← België

Arrest 137124 - - 09/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.124 Rolnummer: A. 152786/X-11931 Zaak: Arrest 137124 - - 09/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-24 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 13:40 Fiche Arrest nr 137.124 van 9 november 2004 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.124 van 9 november 2004 in de zaak A. 152.786/X-11.

  1. In zake :
  2. Stijn LE COUTER,
  3. Ivan WYLIN,
  4. Dirk DE BRABANDERE,
  5. Bert VAN WANSEELE, die woonplaats kiezen bij Advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8200 BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat Y. FRANÇOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat
  6. Tussenkomende partij : n.v. ASPIRAVI, die woonplaats kiest bij Advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Aarlenstraat
  7. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Stijn LE COUTER, Ivan WYLIN, Dirk DE BRABANDERE en Bert VAN WANSEELE op 15 juni 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 15 april 2004 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaren waarbij aan de n.v. ELECTRAWINDS en de n.v. ASPIRAVI de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het oprichten van twee windturbines op een perceel gelegen aan de Szamotulystraat te TIELT, kadastraal bekend Sectie E, nrs. 601c (deel), 609 en 571 (deel); Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; X-11.931-1/10 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 2 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 september 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. LUST, die verschijnt voor verzoekers, van Advocaat Y. FRANÇOIS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat P. VERVOORT die, loco Advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de n.v. ASPIRAVI met een verzoekschrift van 7 juli 2004 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat de tussenkomende partij de ontvankelijkheid van het beroep betwist; dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de opgewor- pen exceptie uitspraak te doen; dat een onderzoek van en uitspraak over deze exceptie alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; X-11.931-2/10 Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, verzoekers in de vordering tot schorsing doen gelden wat volgt : "De eerste verzoekende partij is bediende in het garagebedrijf BMW, uitgebaat door de NV Le Couter, met zetel te 8700 Tielt, Deinsesteenweg 12, vennootschap van zijn ouders. Het bedrijf omvat een bedrijfswoning, waar de eerste verzoekende partij permanent woont en domicilie heeft (...). Het bedrijf met woonst bevindt zich op een afstand van 204 tot 208 meter van de inplantingsplaats van turbine II (...).
  8. Tweede verzoekende partij is de conciërge van de garage Le Couter. Zij bewoont uiteraard het concier(ge)gebouw. Daarnaast is zij ook werkzaam in het garagebedrijf. Zij verblijft derhalve permanent op de site (...).
  9. Derde verzoekende partij is bestuurder van de NV De Brabandere D., met maatschappelijke zetel te 8700 Tielt, Bevrijdingslaan nr. 9, die aldaar een vrachtwagenbedrijf exploiteert, wat een grote binnenparking vereist en openluchtactiviteit, zodat verzoeker er een aanzienlijk deel van zijn tijd doorbrengt. Het bedrijf bevat een afzonderlijk staande bedrijfswoning waar de derde verzoekende partij weliswaar niet woont, maar waar hij wel zijn administratie doet en de klanten ontvangt. De bedrijfsafdeling bevindt zich op 158 meter van de inplantingsplaats van turbine II. De bedrijfswoning op 177 meter. Eén van de foto's is genomen vanop het terras van de woning. Men kijkt rechtstreeks op de koer van het bedrijf NV Liberty Trading, waar de turbine II zal komen (...). Daarenboven heeft de derde verzoekende partij zijn private woning aan de Wielmakersstraat 8, gelegen aan de overzijde van de Deinsesteenweg in een open agrarisch gebied en op een afstand van resp. slechts ongeveer 530 en 650 meter van ieder van de bouwplaatsen. Vanuit zijn living, keuken en erf heeft hij een onmiddellijk, rechtstreeks en ongehinderd zicht op de bouwplaatsen (...).
  10. Vierde verzoekende partij is verantwoordelijk exploitant van de Toyota-garage, uitgebaat onder vennootschapsvorm, gesitueerd op het terreinlot nr. 67, alwaar hij ook metterwoonst gevestigd is. Bedrijf en bedrijfswoning X-11.931-3/10 vallen in de onmiddellijke invloeds(s)feer van de beide turbines! De afstand van de turbine II is 245 meter en van de turbine I slechts 138 meter. De hindereffecten zullen, wat hem betreft, gecumuleerd worden (...) !
