← België

Arrest 137079 - - 09/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.079 Rolnummer: A. 78297/VII-16599 Zaak: Arrest 137079 - - 09/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-25 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 13:30 Fiche Arrest nr 137.079 van 9 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.079 van 9 november 2004 in de zaak A. 78.297/VII-16.599. In zake : André HOEBEN, die woonplaats kiest bij Advocaat K. GEELEN, kantoor houdende te HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van LIMBURG. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat André HOEBEN op 15 april 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 12 februari 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij, ingevolge het beroep dat een omwonende had ingesteld tegen het besluit van 15 september 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zonhoven houdende het verlenen aan verzoeker van de vergunning voor het verder exploiteren van een schrijnwerkerij, gelegen aan de Beringersteenweg 14 te Zonhoven, hem de vergunning wordt geweigerd voor de uitbreiding van de bestaande inrichting met een paneelzaag; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 28 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-16.599-1/13 Gelet op de beschikking van 16 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 oktober 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. DEDECKER die, loco Advocaat K. GEELEN verschijnt voor verzoeker, en van Bestuurssecretaris I. WILLEMS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Verzoeker stelt bij wijze van hobby een schrijnwerkerij te exploiteren aan de Beringersteenweg 14 te Zonhoven. De inrichting heeft in het verleden het voorwerp uitgemaakt van een exploitatievergunning voor "een machinale schrijnwerkerij met drie electro- motoren, respectievelijk 4-5 en 5 pk, voor het drijven van een samengesteld machine, een bandschuurmachine en een aspirator, alsmede een opslagplaats van maximum 5m³ gezaagd hout", verleend bij besluit van 8 augustus 1968 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg voor een termijn van dertig jaar, en van een vergunning tot uitbreiding met een opslagplaats voor 5.000 l gasolie in een ondergrondse houder, verleend bij besluit van 8 november 1979 van dezelfde overheid voor een termijn die samenvalt met de basisvergunning. Op te merken valt dat verzoeker in de loop der jaren is overgegaan tot de uitbreiding van zijn werkplaats. Tegen de linkerzijde van de vergunde werkplaats werd namelijk een nieuw atelier bijgebouwd dat paalt aan de perceels- grens. Die uitbreiding werd volledig gerealiseerd zonder dat verzoeker in het bezit was van de vereiste bouwvergunning. Een milieuvergunning werd evenmin aangevraagd alvorens de exploitatie aan te vatten. VII-16.599-2/13 1.2. Op 28 juli 1997 dient verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zonhoven een aanvraag in voor het verder exploiteren van de bestaande schrijnwerkerij, omvattende de opslag van 5.000 l mazout in een ondergrondse houder en diverse houtbewerkingsmachines met een totale geïnstalleerde drijfkracht van 10,3 kW. Tot het voorwerp van de aanvraag behoort tevens de uitbreiding van de inrichting met een paneelzaag met een drijfkracht van 5,1 kW. Met laatstgenoemd onderdeel van de aanvraag beoogt de exploitant de regularisatie van een reeds bestaande toestand. 1.3. Ongeveer gelijktijdig met bovenvermelde milieuvergunnings- aanvraag dient verzoeker een bouwaanvraag in strekkende tot de regularisatie van het gedeelte van de werkplaats, met een grondoppervlakte van 12 op 7 meter, dat gelegen is aan de linkerperceelgrens, vlak tegen de scheidingslijn met het aangrenzende perceel. 1.4. Met een besluit van 15 september 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zonhoven wordt de gevraagde vergunning "gedeeltelijk" verleend. Wat betreft het bouwvergunde gedeelte van de werkplaats wordt de verdere exploitatie toegestaan voor een nieuwe termijn van twintig jaar. Echter, wat het op stedenbouwkundig vlak nog te regulariseren gedeelte betreft, wordt in het besluit van 15 september 1997 bepaald dat de milieuvergunning "opgeschort" wordt "totdat de regularisatievergunning wordt afgeleverd" (artikel 1, § 2, van voormeld besluit). Er worden tevens een vijftal bijzondere exploitatievoorwaarden opgelegd (artikel 4, § 3). De tweede, derde en vierde voorwaarde bepalen wat volgt : "2) De afvalstoffen die vrijkomen van de werkzaamheden in het bedrijf dienen maximaal ter recyclage aangeboden te worden aan recyclage- bedrijven die hiervoor een specifieke vergunning dienen te bezitten. 