te nemen op basis van artikel 51/8 van voornoemde wet; dat de Raad van State bijgevolg niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering tot schorsing; dat de Advocaat van verzoeker zich gedraagt naar de wijsheid van de Raad wat de inhoud en de conclusie van het Auditoraatsverslag betreft; dat de opgeworpen exceptie gegrond is, BESLUIT: XIV-10.742-4/5 Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De kosten worden in beraad gehouden. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-10.742-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.069 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div