id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.076 Rolnummer: A. 149352/VII-31863 Zaak: Arrest 137076 - - 09/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-22 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 13:29 Fiche Arrest nr 137.076 van 9 november 2004 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.076 van 9 november 2004 in de zaak A. 149.352/VII-31.863. In zake : Jean-Marie FASSEUR, die woonplaats kiest bij Advocaten V. TOLLENAERE en P. DE WILDE, kantoor houdende te GENT, Koning Albertlaan 128 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan 20. tussenkomende partij : de n.v. METZELER A.P.S. BENELUX, die woonplaats kiest bij Advocaten D. RYCKBOST en E. RYCKBOST, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 80. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jean-Marie FASSEUR op 22 maart 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 5 januari 2004 van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking waarbij het beroep dat de n.v. METZELER A.P.S. BENELUX had ingesteld tegen het besluit van 3 juli 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende weigering van de vergunning voor het veranderen door wijziging en uitbreiding van een inrichting voor de productie van rubber- en kunststofartikelen, gelegen aan de Edward Pynaertkaai 82 te Gent, gegrond wordt verklaard, het beroepen besluit wordt opgeheven en aan de n.v. METZELER A.P.S. BENELUX de gevraagde vergunning wordt verleend voor een termijn van drie jaar; Gezien de nota van de verwerende partij; VII-31.863-1/9 Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 oktober 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. DE WILDE, die verschijnt voor verzoeker, van Advocaat F. DE BISSCHOP die, loco Advocaat I. LAUREYS verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat D. RYCKBOST, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat met een verzoekschrift van 8 april 2004 de n.v. METZELER A.P.S. BENELUX, aan wie de bestreden vergunning werd verleend, vraagt om in het aanhangig gemaakte kort geding te mogen tussenkomen; dat op dit verzoek kan worden ingegaan; 2. Overwegende dat op 27 mei 2004, buiten de voorgeschreven termijn van 15 dagen de tussenkomende partij nog een aanvullende memorie heeft ingediend, die uit de debatten moet worden geweerd; 3. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 3.1. Aan de Edward Pynaertkaai 82 te Gent exploiteert de n.v. METZELER A.P.S. BENELUX een fabriek waar voornamelijk rubberen afdichtingsprofielen en kantbeschermingen voor de auto-industrie worden geprodu- ceerd. VII-31.863-2/9 De vergunningstoestand van de inrichting ziet er als volgt uit : De basisvergunning voor het vervaardigen van artikelen in rubber en kunststof dateert van 4 augustus 1994 en werd verleend voor een termijn tot 31 augustus 2011. Daarnaast beschikt het bedrijf over twee lozingsvergunningen, beiden verleend op 11 december 1978, de ene voor het lozen van 60 m3/uur en 1.200 m3/dag koelwater in oppervlaktewater, de andere voor het lozen van 20 m3/uur en 60 m3/dag afvalwater in de openbare riolering. Ten slotte beschikt de exploitant over een springstoffenvergunning voor het opslaan en gebruiken van maximaal 3 ton azodicarbonamide (ADC), verleend bij besluit van 12 december 2002 van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen. 3.2. Op 6 januari 2003 dient de n.v. METZELER A.P.S. BENELUX bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een aanvraag in voor het veranderen van haar bestaande inrichting. Met de aanvraag wordt de regularisatie nagestreefd van een aantal wijzigingen die op het bedrijf zijn doorge- voerd sinds het verlenen van de basisvergunning, zonder dat evenwel geraakt wordt aan de essentiële elementen van het productieproces. De aangevraagde verandering bevat een luik "wijziging" en een luik "uitbreiding". De beoogde wijzigingen hebben betrekking op : - de reductie van het debiet van het geloosde koelwater van 60 m3/uur (vergund) tot 26,25 m3/uur; - de vermindering van het vergunde aantal van 4 transformatoren tot één transformator van 500 kVA; - de vermindering