  11. Uit dit overzicht blijkt onmiskenbaar dat de inrichting van de litigieuze windturbines de verzoekers allen een zeer ernstig en moeilijk te herstellen nadeel zal bezorgen dat van die aard zal zijn dat het niet meer door een later komend arrest zal kunnen ongedaan gemaakt worden. Ondergaan bederf van een aangenaam en gezond werk-, woon- en leefklimaat, kan immers niet meer terug gegeven worden.
  12. Er is allereerst, en niet in het minst, de bijzonder grote visuele pollutie die de verzoekende partijen - omdat zij er werken en/of wonen - zullen ondergaan eenmaal in hun onmiddellijke omgeving twee windturbines zullen gebouwd zijn en in werking gesteld. Men moet zich daarbij realiseren dat het gaat om molens van het grootste type dat ooit is neergezet. In werking bereiken zij een tiphoogte van niet minder dan 140 meter, de mast op zich reeds 100 meter hoog zijnde. Ze zijn derhalve op zich alleen, en zeker in molenwiekende bezigheid gewoon nooit, uit het gezichtsveld te bannen. Ook wie woont en werkt in een industriegebied moet niet om het even welke visuele hinder ondergaan, ook niet van andere industriële bouwwerken en constructies (quod non, zie eerste middel). Door hun aard en constructie zijn de beide windmolens met geen enkel bedrijfsgebouw op het ganse bedrijventerrein ook maar enigszins te vergelijken. Ze vallen gewoon wegens hun specificiteit, en vooral hun immense hoogte, totaal uit de toon. Ze zijn zelfs in geen enkel opzicht te vergelijken met het 35-meter hoog torengebouw van de NV I.T.C. op het bedrijvenlot 14/10 langs de Zegerstraat. Overigens zijn de torens 4 keer zo hoog als dit gebouw, dat het hoogste is van het ganse bedrijventerrein. Toen verzoekers er zich vestigden en/of er kwamen wonen, was er van verspreide oprichting hier en daar van windturbines hoegenaamd nog geen sprake, zodat zij zulke evolutie niet konden noch moesten voorzien. Onterecht zou worden opgeworpen dat wie in een industriegebied gaat wonen een hogere hinderdrempel moet hebben. Die redenering kan niet gelegitimeerd worden ten aanzien van wie wettig in zulk gebied woont versus wie er zich onwettig wil komen vestigen. Ook voor wie in een industriegebied woont, is het recht op een gezond leefmilieu en een behoorlijke huisvesting een grondrecht (artikel 23 van de grondwet) en zulks op gelijke wijze als dit het geval is voor de andere categorieën van burgers. Ware het anders, dan zou men ook de inwoners van de regio rond de luchthaven van Zaventem rechtsbescherming moeten weigeren. Immers ook zij wisten dat zij in de omgeving, en zelfs in de onmiddellijke nabijheid, van een luchthaven kwamen wonen en/of werken en mitsdien zouden geconfronteerd worden met overvliegende vliegtuigen. (...) Overigens kan dit verweer te dezen überhaupt niet ingeroepen worden, nu precies de illegaliteit van de bestemming van dit plangebied apert vaststaat (eerste middel) en de verwerende partij, als verantwoordelijke overheid, zich uiteraard niet op haar eigen fout en onwettigheid kan beroepen om het ernstig karakter van het door verzoekers ingeroepen nadeel te ontkennen. Hetzelfde geldt voor de tussenkomende partij die alsnog geen definitief verworven subjectief medevestigingsrecht op die site heeft. Verzoekers daarentegen wonen aldaar volkomen legitiem, vermits de aan de eigenaars van de bedrijfswoningen destijds verleende vergunning in hunnen hoofde wél onherroepelijk geworden subjectieve