3) Gezien de gebruikte bouwmaterialen van het gebouw dient een geluidsisolerende bekleding aangebracht te worden aan de binnenzijde van het gebouw. Deze geluidsisolerende bekleding dient zodanig aangebracht dat de naaste buur geen geluidshinder meer ondervindt van de werkzaamheden van de in bijberoep gehouden schrijnwerkerij. De Vlaremvoorwaarden zoals vervat in afdeling 4.5.1. omtrent geluidshinder dienen strikt toegepast te worden zonder afbreuk te doen aan de omschrijving van de toepassing van de beste beschikbare technieken (BBT). 4) Gezien het machinepark van de schrijnwerkerij, die in bijberoep wordt uitgebaat, van professionele aard is, dient de uitbater om trillingen afkomstig van de houtbewerkingsmachines, te voorkomen, trillingsopvangende steunblokken te voorzien onder de machines. Deze aanpassingswerken dienen rekening te houden met de omschrijving van de beste beschikbare technieken (BBT)." VII-16.599-3/13 1.5. Op 14 oktober 1997 stelt verzoeker bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg beroep in tegen voormeld deputatiebesluit van 15 september 1997. Dat beroep is beperkt tot artikel 1, § 2, van het in eerste aanleg genomen besluit waarin bepaald wordt dat de milieuvergunning geschorst wordt in afwachting van het verlenen van de regulariserende bouwvergunning. Daarenboven kant verzoeker zich tegen de in de milieuvergunning opgelegde verplichting tot het aanbrengen van bijkomende geluidsisolatie en trillingsopvangende steunblokken (derde en vierde punt van de bijzondere vergunningsvoorwaarden). 1.6. Er wordt ook administratief beroep aangetekend door Jos FRANCOIS-DEBROECK die woonachtig is op het perceel dat onmiddellijk grenst aan de vergunde schrijnwerkerij. In zijn beroepschrift vestigt de beroep- indiener er de aandacht op dat de activiteiten - die volgens hem op professionele wijze uitgeoefend zouden worden- plaatsvinden in gebouwen die voor het overgrote gedeelte wederrechtelijk zijn opgetrokken. De vergunde schrijnwerkerij zou gezien haar ligging in een woongebied en "onmiddellijk palend aan een verkaveling met residentieel karakter en open bebouwing", onverenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving en zou de ruimtelijke draagkracht van het gebied overschrijden. In het beroepschrift wordt ten slotte uitvoerig stilgestaan bij de hinderlijkheid van de inrichting die voornamelijk zou bestaan uit geluidsoverlast, trillingshinder en stofhinder. 1.7. Vervolgens worden in het kader van de beroepsprocedure verschillende adviezen uitgebracht : (

  1. a)Op 18 november 1997 verleent de afdeling Ruimtelijke Ordening een ongunstig advies over de aanvraag. In dat advies wordt gesteld dat de in woongebied gelegen inrichting "zowat op de perceelsgrens gesitueerd is wat aanleiding geeft tot privacyhinder en visuele hinder" en "een noodzakelijke bufferzone (...) daardoor niet (kan) gerealiseerd worden". (
  2. b)In het advies van 2 december 1997 van het bestuur Milieu- vergunningen wordt geadviseerd om het door de exploitant ingestelde beroep tegen de opgelegde bijzondere voorwaarden gegrond te verklaren. Die voorwaarden zouden namelijk weggelaten kunnen worden. Anderzijds wordt ook voorgesteld om het beroep van de omwonende gegrond te verklaren, zij het slechts gedeeltelijk in zoverre de aanvraag betrekking heeft op het te regulariseren gedeelte van de inrichting omvattende in concreto de uitbreiding met een paneelzaag van 5,1 kW. VII-16.599-4/13 Aan dat voorstel tot gedeeltelijke vergunningsweigering gaan de volgende beschouwingen vooraf : "Uit het onderzoek blijkt dat door de ligging en de bebouwing in de omgeving de exploitant meer maatregelen zal moeten treffen om hinder tot aanvaardbare grenzen te beperken, dan een gelijkaardige