← België

Arrest 137091 - - 09/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.091 Rolnummer: A. 85611/VII-18936 Zaak: Arrest 137091 - - 09/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-25 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-07-04 14:39 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(

  1. en)DE Fiche Arrest nr 137.091 van 9 november 2004 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.091 van 9 november 2004 in de zaak A. 85.611/VII-18.936. In zake : de BELGISCHE BEROEPSVERENIGING VAN GENEESHEREN-SPECIALISTEN IN DE MEDISCHE BIOPA- THOLOGIE, die woonplaats kiest bij advocaten W. GONTHIER en D. DHAENENS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 12, bus 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaat M. RYELANDT, kantoor houdende te BRUGGE, Filips de Goedelaan 11. ------------------------------------------------------------------------------------------------ D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de BELGISCHE BEROEPSVERE- NIGING VAN GENEESHEREN-SPECIALISTEN IN DE MEDISCHE BIOPA- THOLOGIE op 20 juli 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de minister van volksgezondheid en pensioenen van 30 april 1999 tot vaststelling van de algemene criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten (Belgisch Staatsblad van 29 mei 1999), “en meer in het bijzonder de bepalingen van gezegd MB, vervat onder artikel 6.4"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de beschikking van 17 mei 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-18.936-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 6 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 september 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. KAMERS die, loco advocaat W. GONTHIER en D. DHAENENS, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat M. RYELANDT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat het ministerieel besluit van 30 april 1999 tot vaststelling van de algemene criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten, in zijn artikel 6.4, waarvan de vernietiging wordt gevraagd, het volgende bepaalt : "Art. 6. Voor de erkenning als stagedienst zoals bepaald in het hoger vermeld koninklijk besluit van 21 april 1983, moet aan volgende algemene criteria zijn voldaan : (...) 4. behoudens afwijkingen vastgesteld in de bijzondere criteria, moet in alle medische diensten van het ziekenhuis de functie van geneesheer-diensthoofd waargenomen worden door een erkend geneesheer specialist, behalve in het laboratorium voor klinische-biologie. (...)"; 2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord een aantal excepties heeft opgeworpen met betrekking tot de procesbe- kwaamheid en het belang van de verzoekende partij; dat uit de laatste memorie van diezelfde partij, en ter terechtzitting, is gebleken dat zij die excepties niet handhaaft; 3.1. Overwegende, wat de grond van de zaak betreft, dat de partijen onder meer het volgende doen gelden : VII-18.936-2/6 3.1.1. In het verzoekschrift wordt het tweede onderdeel van het tweede middel als volgt geformuleerd : "Tweede onderdeel : schending van het artikel 17, § 1 WZH Gezegd artikel stelt : Het behoort dus tot de uitsluitende bevoegdheid van de Koning om eventueel de in artikel 17 § 1 voorziene minimum voorwaarden te bepalen, zodat deze aan de Koning toekomende bevoegdheid niet kan uitgeoefend worden binnen het kader van een MINISTERIEEL BESLUIT". 3.1.2. De verwerende partij repliceert hierop in haar memorie van antwoord : "Artikel 17 van de Ziekenhuiswet stelt dat de Koning de algemene minimum- voorwaarden bepaalt om te voldoen aan de eisen gesteld in de artikel 13 tot 16, zijnde de organisatie en de structurering van de ziekenhuisactiviteit. Zo stelt bijv. ook artikel 15, § 2 van de Ziekenhuiswet dat de Koning de samenstelling bepaalt en de werking van de voormelde structuren, met dien verstande dat geneesheren die de desbetreffende ziekenhuisactiviteit uitoefenen, in deze structuren zitting moeten hebben. Het bestreden Ministerieel Besluit regelt niet de voorwaarden van organisatie en structurering van de ziekenhuisactiviteit, doch regelt een totaal andere materie, nl. de criteria voor erkenning van geneesheren-specialisten, stage- meesters en stagediensten. Art. 3 van het Koninklijk Besluit van 21 april 1983 houdende de vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen stelt dat de criteria voor erkenning van stagemeesters en stagediensten worden vastgesteld door de Minister, wat door het bestreden besluit werd uitgevoerd". 3.1.3. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij : "Ook het tweede onderdeel van het tweede middel wordt door verzoekster terecht aangevoerd. In zoverre er al enige Het verwondert verzoekster overigens dat, qua benadering van dit middel, de verwerende partij plots gaat stellen dat het bestreden MB niet de voorwaarden van organisatie en structurering van de ziekenhuisactiviteit betreft, doch een materie regelt m.n. de criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten, terwijl zij zelf, zoals hoger aangetoond, in haar betoog omtrent het eerste middel zich precies gaat beroepen op de bepalingen onder meer uit de WZH ...". 