rechten hebben doen ontstaan, die niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt door een latere onwettigbevinding en/of zelfs vernietiging of intrekking van een bestemmingsplan. Overigens zou dit verweer in elk geval niet kunnen ingeroepen worden ten aanzien van de derde verzoekende partij, die weliswaar dagdagelijks werkt op de bedrijfszetel en in de bedrijfswoning, maar er niet woont. Derde verzoekende X-11.931-4/10 partij woont langs de Wielmakersstraat, aan gene zijde van de Deinsesteenweg, op 530, resp. 650 meter van de bouwplaatsen, waarop hij rechtstreeks zicht zal hebben, zowel vanuit zijn woonplaats als vanop zijn erf (...) Uw Raad aanvaardt in de regel dat belangrijke visuele hinder een MTHEN uitmaakt (...). In zijn rapport in de zaken A/A 82.082 en 82.083 (huisvuilverbrandingsinst allat ie Drogenbos) heeft de eerste auditeur-afdelingshoofd die visuele hinder, nl. de opstijgende rookpluim, voldoende ernstig geacht in volgende termen : 'Het 'voortdurend (...) moeten uitkijken op de oven in werking', hoe minimaal de visuele impact van deze oven ook mag zijn, kan in casu dan ook beschouwd worden als een ernstig nadeel (...)'. (...) Ook te dezen is het vooral het aspect Nutteloos zou men voorhouden dat de visuele (werkings)hinder, veroorzaakt door het verplicht uitkijken op wit-grijze torens van meer dan 100 meter, laat staan het zicht op aanhoudend in beweging zijnde windmolens, zeer verscheiden kan beleefd worden en mitsdien van subjectieve aard is. (...) In Jabbeke werd de bouwvergunning van een funerarium geschorst, niet omwille van het gebouw op zich, maar omwille van de omstandigheid dat de buur niet zou kunnen leven met de gedachte bestendig naast opgebaarde lijken te moeten leven (...). Dit is uiteraard een subjectieve beleving. Ook (in het) recente arrest DEBACKER (...) oordeelde Uw Raad dat de daar bestreden vergunning voor drie windmolens van 104 m (dus heel wat minder hoog dan thans) een MTHEN zou veroorzaken (...) In de onderhavige casus bevinden de woningen van de eerste, tweede en vierde verzoekers zich allen op een (vaak veel aanzienlijk) mindere afstand dan 250 meter (...). Alleen zijn ze, anders dan het geval was in de zaak Debacker, ook zelf in het industrieterrein gelegen. Verzoekers hebben echter reeds hoger de irrelevantie van dit element aangetoond. Bovendien was in de zaak Debacker tussen de woning van die verzoeker en de vestigingsplaats, de autostrade E40 gelegen, wat op zich reeds voor een polluerend uitzicht zorgt, hetgeen echter voor Uw Raad geen afdoende reden is geweest om het MTHEN af te wijzen. Te dezen sluiten de gebouwen en woningen vloeiend aan op de site waar de turbines voorzien worden. Overigens is de woning van de derde verzoekende partij buiten het industriegebied gelegen en namelijk in een open en nog gaaf agrarisch gebied, dat hem rechtstreeks zicht geeft op de bouwplaatsen, die van zijn woning enkel gescheiden zijn door de Deinsesteenweg, in geen enkel opzicht te vergelijken met de 'veel hoger gelegen' E40 in de zaak Debacker. Uw Raad heeft reeds een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aangenomen erin bestaande te moeten uitkijken op een GSM-mast van 23 meter. Weliswaar werd hij opgesteld op slechts enkele meters van de perceelsgrens, wat te dezen uiteraard niet het geval is, maar hier betreft het niet één mast van 23 meter maar wel twee (draaiende) torens van 140 meter (...).