inrichting met een gunstigere ligging. De argumenten van beroeper over hinder ingevolge geluid, trillingen, geur, stof, verkeer zullen steeds moeilijker te beheersen zijn naarmate de activiteiten toenemen. Momenteel spreekt aanvrager over het hobby-karakter van de exploitatie terwijl volgens de buurman er momenteel reeds hinder wordt ondervonden. Of deze klachten gegrond zijn kan worden vastgesteld door metingen. Het valt te verwachten dat in bepaalde omstandigheden zoals het werken met open poort de geluidshinder overdreven zal zijn. Om dit te voorkomen kunnen bijzondere voorwaarden worden opgelegd welke van de exploitant een zekere discipline zullen vergen, doch moeilijk door de toezichthoudende overheid zullen kunnen worden gecontroleerd. Anderzijds zal de hinder eenvoudiger te voorkomen zijn naarmate de exploitatie zich van de perceelsgrens bevindt en de exploitatie beperkt blijft. Dit kan worden verwezenlijkt door de exploitatie te beperken tot het voorwerp van de lopende vergunning, aangezien men dan enerzijds terug beschikking krijgt over een strook van 7 m tussen de exploitatie en de gebuur, en anderzijds de activiteiten eerder beperkt blijven. Deze strook van 7 m kan dienstig zijn als buffer. Om deze redenen zijn we van oordeel dat de argumenten gedeeltelijk zijn gegrond nl. : * gegrond voor wat de uitbreiding betreft (in die zin dat voor de uitbreiding de op te leggen bijzondere voorwaarden om de hinder tot aanvaardbare grenzen te beperken steeds moeilijker te controleren zullen zijn door de toezicht- houdende overheid); * ongegrond voor het gedeelte van de lopende vergunning, aangezien er dan een strook is van 7 m die de mogelijkheid geeft om als buffer te gebruiken en de exploitatie beperkt blijft door de kleinere ruimte." (
  3. c)In zijn advies van 11 december 1997 stelt de deskundige Leefmilieu van het provinciebestuur van Limburg voor om de gevraagde vergunning enkel te verlenen voor wat betreft het reeds vergunde gedeelte van de inrichting. (
  4. d)Door de Provinciale Milieuvergunningscommissie wordt op 22 december 1997 voorgesteld om het beroepen besluit als volgt te wijzigen : "- ongunstig advies en weigering van de vergunning voor de uitbreiding met een paneelzaag; - schrapping van de bijzondere voorwaarden 2), 3) en 4) uit de vergunning van het Schepencollege alsmede de bepaling die inhoudt dat de vergunning geschorst blijft tot de regularisatie-bouwvergunning wordt afgeleverd." VII-16.599-5/13 1.8. Met een besluit van 12 februari 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg wordt het door André HOEBEN ingestelde beroep ingewilligd terwijl het door Jos FRANCOIS ingestelde beroep gedeeltelijk wordt ingewilligd. Aan het beroepen besluit van 15 september 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zonhoven worden de volgende wijzigingen aangebracht : - de vergunning voor de uitbreiding van de inrichting met een paneelzaag wordt geweigerd; - de bepaling waarin gesteld wordt dat "de vergunning wordt opgeschort voor wat betreft het gedeelte waarvoor een regulariserende bouwvergunning werd aangevraagd op 24 juli 1997 totdat de regularisatievergunning wordt afgeleverd" wordt geschrapt; - van de opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarden worden de tweede, derde en vierde weggelaten. De overige bepalingen van het beroepen besluit worden bevestigd; 2. De gegrondheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat verzoeker als enig middel de schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht; dat hij het middel als volgt toelicht : "De gevraagde vergunning voor de paneelzaag werd geweigerd op basis van een motivering die onvoldoende draagkracht heeft, minstens op basis van motieven die in feite niet correct zijn of onvoldoende naar waarheid zijn onderzocht. De vergunning voor de paneelzaag werd geweigerd op basis van de motivering dat de paneelzaag is opgesteld in een werkplaats die ingeplant is op de perceelsgrens waardoor een mogelijke hinder verplaatst zou worden naar de gebuur. De verzoekende partij betwist dat er enige geluidshinder zou zijn voor de buurman. De verzoekende partij wijst er op dat hij zijn exploitatie alleen gebruikt bij