id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.146 Rolnummer: A. 143291/VII-30942 Zaak: Arrest 137146 - - 09/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-23 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-04 13:44 Fiche Arrest nr 137.146 van 9 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.146 van 9 november 2004 in de zaak A. 143.291/VII-30.942 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat G. HOUBRECHTS, kantoor houdende te 3720 KORTESSEM, Hasseltsesteenweg 61 E tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 29 oktober 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 september 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 juni 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 4 november 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 7 september 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 12 oktober 2004; VII-30.942-1/6 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat V. HAEMERS, die, loco Advocaat G. HOUBRECHTS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct- adviseur M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 10 januari 2003 en verklaarde zich voor de derde keer vluchteling op 23 januari
- 1.
- Op 5 juni 2003 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 30 september 2003 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal is als volgt gemotiveerd : “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. (...). Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping noch aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 13 augustus 2003 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993, artikel 17, par. 2, al. 2). (...)”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, bestaande uit twee onderdelen, dat als volgt luidt : VII-30.942-2/6 “Schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen legt elke administratieve overheid (waaronder de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen) de algemene verplichting op om elk van hun beslissingen uitdrukkelijk (art. 2) en afdoende (art. 3) te motiveren. De verplichting tot motiveren houdt in dat de feitelijke en juridische gronden waarop de beslissing is gesteund, moeten worden veruitwendigd in de beslissing zelf opdat kan worden nagegaan of de aangehaalde feitelijke en juridische gronden afdoende en pertinent zijn, of zij met andere woorden de genomen beslissing kunnen dragen. De Raad van State, belast met de wettigheidscontrole, moet nagaan of de overheid deze beoordeling op in rechte en in feite aanneembare redenen heeft gesteund. De hoorplicht impliceert dat tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen die steunt op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten, zonder dat hem de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen. De zorgvuldigheidsplicht dient men samen te lezen met voornoemde motiveringsplicht. Om tot een afdoende motivering te komen dient de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zorgvuldig te werk te gaan. Dit houdt in dat gegevens zorgvuldig dienen verzameld en geanalyseerd te worden zodat de overheid volledig is ingelicht over alle belangrijke elementen die de te nemen beslissing kunnen beïnvloeden. De feiten, die aan de grondslag van de beslissing liggen, moeten met andere woorden zorgvuldig vastgesteld worden. Hieronder zal worden aangetoond dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen telkens te kort schoot in zijn motiveringsplicht, en dat dit vooral te maken had met een gebrek aan het horen van verzoekende partij en een gebrek aan zorgvuldigheid bij de vaststelling van de feiten die aan de grondslag van de beslissing lagen. Eerste Middel: Doordat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verzoekende partij verwijt zonder geldige reden, geen gevolg gegeven te hebben binnen de maand aan de oproeping noch aan de vraag om inlichtingen; Terwijl verzoekende partij op het ogenblik van ontvangst van de aangetekende brief dd. 13 augustus 2003 in de gevangenis verbleef ten gevolge van een gerechtelijk onderzoek. Dat dit zonder meer een geldige reden betreft; Dat verzoekende partij ipso facto in de absolute onmogelijkheid verkeerde om kennis te hebben genomen van deze brief en bovendien niet de mogelijkheid had zijn verblijfsadres onmiddellijk te notificeren aan het Commissariaat-generaal; Dat verzoekende partij echter zodra hij de mogelijkheid had, via zijn toenmalig Raadsman Mr. Donné, het Commissariaat voor de vluchtelingen en de staatlozen onmiddellijk heeft ingelicht over de adreswijziging; Zodat er wel degelijk een geldige reden voorhanden was om niet te verschijnen op de vooropgestelde datum; Tweede middel: Doordat de Commissaris-generaal geen gevolg heeft gegeven aan het schrijven van Mr. Donné dd. 10/09/
- Terwijl verzoekende partij duidelijk, voordat de beslissing is genomen, de Commissaris-generaal op de hoogte heeft gesteld van zijn verblijf in de gevangenis en hem heeft verzocht om een nieuwe oproeping. Zodat hierdoor de Commissaris-generaal de hoorplicht heeft geschonden. Dat immers tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen die steunt op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten, zonder dat hem de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen. Dat de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op dit punt op zijn minst gebrekkig is, en niet naar rechte en behoren gemotiveerd, waardoor de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet gedragen wordt door de motivering; Toelichting: deze twee onderdelen, die het enige middel vormen, dienen samen gelezen te worden en kunnen op het eerste zicht, gelet op de omstandigheden van de VII-30.942-3/6 zaak, ontvankelijk en gegrond zijn, en kunnen bijgevolg leiden tot de vernietiging van de bestreden beslissing; Het middel is ernstig.”; 2.2.