  13. Daarnaast zullen de eerste, tweede en vierde verzoekers, die aldaar allen wonen en werken, en derde verzoeker, die aldaar werkt, geconfronteerd worden met aanzienlijke geluidshinder, mede afhankelijk van de windsterkte en de windrichting. Uit de stukken blijkt dat volgens de eigen becijferingen van de exploitant de turbines aan de bron een lawaai zullen produceren van 102 dB(A) (...). Voorgehouden wordt dat de geluidsproductie, minstens middels nog te beproeven monitoringprogramma’s, ter hoogte van de hoeve Defauw (251 m), tot redelijke proporties zal herleid zijn. Dat de exploitant redenen had om daaraan ernstig te twijfelen, blijkt alleen reeds hieruit dat hij met die landbouwer X-11.931-5/10 dan toch een financiële regeling heeft getroffen om bezwaar van die kant te voorkomen! Waarom financiële compensaties geven als er intrinsiek niets te compenseren valt en geen ongemakken te verwachten vallen?! In elk geval staat vast dat naarmate de afstand tussen de geluidszender en de geluidsontvanger vermindert, de geluidsimpact aanzienlijker wordt. De woning van de eerste en de tweede verzoeker is gelegen op 208 meter en deze van de vierde verzoeker op slechts ca 50 meter. Het administratief gebouw en de woning van de derde verzoekende partij bevinden zich op resp. 177 en 800 meter. Daarbij moet uiteraard ook de externe woonomgeving betrokken worden, vermits mensen niet alleen tussen muren leven en werken, maar ook er buiten. Zoals blijkt uit de studie 'De geluidsschaal' moeten verzoekers zich, naar gelang de windrichting en de windsterkte, verwachten aan geluidsbelevingen die zullen fluctueren tussen storend, al over hinderlijk en, vooral voor de vierde verzoeker, bij wijlen zelfs zeer hinderlijk (...) Ten onrechte zou aangevoerd worden dat de geluidshinder geen verband houdt met de tenuitvoerlegging van de bestreden stedenbouwkundige vergunning, maar verbonden is aan de tenuitvoerlegging van de eveneens noodzakelijke milieuvergunning. Zulk ping-pong verweer zou strijden met het integraliteitsbeginsel. Door de koppeling van de beide vergunningen ingevolge artikel 5 van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 zijn beide vergunningen nodig om de gevolgen van de bouw en de werking van een hinderlijke inrichting mogelijk te maken. De tenuitvoerlegging van de stedenbouwkundige vergunning veroor- zaakt aldus onmiddellijk en rechtstreeks ook de gevolgen van de exploitatie van een bedrijf, zoals de tenuitvoerlegging van de milieuvergunning onmiddellijk en rechtstreeks ook de gevolgen van de bouw van het bedrijf realiseert. Artikel 1.2.1, § 3, ADMB dd. 5 april 1995 is de decretale grondslag van die eenheidsvisie. Ze houdt het zogenaamd integratiebeginsel in en luidt als volgt : 'De in § 1 en § 2 bepaalde doelstellingen en beginselen moeten in het bepalen en uitvoeren van het beleid van het Vlaamse gewest op andere gebieden worden geïntegreerd. Bij de uitvoering van het beleid wordt rekening gehouden met de sociaal-economische aspecten, de internationale dimensie en de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens'. De verknochtheid tussen de beide vergunningen is eveneens de ratio van artikel 107, tweede lid, DORO 18 mei 1999 dat bepaalt : 'De Vlaamse regering kan in de mogelijkheid voorzien dat de dossiers voor de vergunningsaanvraag in het kader van dit decreet en in het kader van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning gezamenlijk op de gemeente worden ingediend. De Vlaamse regering kan nadere voorwaarden bepalen voor de samenstelling van het dossier'. Die eenheid is nog frappanter wanneer men artikel 4 DORO 18 mei 1999 leest, dat het doel weergeeft van het ruimtelijk ordeningsbeleid. Het houdt in dat bij de beoordeling van een stedenbouwkundige vergunning de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijk activiteiten gelijktijdig moeten worden afgewogen, waarbij niet alleen rekening mag worden gehouden met economische en esthetische aspecten, maar ook 'met de gevolgen voor het leefmilieu' en de 'sociale gevolgen', wat o.m. inhoudt een onderzoek naar, 'ce que les habitants d’un quartier doivent pouvoir supporter' (...). Wanneer, zoals in het vierde middel toegelicht, ook de milieueffecten verbonden aan het bouwen van een constructie bij de beoordeling van de aanvraag moeten betrokken worden, is het niet