wijze van hobby. Dit betekent dat hij de toestellen slechts occasioneel gebruikt. Aangezien hij de enige is die gebruik maakt van de opgestelde toestellen kan er slechts één toestel tegelijkertijd in werking zijn. Bovendien staan deze toestellen allen opgesteld in een met baksteen gemetseld lokaal, dat afgesloten wordt met een houten poort, die steeds dicht is. Tenslotte wijst verzoekende partij er op dat het gebruik van een paneelzaag zeer beperkt is. Een dergelijke zaag wordt immers slechts gebruikt om houten panelen of latten recht af te zagen. In het geheel van een schrijnwerkerij-activiteit is dit slechts een beperkte activiteit, die vrij snel gebeurt. Het grootste deel van de schrijnwerkerij-activiteit wordt immers besteed aan het uitmeten en in elkaar passen van de houten onderdelen. Hierbij wordt een paneelzaag niet gebruikt. M.a.w. de verzoekende partij betwist enige geluidshinder voor de buurman. VII-16.599-6/13 Klaarblijkelijk is de bestendige deputatie zelf niet overtuigd van het feit dat er geluidshinder is. Zij spreekt immers van een mogelijke hinder. Deze hinder is echter nooit vastgesteld (is trouwens niet aanwezig). De bestendige deputatie stelt van deze hinder trouwens zelf dat de gegrondheid daarvan enkel door metingen kan worden vastgesteld. Deze metingen zijn evenwel niet aanwezig. De verzoekende partij dient derhalve vast te stellen dat de bestendige deputatie aan de verzoekende partij een vergunning weigert op grond van een niet bewezen hinder, die louter op grond van de bewering van de buurman aanvaard wordt. Er is immers geen enkel bewijs -zelfs geen begin van bewijs- dat deze hinder ook maar aanwezig zou zijn. Bovendien wijst verzoekende partij er op dat de bestendige deputatie voor alle andere toestellen aanvaardt dat een mogelijk geluidshinder binnen de normen blijft. Dergelijke motivering kan niet als behoorlijke motivering worden aanvaard, aangezien zij de vergunning weigert op basis van een feitelijkheid die niet aangetoond is"; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop volgend antwoord geeft : "Overwegende dat verzoekende partij als eerste en enige middel opwerpt dat het besluit dd. 12 februari 1998 van ons college genomen zou zijn met schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en meer in het bijzonder van de materiële motiveringsplicht daar de uitbreiding van de gevraagde hernieuwing van de vergunning met een paneelzaag geweigerd zou zijn enkel op basis van het argument dat de werkplaats ingeplant is op de perceelsgrens waardoor de mogelijke hinder verplaatst wordt naar de naastliggende gebuur, en de motivering derhalve onvoldoende draagkrachtig zou zijn en gebaseerd zou zijn op motieven die in feite niet correct zijn of onvoldoende naar waarheid onderzocht zouden zijn; dat in het bestreden besluit van ons college inderdaad vermeld werd dat de uitbreiding met de paneelzaag niet kon worden toegestaan gezien dit gebeurt in een werkplaats die ingeplant werd tot op de perceelsgrens waardoor de mogelijke hinder verplaatst wordt naar de naastliggende gebuur; dat dit gegeven evenwel overeenstemt met de werkelijkheid, vermits er toch geen discussie over bestaat dat de uitbreiding van de schrijnwerkerij zou plaatsvinden in een ten onrechte op de perceelsgrens opgericht gebouw; dat verder het motiverend gedeelte van het bestreden besluit dd. 12 februari 1998 niet beperkt gebleven is tot deze vermelding, maar dat een verdere precisering tevens expliciet weergegeven werd in het desbetreffende besluit; dat immers eveneens gesteld werd dat de hinder ingevolge geluid, trillingen, geur, stof en verkeer steeds moeilijker te beheersen zal zijn naarmate de activiteiten toenemen, de hinder beperkt kan worden naarmate de inrichting zich verder verwijderd bevindt t.o.v. de perceelsgrens met de naastliggende gebuur en door de exploitatie te beperken tot het voorwerp van de lopende vergunning men terug beschikking krijgt over een strook van 7 m tussen de exploitatie en de gebuur die dienst kan doen als buffer, enerzijds en de activiteiten eerder beperkt blijven anderzijds; dat om die redenen ons college van oordeel was dat wel de hernieuwing van de bestaande vergunning kon