id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.144 Rolnummer: A. 140435/VII-30507 Zaak: Arrest 137144 - - 09/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-23 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 13:44 Fiche Arrest nr 137.144 van 9 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.144 van 9 november 2004 in de zaak A. 140.435/VII-30.507 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. BUYTAERT, kantoor houdende te 9120 BEVEREN, Grote Markt 34b tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Peruviaanse nationaliteit, op 14 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 april 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht met een aangetekend schrijven van 25 juli 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 21 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-30.507-1/6 Gelet op de beschikking van 7 september 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 12 oktober 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. KUSTERS, die, loco Advocaat P. BUYTAERT, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 1 april 2003 en verklaarde zich vluchteling op 11 april
- 1.
- Op 25 april 2003 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 22 juli 2003 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal is als volgt gemotiveerd : “A. Vluchtrelaas U verklaarde de Peruviaanse nationaliteit te bezitten en van Lima afkomstig te zijn. U zou sympathisant geweest zijn van de ‘Partido Aprista Peruano’, maar geen activiteiten gehad hebben voor deze partij. De problemen die u kende zouden niets te maken hebben met uw sympathieën voor deze partij. U zou echter wel problemen gehad hebben omwille van uw activiteiten voor de ‘Asociacion de Comerciantes Plaza Dos de Mayo’, een vereniging van ambulante handelaars in Lima waarvan u mede- oprichter en voorzitter zou zijn. In juli 2002 zouden uw problemen begonnen zijn toen u meegenomen werd door terroristen van het Lichtend Pad. U zou onder druk gezet zijn om uw functie als voorzitter van de associatie op te geven en om uw plannen om een terrein te kopen voor de associatie stop te zetten. Enkele dagen na uw vrijlating zou u klacht ingediend hebben bij de politie. In tussentijd zou u, zowel thuis als op het werk, dreigtelefoontjes en dreigbrieven ontvangen hebben. Op 9 december 2002 zouden uw belagers opnieuw geprobeerd hebben u mee te nemen, maar u zou erin geslaagd zijn te ontsnappen. Twee dagen later zou u opnieuw klacht ingediend hebben bij de politie. In januari 2003 zou u nog steeds anonieme telefoontjes ontvangen hebben. Op 31 maart 2003 zou u vanuit Lima vertrokken zijn en via Venezuela en Spanje in België aangekomen zijn op 1 april
- Op 11 april 2003 vroeg u hier asiel aan. VII-30.507-2/6 Ter staving van uw asielrelaas legde u volgende documenten voor: uw paspoort, uw lidkaart van de ‘Asociacion de Comerciantes Plaza Dos de Mayo’, de klachten die u indiende, een belastingformulier, een attest van de bouwfirma van de associatie, een krantenartikel, een attest van het fiscaal adres van de associatie en een inschrijvingsattest van de associatie. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is daar niet kan aangenomen worden dat u voor uw problemen niet zou kunnen rekenen op bescherming van uw autoriteiten. U vreest immers enkele leden van het Lichtend Pad, een terroristische organisatie waartegen de Peruviaanse autoriteiten actief optreden. Bovendien werden vrijwel alle kopstukken van het Lichtend Pad ingerekend en is deze organisatie na jarenlange strijd ertegen door de overheid nog nauwelijks actief in Peru. U kon tot tweemaal toe klacht indienen bij de politie en kan allerminst aannemelijk maken maken waarom u voor uw problemen niet op bescherming kan rekenen van de Peruviaanse autoriteiten. U heeft evenmin aannemelijk gemaakt waarom u niet elders zou kunnen wonen in Peru om uw problemen, die zich op lokaal vlak situeren, te ontlopen. U verklaarde immers dat u problemen had met enkele leden van het Lichtend Pad, waarvan u vermoedde dat ze geïnfiltreerd waren in de associatie waarvan u mede-oprichter en voorzitter was. Ter verantwoording voor het feit dat u niet verhuisde om uw problemen te ontlopen, verklaarde u dat u overal zou gezocht worden. Deze verklaring is echter allerminst afdoende om te verantwoorden waarom u niet getracht heeft om uw problemen, die zich op lokaal vlak situeren, te ontlopen. Bijgevolg is uw asielaanvraag onontvankelijk. De documenten die u voorlegde, tot slot, zijn niet van die aard dat ze afbreuk kunnen doen aan bovenstaande vaststellingen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2).”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt : “Verzoeker puurt een enige en eerste middel uit de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en het algemeen rechtsbeginsel dat zegt dat elke beslissing materieel gemotiveerd moet zijn. Artikel 1, A. 2 van de Conventie van Genève definieert de vluchteling als volgt: “De persoon die (...) uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging zich bevindt buiten het grondgebied van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die bescherming van dat land niet kan, of uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen,...”. Verzoeker voldoet volledig aan de drie aangegeven gronden (de vrees voor vervolging omwille van zijn “anders-zijn”), en heeft derhalve zijn relaas weergegeven. “In het algemeen kan worden gesteld dat de overheid haar beslissingen moet baseren op feiten die een determinerende invloed op de uiteindelijke beslissing hebben. Welke nu ‘precies’ die feiten zijn, dient te worden opgemaakt uit het doel en de strekking van de “wettelijke en reglementaire bepalingen die de materie beheersen.” (A. VAN MEENSEL, “De uitdrukkelijke motiveringsplicht”, in X, De doorwerking van het publiekrecht in het privaatrecht, Gent, Mys & Breesch, 1997, p. 213 nr. 253). VII-30.507-3/6 Het doel en de strekking van de Conventie van Genève bestaat erin personen bescherming te verlenen; die in hun land vervolgd worden door de autoriteiten vanwege hun “anders-zijn”. Verzoeker is zo één van die personen, en de feiten die hij heeft aangebracht om zijn relaas te staven, dienen dan ook in de zin van de Conventie van Genève gelezen te worden.
