← België

Arrest 137119 - - 09/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.119 Rolnummer: A. 118672/XIV-9243 Zaak: Arrest 137119 - - 09/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-06 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 13:39 Fiche Arrest nr 137.119 van 9 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.119 van 9 november 2004 in de zaak A. 118.672/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat I. FLACHET, kantoor houdende te 9040 GENT, Halvemaanstraat 7 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 24 augustus 1979 en van XXX nationaliteit, op 25 maart 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 februari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 11 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 3 april 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 24 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 22 september 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-9243-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat I. FLACHET verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 12 januari 1999 en verklaart zich vluchteling op 14 januari
  4. Deze asielprocedure werd afgesloten met een beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 9 september 1999 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 1 februari 1999 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. De verzoekende partij komt opnieuw België binnen op 17 augustus 2000 en verklaart zich voor de tweede maal vluchteling op 31 augustus
  6. 1.
  7. Op 11 december 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 28 februari 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond en bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina's. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaart XXX staatsburger en van R. origine te zijn. Op 10 september 1999 heeft u van het Commissariaat-Generaal een bevestigende beslissing van weigering van verblijf gekregen met betrekking tot uw asielaanvraag van 14 januari
  9. In juni 2000, werd(en) uw echtgenoot en schoonmoeder in België gefilmd en geïnterviewd door een XXX journaliste met betrekking tot de situatie van R. in XXX. Iets later keerde u omwille (van) de ziekte van uw XIV-9243-2/7 grootmoeder terug naar XXX. Op 26 juli 2000 keerden uw echtgenoot S. (OV 4.800.753) samen met uw schoonmoeder S. (OV 4.778.976), en uw schoonzus S. (OV 4.778.949) eveneens terug naar XXX. Op 31 juli 2000 kregen uw schoonmoeder en uw echtgenoot een politieconvocatie voor 14 augustus
  10. Die dag gingen uw schoonmoeder en echtgenoot naar de politie, maar enige tijd later kwamen ze ook u en uw schoonzus halen. U werd ondervraagd over uw motieven om asiel aan te vragen in België. De ondervragers, mensen van de staatsveiligheid, begonnen u vervolgens te slagen (slaan) en te bedreigen. Ze dreigden er mee uw kind in een weeshuis te plaatsen. Rond 17.30 u werd u vrijgelaten met de boodschap dat u voor de rechtbank zou worden gedaagd. Ook uw schoonmoeder en schoonzus werden vrijgelaten, maar uw echtgenoot werd vastgehouden. Na enige tijd op uw echtgenoot te hebben gewacht besloten jullie, uit vrees voor de autoriteiten, zo vlug mogelijk te vertrekken. Die nacht bent u samen met uw schoonmoeder, schoonzus en minderjarige zoon S., naar België gevlucht. Jullie lieten een boodschap achter voor uw echtgenoot die begin november 2000 uit XXX is gevlucht om jullie te vervoegen. Op 16 augustus 2000 kwam u toe in België. Op 31 augustus 2000 heeft u asiel aangevraagd bij de Belgische autoriteiten. U bent in het bezit van uw XXX paspoort. Uit uw asielrelaas blijkt dat u uw asielaanvraag steunt op dezelfde problemen welke zijn aangebracht door uw schoonmoeder, S. (OV 4.778.976). Aangezien voor het door haar ingediend dringend beroep omwille van het bedrieglijk karakter van haar asielrelaas, een bevestigende beslissing van weigering van verblijf is genomen kan er in uw hoofde evenmin een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève, worden vastgesteld. De verschillende elementen die wijzen op een bedrieglijk karakter van het asielrelaas werden reeds uitvoerig besproken in de beslissing van uw schoonmoeder. Uw documenten wijzigen deze conclusie niet. Uw paspoort betreft enkel persoonsgegevens maar deze staan niet ter discussie. Met betrekking tot de asielaanvraag van uw schoonzus S. (OV 4.778.949) en uw echtgenoot S.(0V 4.800.753) werd eveneens een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen. (...).”. 2.