toegestaan worden, maar niet de uitbreiding ervan vermits de omgeving niet geschikt is voor grotere exploitaties; dat deze visie toch moeilijk onredelijk kan genoemd worden en trouwens ondersteund wordt door de tijdens de beroepsprocedure uitgebrachte adviezen die alle in dezelfde zin geformuleerd werden met name het advies van de ROHM VII-16.599-7/13 Limburg, het advies van AMINAL, het advies van de provinciale milieuambtenaar en het advies van de provinciale milieuvergunningscommissie (zie inventaris stukken nrs. 21, 22, 23 en 25); dat in het besluit van ons college ook uitdrukkelijk verwezen wordt naar de motiveringen van de hogervermelde adviezen die gedetailleerd in het besluit zelf opgenomen zijn; dat derhalve het bestreden besluit niet enkel beantwoordt aan de materiële motiveringsplicht -hetgeen verzoeker betwist- maar ook aan de formele motiveringsplicht; dat verzoekende partij weliswaar opwerpt in haar verzoekschrift dat de gebuur geen geluidshinder zou ondervinden vermits zij enkel de schrijnwerkerij exploiteert als hobby, dat zij evenwel volstrekt nalaat enig criterium te geven van het hobbyistisch karakter ervan en trouwens ook de zoon van verzoekende partij mee zou helpen in de schrijnwerkerij, zodat ten zeerste kan getwijfeld worden aan dit door verzoeker aangehaalde gegeven, te meer daar - zoals uit onder andere de foto's blijkt - de schrijnwerkerij toch wel te groot wordt om enkel als hobby geëxploiteerd te worden (zie inventaris stuk 23a); dat verder niet de installatie van een paneelzaag op zich maar wel de uitbreiding van de exploitatie niet opportuun geacht werd door ons college op een perceel grenzend aan een verkaveling met residentiële woningen, zodat de argumenten van verzoeker Hoeben betreffende het beperkte gebruik van de paneelzaag mocht dit al correct zijn of betreffende het wel aanvaarden door ons college van het niet overdreven karakter van de hinder veroorzaakt door de bestaande toestellen, en niet van dat van een paneelzaag, ter zake niet afdoende kunnen zijn om het oordeel van ons college in twijfel te trekken; dat wat tot slot het argument van verzoekende partij betreft inzake het feit dat in het besluit van ons college gesteld werd dat de hinder die de heer François beweert te lijden enkel kan worden vastgesteld door metingen en deze niet gekend zijn, dient te worden opgemerkt dat het hier over de hinder gaat veroorzaakt door de huidige exploitatie waarvoor een hernieuwing van de vergunning door de verzoekende partij aangevraagd werd en door ons college ook toegestaan werd en niet over de hinder die veroorzaakt zou worden door de uitbreiding van de bestaande vergunning, hetgeen uiteraard nog niet kan gemeten worden vermits er thans slechts een aanvraag voor is die geweigerd werd; dat ons college, vermits niet aannemelijk was dat de hinder veroorzaakt door de bestaande exploitatie overdreven was, ook geoordeeld heeft dat de klachten betreffende de hinder van gebuur François niet in aanmerking dienden genomen te worden, zodat de hernieuwing kon toegestaan worden; dat echter wat de uitbreiding betreft, het zo is dat volgens de regels van de logica bij toename van de exploitatie, ook de hinder voor de omgeving onvermijdelijk zal toenemen, hetgeen in casu des te meer het geval is gelet op de beperkte ruimte tussen de exploitatie van de uitbreiding van de schrijnwerkerij, met name op de perceelsgrens, en de woning van de naaste gebuur en de residentiële verkaveling in de onmiddellijke omgeving; dat verder de hinder voor de naastliggende gebuur logischerwijze beperkter wordt naarmate de inrichting zich verder verwijderd bevindt opzichtens de perceelsgrens; dat derhalve uit dit gegeven voortvloeit dat het aangewezen was dat de exploitatie van de schrijnwerkerij beperkt werd tot het voorwerp van de lopende vergunning vermits er dan terug een strook van 7 meter tussen de exploitatie en de gebuur zou ontstaan en de activiteiten eerder beperkt dienden te blijven, waardoor de hinder binnen de aanvaardbare grenzen kon gehouden worden voor de buurt; dat ons college zo ook beslist heeft; dat ons college bijgevolg na de belangen van de betrokken partijen tegen elkaar afgewogen te hebben, in