id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.147 Rolnummer: A. 147045/VII-31511 Zaak: Arrest 137147 - - 09/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-23 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 13:44 Fiche Arrest nr 137.147 van 9 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.147 van 9 november 2004 in de zaak A. 147.045/VII-31.511 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat C. VAN CAEKENBERG, kantoor houdende te 9000 GENT, Bagattenstraat 124 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nepalese nationaliteit, op 22 januari 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 december 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 november 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 13 februari 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 7 september 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 12 oktober 2004; VII-31.511-1/8 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. VAN CAEKENBERG, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 31 oktober 2003 en verklaarde zich diezelfde dag vluchteling. 1.
- Op 6 november 2003 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 22 december 2003 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal is als volgt gemotiveerd : “A. Vluchtrelaas U verklaart de Nepalese nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn van Dhading district. U woonde in Dhading samen met uw echtgenote en uw kinderen. Sinds 2052 (Nepalese kalender; komt overeen met 1995-1996) bent u sympatisant van de Maobadi-partij. U gaf donaties en plakte pamfletten en posters op muren in het district Kathmandu. U ontving dit materiaal van Mukunda Sen waarvan u echter zijn functie voor de Maobadi-partij niet kent. Sedert 2054 (1997-1998) woonde u samen met uw familie in Kathmandu waar u een ‘guesthouse’ opende. Af en toe brachten Maobadi- leden er de nacht door. De elfde maand van 2055 (februari-maart 1999) werd u een eerste maal in uw ‘guesthouse’ gearresteerd. Vier agenten van Hanu Man Dhoka arresteerden u rond zes uur in de namiddag. Ze waren namelijk op zoek naar Maobadi- leden maar vonden er geen. U werd dan ook meegenomen naar hun politiekantoor en verbleef er zes dagen waarna u vrij kwam. U diende een document te ondertekenen waarin vermeld stond dat u geen Maoïsten meer in uw ‘guesthouse’ zou toelaten. Nadien hield de politie u en uw ‘guesthouse’ in het oog. Op 15/11/2056 (27 februari 2000) werd u een tweede maal gearresteerd in uw ‘guesthouse’ door tien agenten van Sorakhutte. Ze vroegen u waar de Maobadi’s waren. De politie vond ontvangstbewijzen van donaties die u aan de partij had gegeven, waarop u werd meegenomen naar hun politiekantoor. U werd er gedurende drie dagen opgesloten. U diende 200.000 Nepalese roepies te betalen en werd vrijgelaten. Daarnaast diende u nog een blanco document te ondertekenen. In de twaalfde maand van 2056 (maart-april 2000) kwam de politie opnieuw naar uw ‘guesthouse’. U was op dat moment echter boodschappen gaan doen. Een persoon van de studentenorganisatie van de Maobadi verbleef echter toen in uw ‘guesthouse’ en werd dan ook gearresteerd. Wanneer u terug VII-31.511-2/8 thuis kwam, werd u hiervan verwittigd door een vriend van u. U keerde dan ook terug naar Dhading. U had er geen activiteiten meer voor de partij, u gaf nog enkel donaties. Later volgde uw familie. U begon er te werken als zelfstandig ondernemer. In 2057 (2000-2001) diende u er eenmalig naar het politiekantoor te gaan om uit te leggen waarom u voor de Maobadi-partij was. U werd toen niet gearresteerd. Op 29/05/2060 (15 september 2003) werd een politiewagen tot ontploffing gebracht die richting Dhading reed en waarbij één politieman omkwam. Sinds 29/05/2060 (15 september 2003) verbleef u bij uw nonkel XXX. Op 02/06/2060 (19 september 2003) vernam u echter dat u ervan verdacht werd de verantwoordelijke te zijn van dit incident. De politie was namelijk de dag voordien bij u thuis langs geweest en had uw moeder en echtgenote geslagen. XXX, een persoon uit uw dorp, vertelde u dit wanneer u nog bij uw nonkel thuis verbleef. Op 14/06/2060 (1 oktober 2003) keerde u ‘s nachts even naar huis terug. Daarna verbleef u een ganse dag in de jungle om vervolgens te voet naar Makwanpur te gaan. Op 01/07/2060 (18 oktober 2003) verliet u vervolgens Nepal om via Delhi en Parijs richting België te reizen. U vroeg asiel aan op 31 oktober
