← België

Arrest 137122 - - 09/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.122 Rolnummer: A. 152452/X-11922 Zaak: Arrest 137122 - - 09/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-24 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 13:39 Fiche Arrest nr 137.122 van 9 november 2004 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.122 van 9 november 2004 in de zaak A. 152.452/X-11.

  1. In zake : Joris STEURS, die woonplaats kiest bij Advocaat J. VERSTRAETEN, kantoor houdende te 2221 HEIST-OP-DEN-BERG, Dorp 72A tegen :
  2. de gemeente HULSHOUT, die woonplaats kiest bij Advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3,
  3. het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
  4. tussenkomende partijen :
  5. Marcel VAN DEN VONDER,
  6. Stanislas VAN LOOY, die woonplaats kiezen bij Advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CAREME, kantoor houdende te 3001 HEVERLEE, Ijzerenmolenstraat
  7. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Joris STEURS op 4 juni 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 9 februari 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente HULSHOUT waarbij aan Marcel VAN DEN VONDER de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het verkavelen van een perceel gelegen te HULSHOUT, kadastraal bekend Sectie B, nrs.77, 79, 80, 81A, 89K en 89H; Gezien de nota Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur J. CLEMENT; X-11.922-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 24 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 september 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. VERSTRAETEN, die verschijnt voor verzoeker, van Advocaat F. DE PRETER die, loco Advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de eerste verwerende partij, van Advocaat J. CLAES, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van Advocaat H.-K. CAREME, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat Marcel VAN DEN VONDER en Stanislas VAN LOOY met een verzoekschrift van 25 juni 2004 hebben gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat verzoeker op 16 juli 2004 een brief richt aan het auditoraat in verband met de tijdigheid van zijn beroep; dat dit niet is voorzien in het toepasselijke procedurereglement; dat deze brief uit de debatten wordt geweerd; Overwegende dat de verwerende en de tussenkomende partijen de ontvankelijkheid van het beroep betwisten; dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen; dat een onderzoek van en uitspraak over deze excepties alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden X-11.922-2/7 aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, verzoeker in de vordering tot schorsing doet gelden wat volgt : "Verzoeker toont aan dat het aangevochten Besluit hem een ernstig én moeilijk te herstellen nadeel zal berokkenen;
  8. Verzoeker verwijst integraal naar de omschrijving van zijn belang (supra), wat hierbij als integraal herhaald beschouwd wordt;
  9. Hier werd uiteengezet waar verzoeker woonachtig is, nl onmiddellijk palend aan de verkaveling en werd verwezen naar de foto's die de overstromingen aantonen;
  10. Dat verzoeker dan ook rechtstreeks wordt getroffen door het kwestieuze besluit, gezien zoals uiteengezet onder 'II. Feiten' de verkavelingsgronden gelegen zijn in een gebied dat regelmatig overstroomt (zie foto's getrokken van de percelen vanop de eigendom omwonenden); Het is duidelijk dat het aangevochten Besluit de wateroverlast zal vergroten. Immers, door de verkaveling zullen de betreffende gronden worden verhard. Het gebied is van nature uit een overstromingsgebied van de Grote Nete (...). Dit wordt bevestigd door de verklaringen van diverse omwonenden in de bezwaarprocedure. Als in een overstromingsgebied gebouwd wordt, zal het water minder in de grond kunnen indringen; er zullen naast de woningen ook wegen aangelegd worden; er zullen meer verhardingen aangebracht worden, zodat de kans op overstroming groter wordt niet alleen voor de percelen zelf, maar ook voor de eigendom van verzoeker,... X-11.922-3/7 Verzoeker vreest dan ook terecht dat als men daar laat bouwen niet alleen de toekomstige bewoners gegarandeerd overstromingsgevaar lopen, maar ook hijzelf vreest dat zijn eigendom wateroverlast zal kennen. Immers, ieder jaar staan deze weiden helemaal onder water, soms zelfs zo ver, tot vlak achter de tuin van verzoeker. Het is zelfs de laatste jaren erger geworden, zodat verzoeker en ook diens buren water in hun kelder krijgen, wat vroeger niet het geval was.
  11. Naast het probleem van wateroverlast, heeft het toekennen van de verkaveling nog andere, verregaande negatieve gevolgen voor verzoeker, die op zich een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaken. De bestreden beslissing laat immers toe dat er minimum 30 huizen zullen worden bijgebouwd alsook dat een nieuwe weg zal worden aangelegd teneinde de toegang tot deze huizen mogelijk te maken. Dit zal uiteraard zijn repercussies hebben op het karakter van de ganse omgeving. Ook de rust in de wijk van verzoeker zal danig verstoord worden onder meer door een toename van de verkeersdrukte. 30 huizen voor 30 gezinnen met kinderen zal uiteraard een grondige wijziging betekenen in vergelijking met de huidige groene weilanden. Het gevolg zal zijn dat de privacy en het woongenot van verzoeker ten zeerste in het gedrang zullen komen Uw Raad heeft een dergelijke situatie als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel omschreven (...).