alle redelijkheid en op basis van een juiste feitenvinding tot het bestreden besluit dd. 12 februari 1998 gekomen is met name VII-16.599-8/13 - toestaan van de hernieuwing van de bestaande vergunning voor de schrijnwerkerij die er reeds 30 jaar gevestigd was - weigering van de uitbreiding van die schrijnwerkerij vermits de hinder voor de residentiële omgeving en inzonderheid voor de naaste gebuur er te groot door zou worden; dat deze redengeving ook expliciet vermeld werd in het desbetreffende besluit van ons college; dat dit besluit dan ook zowel aan de materiële als aan de formele motiveringsplicht voldoet; dat vermits ons college derhalve de toestand geenszins onredelijk heeft beoordeeld, uw Raad zijn mening niet in de plaats kan stellen van die van ons college (cf. R.v.St., arr. MARTENS, nr. 40.053 dd. 28 juli 1992)"; 2.3. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker volgende repliek geeft : "Verwerende partij werpt op dat het argument van verzoekende partij betreffende het beperkt gebruik van zaag niet ter zake afdoende kan zijn, vermits het niet de installatie van een paneelzaag op zich maar wel de uitbreiding van de exploitatie niet opportuun acht. Dit argument gaat natuurlijk niet op, vermits de uitbreiding van de exploitatie juist neerkomt op een uitbreiding met de paneelzaag. Het bestaan van enige geluidshinder voor de buurman ten gevolge van de installatie en het gebruik van een paneelzaag wordt dus ten stelligste betwist. De beslissing van verwerende partij is onvoldoende gemotiveerd. Zij is immers louter en alleen gebaseerd op het feit dat de mogelijke hinder verplaatst wordt naar de naastliggende buur door de inplanting op de perceelsgrens. Uit rechtspraak van de Raad van State blijkt dat dergelijke motivering te summier en onvoldoende concreet is. In een vergelijkbaar geval oordeelde de Raad dat de kwestieuze beslissing tot weigering van een vergunning op basis van het motief 'te beperkte ruimtelijke scheiding' te summier en onvoldoende concreet was, daar er door geen enkele reglementaire bepaling voor de inrichting een afstandsregel was voorzien, en men er dus moest van uitgaan dat dergelijke (uit te breiden) inrichtingen niet zomaar (bijkomende) hinder met zich brachten. Ook voor de paneelzaag, inrichting ingedeeld in de rubriek 19.3.2., zijn er door Vlarem II geen afstandsregels voorzien. Verzoekende partij werpt op dat het motiverend gedeelte van het bestreden besluit dd. 12 februari 1998 niet beperkt gebleven is tot hogervermelde (onvoldoende) motivering, maar eveneens gesteld werd dat de hinder ingevolge geluid, trillingen, geur, stof en verkeer steeds moeilijker te beheersen zal zijn naarmate de activiteiten toenemen, de hinder beperkt kan worden naarmate de inrichting zich verder verwijderd bevindt t.o.v. de perceelsgrens met de naastliggende gebuur en door de exploitatie te beperken tot het voorwerp van de lopende vergunning men terug beschikking krijgt over een strook van 7 m tussen de exploitatie en de gebuur die dienst kan doen als buffer, enerzijds en de activiteiten eerder beperkt blijven anderzijds. Hier voegt verwerende partij niets toe aan hogervermelde motivering. Deze overweging toont alleen maar aan dat verwerende partij zelf niet overtuigd is van het feit dat er hinder is. Het is immers een uitermate selectieve weergave. Verwerende partij stelt in haar beslissing immers : 'Overwegende dat de tijdens het openbaar onderzoek ingediend bezwaren en opmerkingen (eveneens afkomstig van onderhavige derde beroeper) grotendeels kunnen worden weerlegd; VII-16.599-9/13 Dat de hinder ingevolge geluid, trillingen, geur, stof, verkeer steeds moeilijker te beheersen zal zijn. Dat de gegrondheid van deze klachten enkel kan worden vastgesteld door metingen; Dat deze hinder kan beperkt worden naarmate de inrichting zich verder verwijderd bevindt t.o.v. de perceelsgrens met de naastliggende buur; ...'; De hinder is echter nooit vastgesteld (is trouwens niet aanwezig). Metingen waardoor de gegrondheid van de klachten zou kunnen worden vastgesteld, zijn niet voorhanden. Verwerende partij kan moeilijk volhouden dat de bewering in haar beslissing 'dat de gegrondheid van deze klachten