te verantwoorden voor de toepassing van artikel 17 van de gecoördi- neerde wet(ten) op de Raad van State te oordelen dat het ene gevolg uitsluitend verbonden is aan de ene vergunning en de andere gevolgen uitsluitend verbonden zijn aan de andere vergunning. Overigens heeft het arrest Debacker de beoordeling van de aangevoerde nadelen betrokken op de vergunde 'constructie en de werking ervan'. X-11.931-6/10 De moeilijke herstelbaarheid is evident. Particulieren zijn in de regel niet bij machte om de verwijdering te benaarstigen van zulke gigantische constructies als de onderhavige. Niemand is daar financieel tegen opgewassen. Bovendien moet de particulier daarbij eerst nog een supplementaire rechtstitel bekomen. En van de overheid moet voor de afbraak van een constructie die zij zelf vergund heeft, en waarvoor zij desgevallend aansprakelijkheid zal moeten opnemen, niet veel verwacht worden"; Overwegende dat verzoekers zich in de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet mogen beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar concrete en precieze gegevens dienen aan te brengen waaruit enerzijds de ernst van het nadeel blijkt dat zij ondergaan of dreigen te ondergaan, hetgeen inhoudt dat zij concrete en precieze aanduidingen moeten verschaffen omtrent de aard en de omvang van het nadeel dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte kan berokkenen, en waaruit anderzijds het moeilijk te herstellen karakter van het nadeel blijkt; Overwegende dat bij het thans bestreden besluit de oprichting wordt vergund van twee windturbines met een maximale hoogte van 140 m, alsook bij elke turbine van een middenspanningscabine in een prefabbetonconstructie; dat deze turbines worden opgericht op percelen die overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 vastgesteld gewestplan Roeselare-Tielt zijn gelegen in een regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter; Overwegende dat wat de eerste, tweede en vierde verzoekers betreft, deze zelf wonen op het voornoemde regionale bedrijventerrein; dat wat de in hunnen hoofde aangevoerde visuele hinder betreft, van diegene die ervoor geopteerd heeft om op een dergelijke locatie te gaan wonen, een veel grotere tolerantie mag worden verwacht ten aanzien van eventuele visuele hinder die zou worden veroorzaakt door de oprichting van constructies op een dergelijk bedrijventerrein; dat de voornoemde verzoekers onder verwijzing naar het eerste middel weliswaar aanvoeren dat "de illegaliteit van de bestemming van dit plangebied apert vaststaat"; dat de eventuele onwettigheid van een bestemmingsvoorschrift de wettigheid van het thans bestreden besluit kan vitiëren - wat het voorwerp van het eerste middel en derhalve van het wettigheidsonderzoek uitmaakt - doch evenwel op zichzelf niet belet dat de Raad bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel rekening vermag te houden met het niet-betwiste feitelijke gegeven dat de voornoemde verzoekers in een gerealiseerd "industriegebied" werken en/of er wonen; dat de al dan niet onwettigheid van het bestemmingsvoorschrift derhalve ter X-11.931-7/10 beoordeling van het aangevoerde nadeel niet relevant is; dat wat de eerste, tweede en vierde verzoekers betreft, deze thans in een omgeving wonen en/of werken die gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van industriële constructies en gebouwen; dat, alhoewel in het algemeen kan worden aangenomen dat de omstandigheid dat twee windturbines worden vergund in een regionaal bedrijventerrein waar vernoemde verzoekers wonen, niet vermag in te houden dat deze verzoekers geen ernstig nadeel meer kunnen ondergaan ten gevolge van de bestreden vergunning, derwijze dat zij zich aldus zouden dienen neer te leggen bij om het even welke stedenbouwkundige vergunning voor windturbines, verzoekers evenwel afdoende concrete elementen dienen bij te brengen in het verzoekschrift waaruit de Raad kan besluiten dat het door hen aangehaalde visueel nadeel, spijts het wonen op een regionaal bedrijventerrein met het daarbij horende uitzicht, nu door de tenuitvoerlegging van de twee vergunde windturbines ernstig en moeilijk te herstellen is geworden derwijze dat alleen een schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit nog uitkomst kan brengen; dat in het licht van het voorgaande, verzoekers