3.1.4. In hun laatste memorie voegen de partijen niets toe aan hun argumenten; VII-18.936-3/6 3.2. Overwegende dat deze argumenten als volgt worden beoordeeld: 3.2.1. Het bestreden ministerieel besluit roept in zijn aanhef als rechtsgrond in, enerzijds, het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, inzonderheid artikel 35sexies, ingevoegd bij de wet van 19 december 1990, en, anderzijds, het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren- specialisten en van huisartsen, inzonderheid artikel 3. Het voormelde artikel 35sexies van het koninklijk besluit nr. 78 bepaalt dat de erkenning voor het dragen van een bijzondere beroepstitel of voor het zich beroepen op een bijzondere beroepsbekwaming gebeurt overeenkomstig de door de Koning vastgestelde procedure en voor zover voldaan is aan de erkenningscriteria vastgesteld door de minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid behoort. De erkenningsprocedure wordt geregeld bij het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen. In dat besluit wordt onder meer in een stage voorzien. Artikel 3 ervan bepaalt dat de criteria voor de erkenning van stagemeesters en stagediensten door de minister bepaald worden. Luidens artikel 1, 9/, van het koninklijk besluit van 21 april 1983 wordt als "stagedienst" beschouwd : "de dienst in het raam van dewelke de gehele of gedeeltelijke opleiding van de kandidaat geschiedt en die daartoe wordt erkend, overeenkomstig de van kracht zijnde criteria". De bestreden bepaling houdt in dat, om te kunnen erkend worden als stagedienst, in principe alleen een erkend geneesheer-specialist de functie van geneesheer-diensthoofd in de betrokken medische dienst van het ziekenhuis mag waarnemen, behalve in het laboratorium voor klinische biologie. Ze is opgenomen in de "algemene criteria voor de erkenning van stagediensten", die het voorwerp uitmaken van hoofdstuk IV en artikel 6 van het ministerieel besluit van 30 april 1999. Die bepaling kan dan ook worden ingepast in de wettelijke en reglementaire bepalingen die als rechtsgrond worden ingeroepen. Noch in het hier besproken middelonderdeel, noch in een ander middel, voert de verzoekende partij aan dat de ingeroepen wettelijke en reglementaire bepalingen niet deugen als rechtsgrond voor de bestreden regeling. 3.2.2. Het tweede onderdeel van het tweede middel doet niets meer dan het bepaalde in artikel 17, § 1, van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op VII-18.936-4/6 7 augustus 1987, herhalen en parafraseren. Die bepaling stelt alleen dat de Koning de algemene minimumvoorwaarden kan bepalen om te voldoen aan de eisen gesteld in de artikelen 13 tot 16 van de zelfde wet. Er wordt evenwel, in dit middelonderdeel, niet in het minst uiteengezet in welk opzicht die bepaling wordt miskend. Het middelonderdeel kan dan ook, op zichzelf bekeken, niet worden aangenomen. Weliswaar sluit dit tweede onderdeel duidelijk aan bij het eerste, waarin wordt opgeworpen dat artikel 13 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördi- neerd op 7 augustus 1987, is geschonden, doch het auditoraatsverslag is beperkt tot het tweede onderdeel van dat middel, en het hierna besproken ambtshalve middel. In dat verslag wordt niet als dusdanig ingegaan op het eerste onderdeel, en de repliek van de verwerende partij ertegen, zodat thans op dit onderdeel niet kan worden ingegaan. Het tweede middelonderdeel wordt bijgevolg verworpen; 3.3. Overwegende dat in het auditoraatsverslag ambtshalve wordt aangevoerd dat de aangevochten bepaling een aspect van het ziekenhuiswezen betreft, en derhalve had moeten zijn onderworpen aan het advies van de nationale raad voor ziekenhuisvoorzieningen; dat in dit verslag wel wordt aangegeven dat het desbetreffende vormvoorschrift -artikel 18 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, bepaalt dat de bedoelde nationale raad tot taak heeft advies uit te brengen omtrent alle problemen van het ziekenhuiswezen die tot de federale bevoegdheid zijn blijven behoren- wel substantieel is, en gebeurlijk tot vernietiging kan leiden, doch niet wordt ingegaan op de vraag of die formaliteit bovendien de openbare orde raakt; dat de Raad van State zelf geen redenen ziet die ertoe nopen aan te nemen dat dit vormvoorschrift van openbare orde is; dat, immers, hoewel het goed functioneren van de ziekenhuizen uiteraard van groot belang is voor de burgers, niet blijkt dat door het niet inwinnen van dit technisch advies -uiteraard in de gevallen waarin dit advies daadwerkelijk vereist zou zijn, hetgeen in casu door de Raad niet wordt onderzocht- de fundamentele belangen van de Staat of de gemeenschap in het gedrang worden gebracht; dat het door de eerste auditeur- verslaggever aangevoerd ambtshalve middel derhalve niet ontvankelijk is; 3.4. Overwegende dat het auditoraatsverslag beperkt is tot de bespreking van het tweede onderdeel van het tweede middel, en het bedoelde ambtshalve middel; dat er derhalve aanleiding toe bestaat een aanvullend onderzoek van de zaak te bevelen, VII-18.936-5/6 BESLUIT: Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-18.936-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.091 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.407 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.