- B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat u in de loop van uw asielprocedure tegenstrijdige en ongerijmde verklaringen heeft afgelegd, waardoor de geloofwaardigheid van uw beweringen en de oprechtheid van uw asielrelaas volledig wordt ondermijnd. Wat betreft uw eerste arrestatie verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) dat deze plaatsvond de tweede week van de derde maand in 2055 (juni-juli 1998) (zie gehoorverslag DVZ, vraag 42). Tijdens uw interview op het Commissariaat- generaal (CGVS), zei u echter deze plaatsvond in de elfde maand van 2055 (februari- maart 1999) (zie gehoorverslag CGVS, p. 9). Verder zijn ook de verklaringen aangaande uw tweede arrestatie tegenstrijdig. Zo vermeldde u namelijk op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u op een avond werd gearresteerd (zie gehoorverslag DVZ, vraag 42), terwijl u op het Commissariaat- generaal aanhaalde dat het 9 à 10 uur ‘s morgens was (zie gehoorverslag CGVS, p. 14). Tevens zei u op het Commissariaat-generaal gearresteerd te zijn op 15/11/2056 (27 februari 2000) (zie gehoorverslag CGVS, p. 13), terwijl u in uw verzoekschrift dd. 12/11/2003 sprak van gearresteerd te zijn op 1/11/2056 (13 februari 2000). Ook zei u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u zelf uw echtgenote contacteerde om haar om hulp te vragen wanneer u op het politiekantoor verbleef (zie gehoorverslag DVZ, vraag 42). Dit strookt niet met wat u zei op het Commissariaat-generaal. Daar zei u namelijk dat de politie zelf uw echtgenote contacteerde door haar op te bellen (zie gehoorverslag CGVS, p. 16). Voorts zei u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u bij een vriend in Kathmandu was wanneer de politie een maand na uw tweede arrestatie uw ‘guesthouse’ doorzocht (zie gehoorverslag DVZ, vraag 42). Tijdens uw interview in dringend beroep beweerde u echter dat u op dat moment inkopen deed in Baneshar (zie gehoorverslag CGVS, p. 17). Voorts vermeldde u nog in uw verzoekschrift dd. 12/11/2003 dat ook uw echtgenote samen met u werd gearresteerd. Dit hebt u echter niet vermeld op de Dienst Vreemdelingenzaken, evenmin op het Commissariaat- generaal. Ook aangaande de problemen die uw vluchtaanleiding uitmaken, zijn uw verklaringen tegenstrijdig. Zo verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u op 01/06/2060 (18 september 2003) naar huis terugkeerde - u kwam van uw oom - en u onderweg dorpelingen tegenkwam die u vertelden dat de politie bij u thuis was langs geweest op 30/05/2060 (16 september 2003). Wanneer u dit hoorde keerde u terug naar uw oom (zie gehoorverslag DVZ, vraag 42). Op het Commissariaat-generaal verklaarde u echter dat u pas op02/06/2060 (19 september 2003) vernam dat de politie bij u thuis was langs geweest wat zich had voorgedaan op 01/06/2060 (18 september 2003). Tevens vernam u het nieuws reeds thuis bij uw oom waar een dorpeling het u kwam vertellen (zie gehoorverslag CGVS, p. 22). Vermits deze arrestaties deel uitmaken van uw vluchtaanleiding, kan verwacht worden dat u daarover consistente verklaringen aflegt, evenals wat betreft uw vluchtaanleiding zelf. Bovenstaande inconsistente verklaringen brengen uw relaas dan ook in een bedrieglijk daglicht en doet twijfels reizen aangaande de waarachtigheid van uw relaas. Tot slot bent u in het bezit van uw origineel rijbewijs, een origineel attest voor ondernemerschap, een origineel attest aangaande taxatie, een