enkel kan worden vastgesteld door metingen' enkel betrekking heeft op de hinder veroorzaakt door de bestaande exploitatie, en niet de hinder veroorzaakt door de uitbreiding van de bestaande vergunning. De klachten hebben immers betrekking op milieuvergunning in haar geheel. Zelfs indien de Raad zou oordelen dat de bewering enkel betrekking heeft op de bestaande exploitatie, dan kan in elk geval verwezen worden naar een eerder overweging in haar beslissing, waarin verwerende partij spreekt van een mogelijke hinder ('Dat de uitbreiding met de paneelzaag echter niet kan worden toegestaan gezien dit gebeurt in een werkplaats welke werd ingeplant tot op de perceelsgrens waardoor mogelijke hinder verplaatst wordt naar de naastliggende buur ...') De verzoekende partij dient derhalve vast te stellen dat de bestendige deputatie aan de verzoekende partij een vergunning weigert op grond van een niet bewezen hinder, die louter op grond van de bewering van de buurman aanvaard wordt. Er is immers geen enkel bewijs -zelfs geen begin van bewijs- dat deze hinder ook maar aanwezig zou zijn. De beslissing van verwerende partij is dus gebaseerd op een tegenstrijdige motivering, daar zij enerzijds spreekt van mogelijke hinder (die nog onderzocht moet worden door metingen) en anderzijds toch al aangeeft hoe de (beweerde) hinder kan beperkt worden (en er dus van uit gaat dat er effectief hinder is). Tenslotte wijst verzoekende partij er op dat verwerende partij voor alle andere toestellen aanvaardt dat een mogelijke geluidshinder binnen de normen blijft"; 2.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog doet gelden dat er in casu geen sprake is van hinder, dat de ligging van de perceelsgrens t.o.v. de naastliggende gebuur een onvoldoende motief uitmaakt om de vergunning te weigeren en dat aldus de motivering gestoeld op de ligging van de werkplaats op de perceelgrens niet voldoende is; dat hij ook nog stelt dat de Raad van State enkel kan nagaan of de beoordeling niet kennelijk onredelijk is, maar dat dit de vergunningverlenende overheid niet van de motiveringsverplichting ontslaat; VII-16.599-10/13 2.5.1. Overwegende dat in casu het bestreden besluit eensdeels motieven bevat die de hernieuwing van de vergunning voor de voorheen vergunde exploitatie verantwoorden en, anderdeels, motieven bevat die de beslissing tot weigering van de gevraagde uitbreiding van de inrichting met een bijkomende paneelzaag in het stedenbouwkundig niet-vergunde gedeelte van de werkplaats verantwoorden; Overwegende dat met betrekking tot de gevraagde uitbreiding in het bestreden besluit wordt overwogen dat "de uitbreiding met een paneelzaag (...) niet kan worden toegestaan gezien dit gebeurt in een werkplaats welke werd ingeplant tot op de perceelsgrens waardoor de mogelijke hinder verplaatst wordt naar de naastliggende gebuur"; dat voorts het volgende wordt overwogen : "Overwegende dat de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren en opmerkingen (eveneens afkomstig van onderhavige derde beroeper) grotendeels kunnen worden weerlegd; dat de hinder ingevolge geluid, trillingen, geur, stof, verkeer, steeds moeilijker te beheersen zal zijn naarmate de activiteiten toenemen; dat de gegrondheid van deze klachten enkel kan worden vastgesteld door metingen; dat deze hinder kan beperkt worden naarmate de inrichting zich verder verwijderd bevindt t.o.v. de perceelsgrens met de naastliggende gebuur; dat dit kan worden verwezenlijkt door de exploitatie te beperken tot het voorwerp van de lopende vergunning aangezien men dan enerzijds terug de beschikking krijgt over een strook van 7 m tussen de exploitatie en de gebuur en anderzijds de activiteiten eerder beperkt blijven. Deze strook van 7 m kan dan dienstig zijn als buffer. dat derhalve de argumenten gegrond zijn voor wat de uitbreiding betreft (in die zin dat voor de uitbreiding de op te leggen bijzondere voorwaarden om de hinder tot aanvaardbare grenzen te beperken steeds moeilijker te controleren zullen zijn door de toezichthoudende overheid), en ongegrond zijn voor het gedeelte van de lopende vergunning, aangezien er dan een strook is van 7 m die de mogelijkheid geeft om als buffer te