← België

Arrest 137132 - - 09/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.132 Rolnummer: A. 153391/XII-4182 Zaak: Arrest 137132 - - 09/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-22 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 13:43 Fiche Arrest nr 137.132 van 9 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.132 van 9 november 2004 in de zaak A. 153.391/XII-

  1. In zake : Jean-Claude GAYTANT, die woonplaats kiest bij advocaat K. Vanlerberghe, kantoor houdende te Diksmuide, IJzerlaan 48 tegen : de STAD VEURNE, die woonplaats kiest bij advocaat F. Reynaert, kantoor houdende te Veurne, Astridlaan 2A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jean-Claude Gaytant op 2 juli 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 29 maart 2004 van de gemeenteraad van Veurne om Patrik Baertsoen en Robert Van Praet met ingang van 1 april 2004 te bevorderen tot luitenant-vrijwilliger bij de gemeentelijke gemengde brandweerdienst; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 28 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 oktober 2004; XII-4182-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Vanlerberghe, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat F. Reynaert, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Thys; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de gemeenteraad van Veurne op 26 januari 2004 beslist twee betrekkingen van luitenant-vrijwilliger bij de gemeentelijke gemengde brandweerdienst vacant te verklaren, met het oog op bevordering vanaf 1 april 2004; dat er zich drie gegadigden aandienen, waaronder verzoeker; dat bij besluit van 29 maart 2004 de gemeenteraad Patrik Baertsoen en Robert Van Praet met ingang van 1 april 2004 bevordert tot luitenant-vrijwilliger bij de gemeentelijke gemengde brandweerdienst; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker uiteenzet dat hij zich “sterk vernederd” voelt omdat hij de hiërarchisch ondergeschikte is geworden van de bevorderde kandidaten, terwijl Robert Van Praet vroeger zijn ondergeschikte was en Patrik Baertsoen veel jonger is, door hem mee opgeleid is geworden en tijdens interventies dikwijls onder zijn gezag heeft gestaan, dat de bevorderde kandidaten ervaring opdoen als luitenant, welke ervaring “de facto in XII-4182-2/5 rekening zal gebracht worden ten nadelen van de kansen van verzoeker” wanneer in de toekomst een nieuwe officier-dienstchef dient aangesteld te worden, en dat hij des te meer een moeilijk te herstellen nadeel lijdt “gelet op het totaal onwettig besluit van de stad Veurne inzake de benoeming van Patrik Baertsoen tot onderluitenant- vrijwilliger”; Overwegende dat verzoeker als eerste nadeel de vernedering aanvoert doordat hij nu onder het directe gezag komt van Robert Van Praet en Patrik Baertsoen, wijl het vroeger andersom was; dat, om te staven dat Van Praet en Baertsoen voorheen aan hem ondergeschikt waren en onder zijn gezag stonden, verzoeker verwijst naar feiten van vóór 1 december 2000; dat die feiten ondertussen wezenlijk achterhaald lijken; dat, blijkens de bestreden beslissing zelf, én verzoeker én de bevorderde kandidaten op 1 december 2000 onderluitenant zijn geworden en over een gelijke dienstanciënniteit als officier beschikken; dat verzoeker bovendien al sinds november 2002 niet meer deelneemt aan oefeningen en interventies; dat het in die omstandigheden danig gerelativeerd moet worden dat de bestreden beslissing tot gevolg zou hebben de ondergeschiktheid van Van Praet en Baertsoen ten opzichte van verzoeker om te keren; dat in zoverre de aangevoerde vernedering op specifiek die omkering van de ondergeschiktheid steunt, zij dan ook onvoldoende vaststaat; Overwegende dat de vernedering die verzoeker doet gelden in essentie lijkt samen te vallen met de teleurstelling die elke kandidaat gewoonlijk ondervindt wanneer hij bij een bevordering wordt voorbijgegaan en met de geringschatting waarvan hij zich dan spontaan het slachtoffer acht; dat een en ander, zoals verwerende partij terecht opmerkt, nochtans “inherent verbonden [is] met het risico dat wordt genomen om niet te worden weerhouden, wanneer men met andere kandidaten in concurrentie treedt”; dat het, als zodanig, geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel verantwoordt; Overwegende dat een tweede nadeel verband houdt met de ervaring die Robert Van Praet en Patrik Baertsoen, in afwachting van een eventuele vernietiging van hun bevordering, als luitenant zullen opdoen; dat meer bepaald verzoeker vreest XII-4182-3/5 dat die ervaring zijn kansen bij de eventuele benoeming van een nieuwe officier- dienstchef zal schaden, inzonderheid omdat vernietigingsarresten vaak lang zouden uitblijven; dat het nadeel niet overtuigt; dat immers verzoeker volgens de verwerende partij niet over het vereiste diploma beschikt om tot officier-dienstchef benoemd te kunnen worden; dat hij dit, ter zake op de terechtzitting ondervraagd, niet betwist; dat verzoeker niet met goed gevolg de aantasting kan doen gelden van zijn “kansen” op een benoeming, waarvoor hij hoe dan ook niet in aanmerking lijkt te komen; Overwegende, ten slotte, dat de onwettigheid van de bevordering van Patrik Baertsoen, waarmee verzoeker zijn nadeel nog beargumenteert, niet de besproken schorsingsvoorwaarde betreft, maar de voorwaarde dat ernstige middelen moeten worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte kunnen verantwoorden; dat het argument hier niet ter zake doet; Overwegende dat verzoeker niet genoegzaam aantoont dat hij ten gevolge van de bestreden beslissing een nadeel dreigt te lijden dat ernstig en moeilijk herstelbaar is; dat niet is voldaan aan één van de cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing; dat deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, BESLUIT: Artikel
  2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november 2004, door : XII-4182-4/5 de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4182-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.132 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.222 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.