origineel registratiebewijs van uw ‘guesthouse’, een origineel certificaat als ondernemer, een origineel certificaat VII-31.511-3/8 dat u kon handelen in vreemde gelden, een originele brief van de Dienst Toerisme met de vraag telefoonlijnen en faxlijnen te creëren, een origineel registratiecertificaat, een origineel attest dat aantoont dat uw echtgenote een reisagentschap had en de originele registratie ervan. Deze documenten bevestigen uw beroep, evenals dat van uw echtgenote. Ze zijn echter niet in staat bovenstaande appreciatie te wijzigen daar zij geenszins aantonen dat u vervolging zou kennen in uw land van herkomst. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2).”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt : “Schending van art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht van administratieve akten, en van art. 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de zorgvuldigheidsverplichting Aangezien verzoeker betwist dat de beslissing afdoende werd gemotiveerd, en de opgegeven motieven de beslissing kunnen dragen. In strijd met de materiële motiveringsplicht zijn de motieven immers niet pertinent. Dat de tegenpartij bij de beoordeling van het dringend beroep niet is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, dat zij de gegevens niet correct heeft beoordeeld en dat zij niet in redelijkheid op grond van die gegevens tot het besluit kan zijn gekomen. Dat er geen sprake is van inconsistente verklaringen, immers:
- Nopens de datum van de eerste arrestatie. Bij het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken wist verzoeker de datum van zijn eerste arrestatie niet meer, en betwist dan ook dat hij een datum zou hebben vermeld.
- Nopens het tijdstip van de tweede arrestatie. Verzoeker heeft naar aanleiding van het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken zeker niet verklaard dat de tweede arrestatie ‘s avonds zou zijn geschied. Opnieuw betwist verzoeker dat hij bij het eerste verhoor zou verklaard hebben dat de tweede arrestatie ‘s avonds zou hebben plaatsgevonden.
- Nopens de datum van de tweede arrestatie. Verzoeker heeft in zijn motivering van het dringend beroep van 12/11/2003 niet de datum van 01/11/2056 opgegeven voor zijn tweede arrestatie. Verzoeker meent dan ook dat de tegenpartij een fout gemaakt heeft bij de vertaling van de brief. Desgevallend dient een deskundige te worden aangesteld om het verzoekschrift van 12/11/2003 te vertalen, en aan te duiden waar verzoeker de datum 01/11/2056 opgeeft.
- Nopens wie de echtgenote van verzoeker heeft opgebeld of gecontacteerd. De verwarring wie praktisch, en op wiens initiatief de echtgenote van verzoeker werd gecontacteerd laat zich als volgt uitleggen: verzoeker werd geconfronteerd met de vraag om smeergeld te betalen voor zijn vrijlating. Hij was hiertoe bereid doch had zijn echtgenote nodig om die gelden te kunnen verzamelen. Verzoeker vroeg daarop contact met zijn echtgenote, waarop de politie de echtgenote heeft opgebeld en verzoeker de nodige hulp heeft kunnen vragen. Verzoeker had zelf om de hulp van zijn echtgenote gevraagd, maar de politie heeft haar gebeld.
- Nopens wat verzoeker deed wanneer de politie na de tweede arrestatie binnenviel. Het feit dat verzoeker inkopen deed in Baneshar, een commerciële wijk in Kathmandu, is helemaal niet tegenstrijdig of onverenigbaar met het feit VII-31.511-4/8 dat hij bij een vriend was. In Baneshar kwam verzoeker regelmatig, en ook de dag van de huiszoeking, vrienden en kennissen tegen, waarmee dan soms verder de dag werd doorgebracht. Ook deze verklaring van verzoeker is niet inconsistent.
- Nopens de arrestatie van de echtgenote van verzoeker. Verzoeker heeft inderdaad tijdens de verhoren niet vermeld dat zijn echtgenote ook eens werd opgepakte door de politie. Dit is echter geen tegenstrijdigheid, doch wel bijkomende informatie die in de motivering voor het dringend beroep werd opgenomen.