gebruiken en de exploitatie beperkt blijft door de kleinere ruimte; dat uit het onderzoek blijkt dat er voldoende aanleiding bestaat de gevraagde uitbreiding met een paneelzaag te weigeren"; dat onder meer op grond van bovenstaande motieven in het bestreden besluit ten slotte wordt geconcludeerd dat "er voldoende aanwijzingen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van de aangevraagde vergunningsplichtige activiteiten ter plaatse geen overdreven hinder en/of gevaar zullen opleveren voor de buurt en het milieu aldaar (...) behalve wat betreft de exploitatie van een paneelzaag waarvoor het past de gevraagde milieuvergunning te weigeren"; 2.5.2. Overwegende dat de aangehaalde motieven ondubbelzinnig aangeven dat de ligging van het te regulariseren gedeelte van de werkplaats een determinerende invloed heeft gehad bij de beoordeling van de uitbreidingsaanvraag, VII-16.599-11/13 zoals overigens terecht wordt aangegeven in de memorie van antwoord; dat in wezen de motieven van het aangevochten besluit er immers op neerkomen dat de vergunningverlenende overheid het risico op overdreven hinder voor de naaste buur te groot achtte wanneer er schrijnwerkerij-activiteiten zouden plaatsvinden in een gebouw dat, zonder enige buffer, tot vlak op de perceelsgrens is opgetrokken; dat die motivering vanuit formeel opzicht afdoende is; dat in tegenstelling tot wat verzoeker in zijn laatste memorie voorhoudt het hindersaspect samen werd gezien met de ligging van de werkplaats vlak op de perceelsgrens; 2.5.3. Overwegende dat de Raad van State zich met betrekking tot het al dan niet toelaten van een vergunningsplichtige inrichting niet in de plaats kan stellen van de bevoegde overheid; dat hij enkel vermag na te gaan of de beoordeling waartoe deze laatste is gekomen, uitgaat van correcte feitelijke en in rechte aanvaardbare gegevens en of haar appreciatie niet kennelijk onredelijk is; dat ook verzoeker in zijn laatste memorie die mening is toegedaan; dat verzoeker de overweging in het bestreden besluit dat de exploitatie van de gevraagde uitbreiding van de inrichting met een paneelzaag met een drijfkracht van 5,1 kW plaatsvindt in een werkplaats die -overigens zonder bouwvergunning- tot vlak op de perceelsgrens zonder enige buffer is opgetrokken niet betwist; dat uit het advies van de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL van 2 december 1997 blijkt dat kwestieuze werkplaats onmiddellijk paalt aan een verkaveling met residentieel karakter; dat het oordeel van de verwerende partij dat het risico op onaanvaardbare hinder voor de "naastliggende gebuur" t.g.v. de exploitatie van gevraagde uitbreiding met een paneelzaag, die blijkens het in eerste aanleg genomen besluit van "professionele aard" is, in die werkplaats reëel is, niet als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt; dat het reëel risico op geluidshinder voor de bewoner van het aangrenzend perceel voldoende is om de vergunning te weigeren; dat het dan ook niet nodig is dat, vooraleer de vergunning werd geweigerd, er metingen moesten hebben plaatsgevonden; dat die eis van verzoeker zou inhouden dat de vergunning voor de exploitatie van een nieuwe inrichting nooit zou kunnen worden geweigerd om reden van risico op onaanvaardbare geluidshinder, aangezien metingen slechts kunnen plaatsvinden nadat de inrichting in exploitatie is; dat de noodzaak aan metingen waarvan in het bestreden besluit gewag wordt gemaakt slaat op het onderzoek naar de eventuele gegrondheid van klachten van omwonenden met betrekking tot de exploitatie van het deel van de inrichting dat vergund was en met het bestreden besluit opnieuw vergund werd; dat aldus verzoeker de motieven die betrekking hebben op de beoordeling van de te hernieuwen exploitatie ten onrechte betrekt op de aangevraagde uitbreiding; dat de bewering van verzoeker dat er geen VII-16.599-12/13 reglementaire afstandsregels zouden bestaan niets afdoet aan de draagkracht van het op de concrete gegevens van de zaak gebaseerde weigeringsmotief; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-16.599-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.079 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.