aan de hand van de in het verzoekschrift uiteengezette gegevens en de erbij gevoegde overtuigingsstukken derhalve voldoende aannemelijk moeten maken dat de aangevoerde "bijzonder grote visuele pollutie" voldoende waarschijnlijk is, alsook dat die ernstig is in de zin van artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat ter zake, het loutere feit dat deze bouwwerken "totaal uit de toon" vallen, noch dat verzoekers "zulke evolutie niet konden noch moesten voorzien" op zich niet volstaan om dit aan te tonen; dat verzoekers ter zake geen afdoende concrete verduidelijking geven met betrekking tot hun eigen thans bestaande (uit)zicht vanuit hun bedrijfs- of conciërge- woning; dat ook de neergelegde foto's op dit punt niet overtuigen; dat de loutere aanhaling en bespreking van rechtspraak zonder dat deze op een overtuigende wijze worden getoetst aan de concrete zaak, niet van die aard zijn om tot een ander besluit te komen; dat de voorgaande vaststelling met des te meer klem geldt in hoofde van de derde verzoeker die immers niet op het bedrijventerrein woont doch er, zoals hij stelt, een aanzienlijk deel van zijn tijd doorbrengt, de administratie doet en klanten ontvangt; dat immers, ongeacht de door de tussenkomende partij terecht gedane vaststelling dat van de betoogde aanwezigheid op het perceel niet het minste bewijs wordt voorgelegd, evenmin op overtuigende wijze duidelijk is gemaakt waarom deze verzoeker, rekening houdende met zijn eigen feitelijke situatie - "verblijvende" op een bedrijventerrein om er zijn professionele activiteiten uit te oefenen - door de tenuitvoerlegging van de bestreden vergunning een nadeel zal leiden dat als ernstig kan worden gekwalificeerd; dat in de mate dat de derde verzoeker het visuele nadeel aanvoert als bewoner van een in een agrarisch gebied gelegen woning, uit de X-11.931-8/10 gegevens van de zaak blijkt dat deze verzoeker woont aan de rand van het betrokken bedrijventerrein en er blijkbaar ook op uitkijkt; dat rekening gehouden met dit gegeven, deze verzoeker evenwel in gebreke blijft enige afdoende concrete en precieze verduidelijking te geven omtrent de visuele impact van de windturbines op zijn concreet uitzicht (op het bedrijventerrein) noch waarom dit door de plaatsing van beide windturbines ernstig wordt aangetast; dat tot slot wat de aangevoerde geluidshinder betreft, deze zijn oorzaak veeleer lijkt te vinden in de op 22 januari 2004 door de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen verleende milieuvergunning voor het exploiteren van twee windturbines - die overigens niet door de tweede en derde verzoeker wordt betwist (A. 151.328/VII- 32.107) - veeleer dan in de thans bestreden stedenbouwkundige vergunning; dat de omstandigheid dat de milieu- en de stedenbouwkundige vergunning (wat hun uitvoerbaarheid betreft) aan elkaar "gekoppeld" zijn, noch hun verknochtheid, beletten dat beide beslissingen bij hun tenuitvoerlegging eigen nadelen kunnen veroorzaken; dat overigens van wie in een industriegebied woonachtig is of aldaar werkzaam is, op het vlak van de geluidshinder een grotere tolerantie mag worden verwacht dan van diegenen die in woon- of landelijke gebieden woonachtig of werkzaam zijn; dat verzoekers ter zake niet overtuigen; dat in deze concrete omstandigheden, verzoekers niet aannemelijk maken dat het uiteengezette nadeel zodanig is dat het als een ernstig nadeel in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan worden beschouwd; dat met ter terechtzitting aangevoerde nieuwe feiten en argumenten geen rekening wordt gehouden; dat de uiteenzetting van verzoekers onvoldoende concrete en precieze gegevens bevat waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen zoals bedoeld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, X-11.931-9/10 BESLUIT: Artikel
  14. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. ASPIRAVI in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
  15. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  16. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november 2004, door : de H. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. G. DEBERSAQUES. X-11.931-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.124 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.941 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.