- Nopens het ogenblik waarop verzoeker op de hoogte werd gesteld dat de politie opnieuw naar hem op zoek was. De schijnbare tegenstrijdigheden zijn te verklaren door de wetenschap dat men twee dagen doet over de weg van de oom naar het huis van verzoeker. Daarenboven werd verzoeker zowel tijdens zijn tocht, als bij zijn terugkomst bij zijn oom door dorpelingen ingelicht. Op 30/05/2060 vertrok verzoeker van bij zijn oom, waardoor hij zowel op 30/05/2060 als 01/06/2060 op weg was naar huis. Op 01/06/2060 kwam verzoeker de dorpelingen tegen die hem vertelden dat de politie bij hem thuis was langs geweest, waarop verzoeker besloot terug te keren naar zijn oom. Op 02/06/2060 kwam verzoeker terug bij zijn oom aan, waar verzoeker eveneens door een dorpeling nogmaals werd ingelicht over de huiszoeking door de politie op 30/05/
- Dat elke bestuurshandeling moet gebaseerd zijn op juiste en relevante feiten, en dat de zorgvuldigheidsplicht de overheid ertoe verplicht zich volledig en correct in te lichten alvorens een beslissing te nemen. Dat de eerste drie tegenstrijdigheden te wijten zijn aan een onzorgvuldige en onvolledige vertaling of optekening van het verhaal van verzoeker. Dat één en ander verder kan blijken uit een onderzoek van het administratief dossier en de vertaling van het verzoekschrift van 12/11/2003 door een onafhankelijke deskundige. Dat de overige vier vermeende tegenstrijdigheden weliswaar gebaseerd zijn op correcte informatie, maar slechts schijnbaar tegenstrijdig zijn. Dat de verscheidene verklaringen van verzoeker logisch en complementair zijn, i.p.v. tegenstrijdig. Dat het dan ook kennelijk onredelijk is dat de tegenpartij op basis van deze motieven het relaas en de asielaanvraag van verzoeker als bedrieglijk beschouwt. Deze gevolgtrekking vindt geen steun in de boven weergegeven vaststellingen (1-7) van de tegenpartij, en is bijgevolg een manifeste appreciatiefout. Dat gelet op de weerlegging van de tegenstrijdigheden, de appreciatie van de tegenpartij, namelijk het bedrieglijk karakter, kennelijk onredelijk is. Dat de tegenpartij geen andere motieven aanvoert die losstaan van de bovenvermelde tegenstrijdigheden, waarop zij haar beslissing kon steunen. Dat verzoeker bijgevolg ernstige middelen aanvoert, die de vernietiging van de aangevochten beslissing verantwoorden.”; 2.
- Overwegende dat het vooreerst niet mogelijk is tegelijk de schending van de formele én materiële motiveringsplicht aan te voeren; dat uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, doch dat hij betwist dat de opgegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat het nagaan of de motieven pertinent zijn, de materiële motiveringsplicht betreft; dat in zoverre verzoeker verder wil aantonen dat de Commissaris-generaal de feitelijke gegevens van de zaak verkeerd zou hebben beoordeeld, in herinnering moet worden gebracht dat de appreciatie van de feitelijke gegevens in de eerste plaats zaak is van de overheid; dat het de Raad van State niet toekomt zich de discretionaire bevoegdheid van die overheid aan te matigen, doch enkel moet nagaan of de overheid deze beoordeling op in rechte en in feite aanneembare redenen heeft gesteund en of zij daarbij de grenzen van de redelijkheid niet heeft overschreden; dat in casu de asielaanvraag onontvankelijk werd verklaard op basis van het feit dat verzoekers asielaanvraag bedrieglijk is; dat dit alles uitvoerig wordt gemotiveerd in VII-31.511-5/8 de bestreden beslissing; dat met name wordt verwezen naar talrijke tegenstrijdige en ongerijmde verklaringen die door verzoeker in de loop van zijn asielprocedure werden afgelegd, waardoor de geloofwaardigheid van zijn beweringen en de oprechtheid van zijn asielrelaas volledig wordt ondermijnd; Overwegende dat verzoeker betreffende de eerste drie vastgestelde inconsistenties meent dat deze vaststellingen niet overeenkomen met zijn verklaringen en dat