- De vrees Verzoeker vreest voor zijn leven. In juli 2002 werd verzoeker voor de eerste maal ontvoerd door de terroristen van het “Lichtend Pad”, een extreem-communistische beweging die reeds jaren Peru teistert. Na zijn vrijlating werd klacht ingediend door verzoeker, maar desondanks kreeg hij dreigtelefoontjes en dreigbrieven. Op 9 december 2002 was er opnieuw een poging tot ontvoering, maar verzoeker kon tijdig ontsnappen. Verzoeker besloot dan ook uit vrees voor zijn leven om zijn land van herkomst te ontvluchten.
- voor vervolging Verzoeker wordt vervolg door de terroristen van het “Lichtend Pad”. Dit is een zekerheid gelet op de gebeurtenissen zoals voorheen vermeld. De Commissaris- generaal meent ten onrechte dat deze organisatie op sterven na dood is, hetgeen blijkt uit de recente verslaggeving vanuit Peru.
- Omwille van zijn anders-zijn Verzoeker wordt vervolgd omwille van het feit dat hij als voorzitter van de “Asociacion de Commerciantes Plaza Dos de Mayo”, zijnde een vereniging van ambulante handelaars in Lima, ijvert voor de aankoop van een terrein voor de associatie. Dit wordt hem zeer kwalijk genomen door de terroristen van het “Lichtend Pad” die voor totale anarchie staan. Enkel die feiten die verzoeker heeft aangebracht in de zin van de Conventie van Genève, dienen dan ook onderzocht en gewaardeerd te worden: de andere feiten en gegevens diende de Commissaris-generaal buiten beschouwing te laten. Er dient nog vermeld te worden dat de Commissaris-generaal bij het nemen van de bestreden beslissing duidelijk geen rekening heeft gehouden met de actuele toestand en zich gebaseerd heeft op bewijzen van het verleden.”; 2.
- Overwegende dat tegelijk de schending van de formele én de materiële motiveringsplicht aanvoeren, niet mogelijk is; dat een gebrek aan deugdelijke formele motivering het de betrokkene immers onmogelijk zou maken uit te maken of de materiële motiveringsplicht geschonden is; dat omgekeerd dit ook betekent dat, wanneer uit de bewoordingen van het verzoekschrift kan worden afgeleid dat in wezen een schending van de materiële motiveringsplicht wordt aangevoerd, de verzoekende partij van een schending van de formele motiveringsplicht geen schade heeft ondervonden; dat, nu blijkt dat verzoeker de motieven van de beslissing kent, het middel voorzover het is gesteund op de schending van de formele motiveringsplicht, niet dienstig kan worden ingeroepen; Overwegende dat, wat de materiële motiveringsplicht betreft, dient te worden opgemerkt dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de recht zoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat de appreciatie van de feitelijke gegevens immers in de eerste plaats zaak is van de administratieve overheid; dat het de Raad van State niet toekomt zich de discretionaire bevoegdheid van die overheid aan te matigen, doch enkel moet nagaan of de overheid deze beoordeling op in rechte en in feite aanneembare redenen heeft gesteund en of zij daarbij de grenzen van de redelijkheid niet heeft overschreden; dat verzoeker in wezen de feiten die hem ertoe hebben aangezet zijn VII-30.507-4/6 land te ontvluchten, herhaalt en vraagt deze opnieuw te beoordelen, maar niet aantoont dat het oordeel van de Commissaris-generaal kennelijk onredelijk zou zijn; Overwegende dat de Commissaris-generaal in deze in laatste aanleg uitspraak doet over de feitelijke elementen van de zaak; dat uit de bewoordingen van de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal in het eerste deel van die beslissing op gedetailleerde wijze de verklaringen die verzoeker tijdens de diverse verhoren in het kader van de asielprocedure heeft afgelegd, uiteenzet; dat vervolgens de bevindingen worden weergegeven van het onderzoek van deze verklaringen, met name dat enerzijds niet kan worden aangenomen dat verzoeker voor zijn problemen niet zou kunnen rekenen op bescherming van zijn autoriteiten, en dat anderzijds verzoekers problemen lokaal van aard waren en er een intern vluchtalternatief bestond; dat de Commissaris-generaal aan de hand van deze vaststellingen ten slotte concludeert dat de asielaanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond is; dat wat betreft verzoekers verwijzing naar “de recente verslaggeving vanuit Peru”, dit niet kan worden aangenomen omwille van het te vage en onbestemde karakter, zodat verzoeker geenszins aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal “geen rekening heeft gehouden met de actuele toestand en zich gebaseerd heeft op bewijzen van het verleden”; dat verzoeker er aldus niet in slaagt met pertinente en concrete elementen aan te tonen dat de Commissaris-generaal buiten elke redelijkheid heeft geoordeeld dat zijn asielaanvraag kennelijk ongegrond is; dat het enige middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-30.507-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-30.507-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.144 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div