van de vergunde opslag voor 8 ton giftige stoffen tot 0,5 ton; - de reductie van de vergunde opslag voor 9.000 liter P3-vloeistoffen tot 1.500 stookolie en 832 liter afvalolie - het terugbrengen van het vergunde vermogen van in totaal 1.315 kW voor de diverse rubberbewerkingstoestellen tot een vermogen van 1.138 kW; - de vervanging van drie vergunde stookinstallaties door vier nieuwe stookinstallaties met een totaal thermisch vermogen van 1.895 kW. Het luik "uitbreiding" bestaat in concreto uit : - het lozen van maximaal 0,08 m3/uur, 2 m3/dag en 440 m3/jaar huishoudelijk afvalwater in oppervlaktewater (deels rechtstreeks en deels via twee septische putten); - een transformator met een nominaal vermogen van 1.600 kVA; - de verhoging van het vergunde vermogen van de compressoren van 67 kW tot 81 kW; VII-31.863-3/9 - de uitbreiding van de vergunde opslag voor gas in flessen van 400 liter tot 623 liter; - de uitbreiding van de vergunde opslag voor oxiderende, schadelijke, corrosieve en irriterende stoffen van 11 ton tot 36,55 ton; - de opslag van in totaal 2.080 liter motorolie in vaten; - de opslag van 4,05 ton milieugevaarlijke stoffen; - een brandstofverdeelslang voor diesel; - het verhogen van het vergund vermogen van de metaalbewerkingsmachines van 8 kW tot 25,27 kW; - de uitbreiding van de vergunde opslag voor 60 ton rubber en 50 ton afgewerkte producten tot een totaal van 600 ton; - de opslag van 3 ton springstoffen (zijnde azodicarbonamide); - een put voor het winnen van grondwater met een debiet van 46 m3/dag en 12.000 m3/jaar. 3.3. Het openbaar onderzoek dat naar aanleiding van de vergunningsaanvraag gehouden wordt, levert talrijke bezwaren van de omwonenden op. In de 201 ingediende bezwaarschriften zou onder meer melding gemaakt worden van geurhinder (rubbergeur), geluidshinder, overlast door het zware vrachtverkeer en de veiligheidsrisico’s verbonden aan de opslag van diverse gevaarlijke stoffen waaronder springstoffen. De omwonenden zien het bedrijf, dat niet zou thuishoren in een woonzone, liever herlocaliseren naar een meer geschikte vestigingsplaats. 3.4. Met een besluit van 3 juli 2003 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de gevraagde vergunning. Het weigeringsbe- sluit is uitvoerig gemotiveerd in het licht van de bezwaren die geopperd werden tijdens het openbaar onderzoek. De hierna geciteerde overwegingen lijken het meest cruciaal te zijn : "(...); Overwegende dat het bedrijf ongeveer 80 werknemers tewerkstelt en exploiteert op een perceelsoppervlakte van 10.274 m2; dat, gelet op de onmiddellijke omgeving die zeer dicht bevolkt is door een aaneenschakeling van rijwoningen en appartementsgebouwen en de talrijke bezwaren en klachten die tijdens het openbaar onderzoek geuit werden, bezwaarlijk van verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving sprake kan zijn; (...); Overwegende dat met betrekking tot de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren het volgende kan gesteld worden : (...);
- d)Het bedrijf hoort niet thuis in woonzone; het bedrijf kan niet meer als een kleinbedrijf beschouwd worden. VII-31.863-4/9 Het bedrijf bevindt zich volgens het gewestplan in een woongebied. Woongebieden zijn onder meer bestemd voor heid met de onmiddellijke omgeving sprake zijn. (...); Overwegende dat de inrichting rekening houdend met haar kenmerken en omvang, en rekening houdend met de ligging ten overstaan van gebieden die hindergevoelig zijn, een te grote negatieve impact zou hebben op mens en leefmilieu; Overwegende dat de inrichting milieuhygiënisch en planologisch niet verenigbaar is met de omgeving; (...)". 3.5. Op 5 augustus 2003 stelt de n.v. METZELER A.P.S. BENELUX bij de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking beroep in tegen voormelde beslissing van de bestendige deputatie van de provincie- raad van Oost-Vlaanderen tot weigering van de milieuvergunning. In het beroep- schrift wordt melding gemaakt van het voornemen om op korte termijn te herlocalise- ren. Evenwel wordt de minister verzocht rekening te houden met een "redelijke overgangstermijn" van drie jaar om de herlocalisatie effectief te kunnen realiseren. In tussentijd zou aan de klachten van de omwonenden tegemoet worden gekomen door een aantal bijkomende maatregelen om de hinder en de risico's voor de buurt te beperken. 