← België

Arrest 137115 - - 09/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.115 Rolnummer: A. 154100/X-11972 Zaak: Arrest 137115 - - 09/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-17 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 13:37 Fiche Arrest nr 137.115 van 9 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.115 van 9 november 2004 in de zaak A. 154.100/X-11.972. In zake : Lieve DE MULDER, die woonplaats kiest bij Advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Visserij 157 A tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Lieve DE MULDER op 23 juli 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 19 mei 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie waarbij de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor de regularisatie van de verbouwing van een eengezinswoning op een perceel gelegen te Melle, Sint-Bavostraat 1, kadastraal bekend Sectie D, nr. 628g; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 20 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 oktober 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; X-11.972-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. ROELANDTS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat T. DE SUTTER die, loco Advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verwerende partij de ontvankelijkheid van het beroep betwist; dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen; dat een onderzoek van en uitspraak over deze exceptie alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; X-11.972-2/4 Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, verzoekster in de vordering tot schorsing doet gelden dat het onmiddellijke gevolg van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is dat zij en haar gezin in een compleet uitzichtloze situatie dreigen te worden gebracht, dat elke dag dat er geen vergunning kan worden bekomen een dwangsom van 200 euro verbeurt, terwijl zij in de onmogelijkheid verkeert om de loop van de dwangsom te stoppen door de gezinswoning integraal af te breken, nu zij daarvoor niet de financiële middelen heeft, zodat de afbraak slechts kan leiden tot de totale marginali- sering van het gezin; dat zij vervolgens haar compleet uitzichtloze financiële en hypothecaire toestand detailleert; dat zij verder betoogt dat "als gevolg van deze inmiddels bijna 7 jaar aanslepende stedenbouwproblematiek (...) het gezin (...) er compleet onderdoor (

  1. is)gegaan", wat ze toelicht aan de hand van onder meer een medisch attest en de arbeidsonbekwaamheid van inzonderheid haar echtgenoot; dat zij verder betoogt dat dit alles in schril contrast staat met de aard en de omvang van de gepleegde inbreuk, dat de wijze waarop de bevoegde overheid de regularisatie- aanvraag heeft afgehandeld des te pijnlijker is, dat een en ander des te meer klemt nu zij weet dat de gemeentelijke overheid overeenkomstig artikel 193, § 3, van het decreet ruimtelijke ordening in een ruimtelijk uitvoeringsplan "zonevreemde woningen" kan beslissen om de woning te bevestigen en dat de afdeling Bouwinspectie zelf bevestigde dat het gebouw zonder de voorgeschiedenis en louter op basis van de foto’s perfect vergunbaar zou zijn; dat zij besluit dat haar situatie dermate gecompliceerd is dat ze geen andere keuze heeft dan voorlopig in haar woning te blijven wonen, dat haar laatste toevlucht de rechtsbescherming door de Raad is; Overwegende dat het thans bestreden besluit de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat het door verzoekster aangevoerde nadeel het gevolg is, niet van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, maar van haar eigengereid handelen door het uitvoeren van werken en handelingen zonder daarvoor over de decretaal vereiste voorafgaande stedenbouwkundige vergunning te beschikken; dat dit te dezen des te meer het geval is, aangezien uit het dossier blijkt dat op 26 februari 1999 de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op vordering van verzoekster, bij beschikking in kort geding de op 2 februari 1998 bevolen maatregel van stillegging van de werken heeft opgeheven, er evenwel in zijn overwegingen aan toevoegend dat "eiseres (...) wel (moet) beseffen dat indien zij de werken verder laat uitvoeren dit op eigen risico gebeurt en niet zonder gevaar is mocht de beslissing ten gronde uiteindelijk in haar nadeel uitvallen, met de X-11.972-3/4 gevolgen van dien"; dat uiteindelijk het Hof van beroep te Gent verzoekster op 20 december 2002 veroordeelde tot het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand binnen een termijn van zes maanden vanaf de dag waarop dit arrest in kracht van gewijsde zal treden, onder verbeurte van een dwangsom van 200 euro per dag vertraging in de nakoming van dit bevel; dat het aangevoerde nadeel aan verzoekster zelf te wijten is; dat een dergelijk nadeel niet kan worden aangenomen; dat de uiteenzetting van verzoekster geen concrete en precieze gegevens bevat waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november 2004, door : de HH. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. G. DEBERSAQUES. X-11.972-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.115 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.324 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.