← België

Arrest 137073 - - 09/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.073 Rolnummer: A. 120036/XIV-9694 Zaak: Arrest 137073 - - 09/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-10 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 13:29 Fiche Arrest nr 137.073 van 9 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 137.073 van 9 november 2004 in de zaak A. 120.036/XIV-9694. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. HAEGEMAN, kantoor houdende te 1081 BRUSSEL, Frans Gasthuislaan 21 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 16 februari 1974 en van XXX nationaliteit, op 22 april 2002 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 maart 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 11 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gelet op de beschikking van 25 april 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het voorlopig advies opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op de kennisgeving van dat voorlopig advies aan de partijen; XIV-9694-1/5 Gelet op de beschikking van 14 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 20 oktober 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. HINNEKENS, die loco Advocaat A. HAEGEMAN verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-Adviseur E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 5 oktober 2000 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.2. Op 11 oktober 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 25 maart 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Verder meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina's. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, XXX staatsburger van R. origine, verliet XXX op 10 september 2000. Op 5 oktober 2000 kwam u in België aan waar u nog dezelfde dag het statuut van vluchteling aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. U verklaarde op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u in 1992 uw legerdienst moest vervullen. Het merendeel van de soldaten waren XXX en die vielen de R. constant lastig en ze mishandelden de R. ook. U werd ook enkele keren geslagen. Jullie probeerden bij de oversten te klagen maar daar kreeg u te horen dat u op XXX grondgebied was en dat u maar naar R. moest vertrekken als het u niet beviel. XIV-9694-2/5 U werd na drie maanden overgeplaatst naar een speciale sporteenheid omdat u schermer was. U kende daar geen problemen. U behaalde goede resultaten in uw sport en in de zomer van 1994 had u moeten deelnemen aan de Aziatische Olympische Spelen. U stond echter niet op de selectielijst. Uw trainer liet u weten dat dit het gevolg was van uw etnische origine. Uiteindelijk mocht u toch mee naar Japan waar uw team Olympisch Kampioen werd. Dit was uw laatste internationale wedstrijd. Na uw terugkeer mocht u niet meer deelnemen omwille van uw R. origine. Hierdoor kon u in 2000 ook niet deelnemen aan de Olympische Spelen in Sydney. Toen u uw oude Sovjet-documenten wilde inleveren voor XXX, wilde men u die niet overhandigen. Mensen van XXX orig(i)ne maakten u ook het leven zuur. In 1997 werden u en enkele vrienden door XXX geslagen. Jullie werden echter aangewezen als de aanstokers, een misverstand dat later werd rechtgezet door een bevriend(

  1. e)rechercheur. In de winter van 1999 werd u door vier XXX lastig gevallen en geduwd. De zoon van uw zus pleegde in de lente van 1999 zelfmoord omwille van de pesterijen en fysieke mishandelingen van de XXX. U werd ook door XXX uitgelachen en beledigd. U zag het niet meer zitten en besloot XXX te verlaten en ergens anders een nieuw leven te beginnen. Via een kennis kreeg u het telefoonnummer van iemand die een reis zou kunnen regelen. Op 10 september 2000 verliet u dan XXX richting België. De door u aangebrachte etnische vervolging (DVZ, vraag 41, motieven voor het vertrek; DVZ, vraag 42; beroepschrift van 12 oktober 2000) strookt niet met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (Cedoca, 'The Situation of the Slavic minority in XXX, February 2002). Uit de geciteerde informatie blijkt dat de S. bevolkings-groep/religie niet wordt vervolgd in de zin van de Vluchtelingenconventie. Uit dezelfde informatie blijkt eveneens dat de hogere XXX autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch geweld en spanning en dat eventuele bescherming u niet zou geweigerd worden omwille van uw etnische origine. Bijgevolg kan worden geconcludeerd dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat u mogelijkerwijze op grond van uw etnische origine (R.) actueel in XXX wordt vervolgd in de zin van de Conventie van Genève van 1951. Bovendien dateert het laatste concrete incident dat u in uw verklaringen aanhaalt van de winter van 1999 (DVZ, vraag 42). U bleef echter tot 10 september 2000 in XXX. Door dit lange verblijf in XXX, in casu de periode van de winter van 1999 tot 10 september 2000, rijzen er toch wel ernstige twijfels over de door u ingeroepen vrees voor vervolging en over de ernst van de door u ingeroepen feiten. Gelet op het voorgaande kan er met betrekking tot uw asielaanvraag geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging worden weerhouden. De door u in het kader van uw asielaanvraag neergelegde documenten (geboorteakte, uittreksel militair boekje) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet aangezien ze enkel uw persoonsgegevens bevatten. Aangezien het kennelijk ongegronde en bedrieglijk(
  2. e)karakter van uw asielaanvraag duidelijk blijkt uit uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en uit uw beroepschrift, acht ik het niet opportuun u nog op te roepen voor een verhoor op het Commissariaat-generaal. (...).”. 2. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat de verwerende partij in haar nota een exceptie opwerpt dat het verzoekschrift geen uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel bevat, of minstens nalaat op afdoende wijze melding te maken van een eventueel moeilijk te herstellen ernstig nadeel in geval van een onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing; XIV-9694-3/5 Overwegende dat verzoeker een nadeel aanvoert dat als volgt luidt: “Dat hij eveneens bij gebreke aan schorsing riskeert een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te lijden. Dat inderdaad hij riskeert teruggezonden te worden naar een land waar zijn leven, zijn fysieke en psychische integriteit in gevaar is. Dat bovendien verzoeker een sportman is van hoog niveau. Dat hij inderdaad zowel in zijn land van oorsprong als in België deelnam aan schermactiviteiten. Dat hij in zijn land van oorsprong -vooraleer het sporten hem onmogelijk werd gemaakt omwille van zijn R. origine- zelfs de gouden medaille behaalde op de Aziatische spelen van 1994 met zijn ploeg (copie in bijlage). Dat hij ook in België deelnam aan diverse wedstrijden. Dat hij ook hier regelmatig op het podium verschijnt. Dat indien hij teruggezonden wordt naar zijn land van oorsprong deze sportieve activiteiten definitief afgebroken zullen worden. Dat hij meent dat deze nadelen moeilijk en zelfs niet herstelbaar zijn.”; Overwegende dat verzoeker samengevat aanvoert dat bij een eventuele terugkeer naar zijn land van herkomst zijn leven in gevaar is en zijn sportieve activiteiten zullen worden onderbroken; Overwegende dat een algemene verwijzing, die geen nadere feitelijke gegevens bevat, naar het feit dat verzoekers leven en zijn fysieke en psychische integriteit in gevaar zijn, niet volstaat om aan te duiden waarom en hoe de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een persoonlijk en moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou berokkenen aan verzoeker; Overwegende dat de verwijzing naar de eventuele stopzetting van verzoekers sportieve activiteiten in België, die werden aangevat tijdens een precair verblijf, niet kan worden aanvaard als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat verzoeker immers wist dat zijn sportactiviteiten in België tijdelijk waren in afwachting van een beslissing over zijn asielaanvraag; dat verzoeker tenslotte in huidig stadium van de procedure niet bewijst dat hij een “sportman van hoog niveau is”, aangezien de stukken met het nummer 9 (kopie van de gouden medaille) en 4 (kopieën van krantenartikelen) niet zijn gevoegd bij het verzoekschrift tot schorsing en de stukken zich evenmin in het administratief dossier bevinden; Overwegende dat verzoeker het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet met concrete gegevens aantoont; dat de exceptie van de verwerende partij gegrond is; 3. Overwegende dat niet is voldaan aan één van de twee door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State cumulatief opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, XIV-9694-4/5 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De kosten worden in beraad gehouden. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-9694-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.073 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.