3.6. In het kader van de beroepsprocedure worden vervolgens verschillende adviezen uitgebracht : a. Door de Cel Monumenten en Landschappen van de afdeling ROHM Oost-Vlaanderen wordt op 4 september 2003 meegedeeld dat de inrichting niet binnen de grenzen van een voorlopig of definitief beschermd landschap valt, noch eraan grenst. b. Op 9 september 2003 handhaaft de Vlaamse Milieumaatschappij het voorwaardelijk gunstig advies dat zij tijdens de procedure in eerste aanleg heeft uitgebracht. c. De Gezondheidsinspectie verleent op 15 september 2003 gunstig advies voor het verlenen van de milieuvergunning voor een beperkte herlocalisatietermijn van drie jaar. VII-31.863-5/9 d. In het advies van 16 oktober 2003 van de afdeling Milieuver- gunningen wordt voorgesteld om de gevraagde vergunning te verlenen voor een proefperiode van één jaar (binnen die zeer korte termijn zou een "constructieve oplossing" gezocht moeten worden voor de geurproblematiek). e. Door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt op 20 oktober 2003 voorgesteld om het beroep gegrond te verklaren en de vergunning te verlenen voor een termijn van drie jaar. 3.7. In de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie is sprake van een recente beslissing van de Europese directie van de multinationale onderneming waartoe de n.v. METZELER A.P.S. BENELUX behoort om de productie in de Gentse afdeling op zeer korte termijn te halveren. Ingevolge die beslissing zou de exploitant besloten hebben de betwiste vergunningsaanvraag aan te passen "tot wat strikt noodzakelijk is gezien de verminderde productie". Concreet blijken die ultieme aanpassingen betrekking te hebben op het volgende : - de opslag van giftige stoffen wordt verder gereduceerd tot 0,2 ton (initieel werd 0,5 ton aangevraagd); - de gevraagde uitbreiding van de opslag voor oxiderende, schadelijke, corrosieve en irriterende stoffen wordt teruggebracht tot 15,85 ton in totaal (initieel werd 36,55 ton aangevraagd); - de opslag van 4,05 ton milieugevaarlijke stoffen daalt tot 3,4 ton; - de totale opslag van rubber en afgewerkte producten wordt beperkt tot 400 ton i.p.v. 600 ton zoals oorspronkelijk aangevraagd; - de opslag van springstoffen daalt tot 1,75 ton (i.p.v. 3 ton). 3.8. Met een besluit van 5 januari 2004 van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking wordt het door de n.v. METZELER A.P.S. BENELUX ingestelde beroep gegrond verklaard, wordt het beroepen besluit opgeheven en wordt de gevraagde milieuvergunning, zoals aangepast in de loop van de vergunningsprocedure, verleend voor een termijn van drie jaar. Dit besluit maakt het voorwerp uit van voorliggende vordering tot schorsing; VII-31.863-6/9 4. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.1. Overwegende, wat de voorwaarde inzake het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat verzoeker in zijn verzoekschrift volgend betoog houdt : "De verzoekende partij lijdt als gevolg van de tenuitvoerlegging van het bestreden ministerieel besluit een evident moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Uit de feitenuiteenzetting hiervoor en de stavende stukken van de verzoekende partij blijkt genoegzaam dat de verzoekende partij bovenmatige hinder (geluid, geur, verkeer van personeel en vrachtvervoer) lijd(t). Brevitatis causa wordt in dit verband verwezen naar de feitenuiteenzetting hiervoor en de stavende stukken met o.a. de talrijke en aanhoudende, en overigens gegronde klachten en bezwaren van de verzoekende partij, alsmede 200 buren. Deze bewezen hinder is inherent aan de -vergunde- exploitatie van de inrichting. Door de bestreden milieuvergunning -te onderscheiden van een herlocalisa- tievergunning (supra)- zullen de toekomstige klachten en bezwaren van de verzoekende partij in verband met de (vergunde) exploitatie nog minder geloofwaardigheid verkrijgen en zal er zodoende, zo mogelijk, nog minder gevolg aan word(
