id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.081 Rolnummer: A. 74963/VII-15665 Zaak: Arrest 137081 - - 09/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-26 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 13:31 Fiche Arrest nr 137.081 van 9 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.081 van 9 november 2004 in de zaak A. 74.963/VII-15.
- In zake :
- Joris VAN WALLEGHEM,
- Dorine VERGOTE, die woonplaats kiezen bij Advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- tussenkomende partij : de n.v. INAFZO, die woonplaats kiest bij Advocaat R. HONORÉ, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 4 A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Joris VAN WALLEGHEM en Dorine VERGOTE op 14 juli 1997 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 30 april 1997 van de Vlaamse minister van leefmilieu en tewerkstelling "houdende verwerping van het beroep van de verzoekende partijen tegen de beslissing d.d. 7 november 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen, waarbij aan de n.v. INAFZO, Ieperstraat 192 (te Zonnebeke) een milieuvergunning wordt verleend voor de toevoeging van 7, 3 ha stortplaats"; Gelet op het arrest nr. 71.395 van 29 januari 1998 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; VII-15.665-1/5 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partijen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 23 juni 1998; Gelet op de beschikking van 29 juni 1998 die de tussenkomst van de n.v. INAFZO toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 6 november 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 16 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 oktober 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat Th. EYSKENS die, loco Advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat L. BRONDEEL die, loco Advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat F. VANDEN BERGHE die, loco Advocaat R. HONORÉ verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat bij besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 7 november 1996 aan de n.v. INAFZO de VII-15.665-2/5 vergunning werd verleend voor het volstorten, tot op maaiveldhoogte, van een bestaande kleiput, met nabestemming groenbeplanting en bebossing, voor een termijn die eindigt op 19 mei 1998; dat op 2 december 1996 de verzoekende partijen tegen dat besluit administratief beroep instellen; dat op 30 april 1997 de Vlaamse minister van leefmilieu en tewerkstelling het besluit van de bestendige deputatie integraal bevestigt; dat een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van laatstge- noemd besluit vanwege de verzoekende partijen werd verworpen wegens het niet voldaan zijn aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat de bestreden milieuvergunning is verstreken op 19 mei 1998; dat een vernietiging van die vergunning de verzoekende partijen, als omwonenden, geen rechtstreeks nut meer kan opleveren; dat de auditeur in zijn verslag ambtshalve heeft vastgesteld dat aldus de verzoekende partijen niet langer beschikken over het rechtens vereiste belang zodat het beroep onontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie doen gelden dat zij er belang bij hebben om een vernietigingsarrest van de Raad van State te bekomen, omdat aldus de fout van de overheid erga omnes komt vast te staan zodat zij gemakkelijker hun recht op schadevergoeding kunnen doen gelden; dat zij stellen ook vanuit moreel oogpunt belang te hebben bij een vernietiging, gelet op de talloze procedures die reeds voor de Raad van State werden gevoerd; Overwegende dat het louter feit dat de verzoekende partijen er zelf voor opteren om procedures te voeren tegen diverse beslissingen met betrekking tot activiteiten die de n.v. INAFZO te Zonnebeke ontwikkelt niet volstaat om hen een moreel belang toe te schrijven bij de hangende annulatieprocedure bij de Raad van State; dat de verzoekende partijen geen nadere concretisering verschaffen aangaande de morele genoegdoening die een vernietiging van het ministerieel besluit van 30 april 1997 hen zou verschaffen; dat het in de laatste memorie aangevoerd actueel moreel belang dan ook niet in aanmerking kan worden genomen; Overwegende dat het voordeel dat de verzoekende partijen in wezen nastreven niet verder reikt dan het eenvoudig onwettig horen verklaren van de bestreden beslissing, om desgevallend op grond van deze met gezag van gewijsde beklede uitspraak een vordering tot schadevergoeding via de gewone rechter beter te kunnen ondersteunen; dat dergelijk belang geen belang is dat verbonden is aan de nietigverklaring of aan het doen verdwijnen van de bestreden akte uit de rechtsorde, VII-15.665-3/5 maar een belang dat er uitsluitend in bestaat een middel gegrond te horen verklaren; dat een dusdanig belang een onrechtstreeks belang is; dat het beroep niet ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partijen "ondergeschikt" vragen dat aan het Arbitragehof volgende prejudiciële vraag zou worden gesteld : "Worden de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet en art. 9 van het Verdrag van Aarhus, op zichzelf beschouwd of gelezen in samenhang, geschonden in de mate dat de gecoördineerde wetten op de Raad van State en in het bijzonder de artikelen 19 en 24 vereisen dat verzoekende partijen wier actueel en rechtstreeks belang op het ogenblik van de indiening van hun annulatieberoep tegen de verleende milieuvergunning kennelijk aanwezig was, verondersteld worden niet langer het rechtens vereiste actueel en rechtstreeks belang te hebben omdat de vergunningsduur van de bestreden milieuvergunning op het ogenblik van de uitspraak is verstreken, terwijl de omstandigheden van de bepaling van de vergunningsduur en van de normale behandelingsduur van een annulatieprocedure vreemd zijn aan de wil van verzoekende partijen, zodat aan verzoekende partijen feitelijk de toegang tot de Raad van State wordt ontzegd niettegenstaande zij kunnen buigen over een actueel belang dat van morele en materiële aard is ?"; Overwegende dat de verzoekende partijen bij de door hen geformuleerde prejudiciële vraag er van uitgaan dat "hen feitelijk de toegang tot de Raad van State wordt ontzegd, niettegenstaande zij kunnen buigen over een actueel belang dat van morele en materiële aard is"; dat evenwel, die premisse niet correct is nu in voorgaande overwegingen de Raad van State heeft geoordeeld dat de verzoekende partijen geen actueel belang, noch van morele aard, noch van materiële aard, hebben bij hun annulatieberoep; dat zoals het Arbitragehof in zijn arrest nr. 13/2004, van 21 januari 2004 heeft gewezen, het aan de Raad van State toekomt zich uit te spreken over het belang, hetgeen de Raad in casu heeft gedaan; dat aangezien de prejudiciële vraag uitgaat van een onjuiste premisse, het verzoek tot het stellen van die vraag geen nut heeft; Overwegende dat, gelet op de omstandigheden van de zaak en gelet op het feit dat het beroep initieel niet kennelijk onontvankelijk of ongegrond was, het gepast voorkomt de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen, VII-15.665-4/5 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst in het administratief kort geding, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. De kosten van de tussenkomst in het annulatieberoep, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-15.665-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.081 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.71.395 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.