  12. Verder wijst verzoeker op de aantasting van de thans zeer groene omgeving en de vermindering van zijn uitzicht als nefaste gevolgen van de verkaveling. Het uitzicht dat verzoeker momenteel geniet, blijkt uit de foto's. (...)"; Overwegende dat verzoekende partij zich in de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar concrete en precieze gegevens dient aan te brengen waaruit enerzijds de ernst van het nadeel blijkt dat zij ondergaat of dreigt te ondergaan, hetgeen inhoudt dat zij concrete en precieze aanduidingen moet verschaffen omtrent de aard en de omvang van het nadeel dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte kan berokkenen, en waaruit anderzijds het moeilijk te herstellen karakter van het nadeel blijkt; Overwegende dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zijn rechtstreekse oorzaak moet vinden in de aangevochten verkavelingsvergunning; dat, wat de wateroverlast betreft, de eerste verwerende partij terecht doet gelden dat het eventuele risico op overstroming binnen de ontworpen verkaveling geen nadeel is in hoofde van verzoeker; dat wat de aangevoerde vrees betreft dat verzoekers eigendom wateroverlast zal kennen, verzoeker geen afdoende concrete elementen aanvoert waaruit kan worden besloten dat dit het gevolg is van de tenuitvoerlegging van de bestreden verkavelingsvergunning; dat van een verzoeker weliswaar niet kan worden verwacht dat hij bewijst dat er door de tenuitvoerlegging van de bestreden verkavelingsvergunning overstromingsgevaar en waterlast dreigt op zijn perceel, X-11.922-4/7 doch dat dit hem niet ontslaat van de plicht om aan de hand van de in het verzoekschrift uiteengezette gegevens en de erbij gevoegde overtuigingsstukken aannemelijk te maken dat dit nadeel voldoende waarschijnlijk en ernstig is; dat verzoeker ter zake vier foto’s (vanuit twee zichten) overlegt die hij zelf dateert op 6 januari 2003 en waaruit op de voorgrond een droge weide blijkt met achterliggende percelen die overstroomd zijn; dat daargelaten de vraag waar deze foto’s juist zijn genomen en welke de gehanteerde inzooming was bij het nemen van deze foto’s, de eerste verwerende partij op overtuigende wijze aan de hand van een analyse van deze door verzoeker overlegde foto’s, te samen met haar eigen foto’s van deze overstroomde gebieden, afdoende aannemelijk maakt dat de door de verzoeker overgelegde foto’s niet duidelijk doen blijken welke percelen nu juist op 6 januari 2003 overstroomd waren en welke niet ; dat deze foto’s niet aannemelijk maken dat "ieder jaar (...) deze weiden helemaal onder water (staan), soms zelfs zo ver, tot vlak achter de tuin van verzoeker"; dat noch verzoekers perceel, noch de omliggende percelen in een overstromingsgebied zijn gelegen; dat voorts de eerste verwerende partij en de tussenkomende partijen aannemelijk maken dat noch de te verkavelen percelen, noch verzoekers perceel gelegen zijn binnen een "risicozone voor overstromingen", zoals die op voorlopige basis carthografisch zijn aangeduid op door de administratie van de Vlaamse Gemeenschap (afdeling Water) opgemaakte kaarten; dat deze kaarten weliswaar louter als informatief en voorlopig kunnen beschouwd worden, maar dat verzoeker geen argumenten aanvoert om te dezen de (wetenschappelijke) onderbouwing van deze kaarten, met daarop de recentste aanduidingen van de risicogronden voor overstromingsgebieden, te betwisten; dat inzonderheid de loutere affirmatie in het verzoekschrift dat "het gebied (...) van nature uit een overstromingsgebied van de Grote Nete (is)" en dat "dit wordt bevestigd door de verklaringen van diverse omwonenden in de bezwaarprocedure", te dezen niet volstaat; dat verzoeker geen concrete elementen aanvoert die aannemelijk maken dat de tenuitvoerlegging van de verkavelingsvergunning voor hem wateroverlast dreigt te veroorzaken; dat wat de "andere, verregaande negatieve gevolgen voor verzoeker" betreft - rust, privacy, woongenot en uitzicht -, uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de percelen van de verkaveling waarop mag worden gebouwd, gelegen zijn in een woongebied; dat verzoeker zich ter zake beperkt tot algemene beweringen zonder concrete toelichtingen eigen aan de zaak in het verzoekschrift te verschaffen en waaruit blijkt dat - zelfs aangenomen dat de tenuitvoerlegging van de bestreden verkavelingsvergunning mogelijks een wijziging kan inhouden van de rust, privacy, woongenot en uitzicht - dit op zich in concreto zijn rust, privacy, woongenot en uitzicht ernstig schaadt derwijze dat zulks een X-11.922-5/7 moeilijk te herstellen ernstig nadeel is; dat deze door verzoeker niet met concrete en precieze gegevens onderbouwde nadelen overigens veeleer hun rechtstreekse oorsprong blijken te vinden in de bestemming woongebied die het gewestplan aan het betrokken gebied heeft gegeven en niet in de bestreden verkavelingsvergunning die deze bestemming realiseert; dat in deze concrete omstandigheden, verzoeker niet aannemelijk maakt dat het uiteengezette nadeel zodanig is dat het als een ernstig nadeel in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan worden beschouwd; dat de uiteenzetting van verzoeker onvoldoende concrete en precieze gegevens bevat waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen zoals bedoeld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  13. Het verzoek tot tussenkomst van Marcel VAN DEN VONDER en Stanislas VAN LOOY in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
  14. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  15. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ieder voor de helft. X-11.922-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november 2004, door : de H. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. G. DEBERSAQUES. X-11.922-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.122 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.384 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.