- en)gegeven dan in het verleden al het geval was. De bestreden milieuvergunning legt ook zoveel onderzoeken op (geluid, geur, emissie, afvalwater ...) dat de klachtenbehandeling in de toekomst ook daarvan zal afhankelijk worden gesteld derwijze dat de bestrijding ervan op zich zal laten wachten zodat de hinder in de toekomst zich zal blijven manifesteren zonder dat zal worden ingegrepen om die hinder meteen de kop in te drukken en dat niettegenstaande het feit dat de milieuvergunningsvoorwaarden ( werden opgelegd om die hinder (onmiddellijk) tot een aanvaardbaar niveau te herleiden. De opgelegde maatregelen om de hinder in te dijken, nemen de hinder niet weg. Het spreekt voor zich dat deze zeer reële bovenmatige hinder in de diverse vormen een nefaste invloed heeft op de gezondheid van de verzoekende partij en zijn gezin, op een rustig woongenot waar zij ingevolge de gewestplanbe- stemming recht op hebben, op de waarde van hun eigendom/gezinswoning. Het hoeft geen betoog dat de aanwezigheid van het bedrijf en de exploitatie ervan met daaraan inherent verbonden al deze vormen van hinder een aanzienlijke (vrije) tijdsbesteding vergen van de verzoekende partij (formuleren van klachten, zich voortdurend informeren over de evolutie van de vergunningstoestand van het bedrijf, van hun gerechtvaardigde klachten enz.) die bovendien ook aanzienlijke geldelijke middelen vergen enkel in hun streven naar datgene waar zij recht op hebben : een woongenot conform de gewestplanbestemming, het grondrecht op een gezond leefmilieu enz. Volledigheidshalve dient gesteld dat de (latere) enkele nietigverklaring van het bestreden besluit dit MTHEN niet zal wegnemen of herstellen en de schorsing van de tenuitvoerlegging zich om die reden dan ook opdringt. Bovendien wordt er op gewezen dat de middelen een hoge graad van ernst vertonen derwijze dat het ingeroepen MTHEN voor de hand ligt"; VII-31.863-7/9 4.2.1. Overwegende dat uit het feitenrelaas blijkt dat met het bestreden besluit aan de tussenkomende partij vergunning werd verleend voor een aantal wijzigingen aan de bestaande exploitatie en voor de uitbreiding ervan met sommige bestanddelen die evenwel niet van wezenlijke invloed blijken te zijn op het productieproces noch een noemenswaardige productieverhoging tot gevolg kunnen hebben; dat verzoeker in zijn uiteenzetting met geen woord rept over een substantieel bijkomend nadeel dat rechtstreeks aan de vergunde uitbreidingen -de beoogde wijzigingen houden enkel een vermindering in van het reeds vergunde- kan worden toegeschreven; dat het door verzoeker aangevoerde nadeel dat gelegen zou zijn in een ernstige aantasting van zijn levens- en woonkwaliteit door geluids-, geur- en verkeershinder in wezen voortvloeit uit de basisvergunning van 4 augustus 1994 op grond waarvan de tussenkomende partij haar inrichting tot 31 augustus 2011 mag exploiteren; dat een schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit die nadelen niet kan wegnemen; 4.2.2. Overwegende dat de twijfel die verzoeker uit over de wijze van afhandeling van zijn toekomstige klachten tegen het bedrijf van de tussenkomende partij door geen enkel element kracht wordt bijgezet; dat het om een louter hypothetisch nadeel gaat; 4.2.3. Overwegende dat het aangevoerde nadeel niet in functie van de ernst van de beweerde onwettigheden moet worden beoordeeld; dat, immers, opdat de schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte zou kunnen worden bevolen aan twee grondvoorwaarden cumulatief moet zijn voldaan, namelijk het aanvoeren van een ernstig middel dat tot de vernietiging van de aangevochten akte kan leiden en het berokkenen van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte; 4.2.4. Overwegende dat derhalve aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, VII-31.863-8/9 BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. METZELER A.P.S. BENELUX in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-31.863-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.076 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.956 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div