- Overwegende dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal verzoeker heeft opgeroepen voor het gehoor met een aangetekend schrijven verstuurd op 13 augustus 2003 naar de door verzoeker gekozen woonplaats, dat verzoeker aan deze vraag echter geen gehoor heeft gegeven en niet naar het interview kwam, dat verzoeker vervolgens op 10 september 2003 het Commissariaat- generaal schriftelijk meedeelde dat hij sinds 3 juli 2003 in de gevangenis van Tongeren verbleef, dat de raadsman van verzoeker op zijn beurt het Commissariaat-generaal per aangetekend schrijven van 10 september 2003 op de hoogte bracht van het feit dat verzoeker zich in een overmachtsituatie bevond aangezien hij in de gevangenis verbleef, dat de raadsman van verzoeker het Commissariaat-generaal per fax op 13 oktober 2003 nogmaals op de hoogte bracht van het feit dat verzoeker zich in een overmachtsituatie bevond; 2.2.
- Overwegende dat artikel 51/2, vierde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) bepaalt dat “elke wijziging van de gekozen woonplaats bij een ter post aangetekende zending medegedeeld (moet) worden aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, alsook aan de Minister”; dat uit het administratief dossier blijkt dat de adreswijziging van verzoeker pas op 10 september 2003 per aangetekend schrijven aan de Commissaris-generaal werd medegedeeld, terwijl verzoeker reeds sinds 3 juli 2003 in de gevangenis verbleef; dat verzoeker bijgevolg de oproepingsbrief voor het gehoor niet heeft ontvangen daar hij heeft nagelaten de Commissaris-generaal tijdig op de hoogte te brengen van zijn adreswijziging; dat verzoekers uitleg dat hij “niet de mogelijkheid had zijn verblijfsadres onmiddellijk te notificeren aan het Commissariaat-generaal” niet overtuigt, aangezien verzoeker meer dan een maand de tijd had om de Commissaris-generaal op de hoogte te brengen van zijn nieuw verblijfsadres; dat de Commissaris-generaal dan ook, overeenkomstig artikel 52, § 2, 4/, van de Vreemdelingenwet, op wettige wijze kon besluiten dat verzoeker “zonder geldige reden” geen gevolg heeft gegeven aan zijn oproeping noch aan de vraag om inlichtingen; dat de bestreden beslissing aldus verenigbaar blijkt met de gegevens van het dossier; dat de bestreden beslissing aangeeft hoe de toepasselijke rechtsregel, uitgaande van de vastgestelde en vermelde feiten, tot de technische weigeringsbeslissing heeft geleid; dat de motiveringsplicht niet geschonden is; 2.2.
- Overwegende dat de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur inhoudt dat tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten, zonder dat hem de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen; dat de bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal echter niet als zulk een maatregel VII-30.942-4/6 kan worden gezien; dat deze beslissing immers voortvloeit uit de toepassing van artikel 52 van de Vreemdelingenwet en niet is gestoeld op het persoonlijk gedrag van de kandidaat- vluchteling zoals begrepen in het voornoemd beginsel van behoorlijk bestuur; dat derhalve niet is voldaan aan één van de twee cumulatieve grondvoorwaarden van de hoorplicht, zodat de schending ervan niet dienstig kan worden ingeroepen; dat, gelet op het voorgaande en de feitelijke gegevens van het dossier, ook een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel niet kan worden aangenomen; dat het enige middel bijgevolg niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november tweeduizend en vier, door : VII-30.942-5/6 Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-30.942-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.146 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div