  11. Overwegende dat verzoekster een eerste middel afleidt uit de schending van “de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 57/6 in fine en artikel 62 en 63/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het algemeen rechtsbeginsel m.n. het motiveringsbeginsel”, omdat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing enkel verwijst naar de “negatieve beslissing” genomen inzake de asielaanvraag van verzoeksters schoonmoeder, mevrouw M., zonder aan te geven op welke motieven de asielaanvraag van laatstgenoemde steunt; dat verzoekster betoogt dat zij geen kennis heeft van de bevestigende beslissing genomen ten aanzien van haar schoonmoeder, zodat zij niet op de hoogte is van de eigenlijke redenen, die aan de basis liggen van de bestreden beslissing; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951(Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvank- elijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een XIV-9243-3/7 asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat een andere onontvankelijkheidsgrond de “bedrieglijkheid” is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, tegenstrijdige verklaringen inhouden, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op valse of vervalste documenten; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld indien tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoek(st)er, geput uit de gegevens van het administratief dossier; dat de Commissaris-generaal in casu tot de kennelijke ongegrondheid en tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten op grond van het determinerende motief dat wordt verwoord in de volgende passus van de bestreden beslissing : “Uit uw asielrelaas blijkt dat u uw asielaanvraag steunt op dezelfde problemen welke zijn aangebracht door uw schoonmoeder, S. (OV 4.778.976). Aangezien voor het door haar ingediend dringend beroep omwille van het bedrieglijk karakter van haar asielrelaas, een bevestigende beslissing van weigering van verblijf is genomen kan er in uw hoofde evenmin een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève, worden vastgesteld. De verschillende elementen die wijzen op een bedrieglijk karakter van het asielrelaas werden reeds uitvoerig besproken in de beslissing van uw schoonmoeder.”; Overwegende dat, wat de formele motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft de betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een bevestigende beslissing heeft genomen op grond van het determinerende motief dat verzoekster zich baseerde op dezelfde problemen als haar schoonmoeder, ten aanzien van wie een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen wegens bedrieglijkheid; dat derhalve werd voldaan aan de vereisten van de formele motiveringsplicht aangezien de juridische en feitelijke overweging- en die aan de beslissing ten grondslag liggen in de beslissing zelf werden opgenomen; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster zich steunt op dezelfde problemen als haar schoonmoeder; dat zij geen concrete gegevens aanbrengt die aantonen dat de beoordeling van de Commissaris-generaal feitelijke grondslag mist; Overwegende dat verzoekster aanvoert dat zij tijdens het interview op het Commissariaat-generaal niet werd geconfronteerd met de verklaringen van haar schoonmoeder noch met “de elementen die leidden tot een negatieve beslissing in het dossier van deze laatste”; dat verzoekster betoogt dat zij niet werd betrokken bij de asielprocedure van haar schoonmoeder en dat zij zich derhalve niet heeft kunnen verdedigen; dat de Commissaris- generaal evenwel niet verplicht is verzoekster te confronteren met de verklaringen van haar schoonmoeder of met de negatieve elementen uit het dossier van laatstgenoemde; dat geen wetsbepaling de Commissaris-generaal verbiedt om, ter beoordeling van een asielaanvraag, XIV-9243-4/7 de gegevens van aanverwante dossiers met elkaar te vergelijken, en daaruit zijn conclusies te trekken; Overwegende dat verzoekster niet op overtuigende wijze aantoont dat zij geen kennis had van de motieven waarop de bevestigende beslissing ten aanzien van haar schoonmoeder steunt; dat uit het administratief dossier immers blijkt dat verzoekster en haar schoonmoeder hun asielaanvragen op dezelfde dag hebben ingediend; dat verzoekster bovendien, samen met haar echtgenoot E., een tweede verzoekschrift tot schorsing en tot nietigverklaring heeft ingediend, via dezelfde Advocaat als haar schoonmoeder én op dezelfde datum als haar schoonmoeder; dat verzoekster bijgevolg niet kan voorhouden geen kennis te (kunnen) hebben van de motieven die de beslissing ten aanzien van haar schoonmoeder ondersteunen; Overwegende dat verzoekster ten slotte aanvoert dat haar asielaanvraag niet bedrieglijk is, dat zij een coherent verhaal heeft verteld en dat de R. wel degelijk worden vervolgd in XXX; dat uit het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal op goede gronden de bevestigende beslissing kon nemen; dat verzoekster zich beperkt tot algemene beweringen; dat de door verzoeksters schoonmoeder ingestelde vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring overigens werden verworpen door de XIVde kamer van de Raad van State bij arrest nr. 137.118 van 9 november 2004 zodat de bevestigende beslissing inzake de asielaanvraag van haar schoonmoeder wettig is; dat bovendien in het eerste gedeelte van de bestreden beslissing het asielrelaas van verzoekster volledig en gedetailleerd wordt weergegeven; dat bijgevolg het feitelijk onjuist is dat de afwijzende beslissing enkel steunt op het asielrelaas van de schoonmoeder van verzoekster; dat de bestreden beslissing bijgevolg tevens steunt op het “eigen” asielrelaas van verzoekster; dat het eerste middel ongegrond is; 2.
  12. Overwegende dat verzoekster een tweede middel afleidt uit de schending van “artikel 1, A

(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951.”; Overwegende dat het tweede middel in een eerste onderdeel, het asielrelaas van verzoekster tekstueel herhaalt, zoals dit werd opgenomen in de bestreden beslissing; dat dit onderdeel bijgevolg geen middel bevat dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat in een tweede onderdeel verzoekster betoogt dat haar relaas “volledig past binnen de Conventie van Genève”, zonder aan te geven waarom dit zo zou zijn; dat dit onderdeel van het tweede middel ongegrond is;
  1. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende XIV-9243-5/7 bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  2. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-9243-6/7 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-9243-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.119 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.