ze aan vertaalproblemen te wijten zijn; dat, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, uit de analyse van de verhoorverslagen van de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal en uit de vertaling van de motivering van het dringend beroep blijkt dat de door de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing gemaakte vaststellingen wel degelijk steun vinden in het administratief dossier; dat deze vastgestelde tegenstrijdigheden niet weerlegd worden met loutere beweringen post factum over slechte vertalingen en onzorgvuldige optekeningen, waarbij geen enkel concreet element ter ondersteuning van deze bewering wordt aangegeven; dat het voor verzoeker immers niet volstaat dit te beweren, zonder dit met concrete gegevens aan te tonen; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken werd gehoord in het Nepalees, dat, alhoewel hij daar de kans toe had, verzoeker op het einde van het interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken geen opmerking of kritiek heeft geformuleerd over de tolk, dat het verhoorverslag nadien aan verzoeker werd voorgelezen in het Nepalees en verzoeker het heeft ondertekend, waarbij hij verklaarde dat hij het gehoorverslag aanvaardt (verhoorverslag DVZ, p. 9); dat uit dit verhoorverslag aldus geenszins blijkt dat er vertaalproblemen zouden zijn opgetreden; dat verder uit het dossier blijkt dat verzoekers verzoekschrift in dringend beroep werd vertaald door een onafhankelijke tolk die het Nepalees machtig is, en dat ook nergens in het verhoorverslag van het Commissariaat- generaal melding wordt gemaakt van eventuele vertaalproblemen; dat het derhalve niet aannemelijk is dat de vastgestelde tegenstrijdigheden te wijten zouden zijn aan fouten in de vertaling; Overwegende dat verzoeker voor de overige vier vastgestelde tegenstrijdigheden aanvoert dat deze slechts schijnbaar tegenstrijdig zijn; dat verzoeker zich hier in wezen beperkt tot het a posteriori aanbrengen van preciseringen aan zijn verklaringen; dat deze latere nuanceringen echter geenszins ondersteund worden door of zelfs maar enigszins stroken met de stukken van het administratief dossier; dat verzoeker ook geen afdoende reden geeft waarom hij deze toelichtingen niet onmiddellijk tijdens zijn diverse verhoren voor de asielinstanties vermeldde, om zo desbetreffend een volledig en coherent verhaal te vertellen; dat binnen het kader van de asielprocedure de kandidaat- vluchteling immers ook een verantwoordelijkheid draagt, in die zin dat van hem wordt verwacht dat hij zo duidelijk en volledig mogelijk zijn asielmotieven weergeeft, zeker wat de feiten betreft die de kern van zijn asielrelaas raken; dat verzoeker er aldus niet in slaagt VII-31.511-6/8 aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal en de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt, kennelijk onredelijk of onjuist zouden zijn; Overwegende dat, aangezien in overeenstemming met artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag onder meer aangetoond kan worden door vast te stellen dat de verklaringen van verzoeker door tegenstrijdigheden en ongeloofwaardigheden aangetast zijn, en gelet op het voorafgaande en op gegevens van het administratief dossier, het oordeel van de Commissaris-generaal om verzoekers asielaanvraag als bedrieglijk te bestempelen, niet als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd; dat de aangevoerde schending van voormeld artikel 52 dan ook niet kan worden aangenomen; dat uit de gegevens van het administratief dossier evenmin kan worden afgeleid dat de Commissaris-generaal onzorgvuldig te werk zou zijn gegaan; dat verzoeker immers werd opgeroepen voor een verhoor, alwaar hij de kans kreeg om zijn asielmotieven kracht bij te zetten en nieuwe of aanvullende stukken neer te leggen; dat de door verzoeker bestreden beslissing uitgebreid de motieven bevat op grond waarvan wordt geoordeeld dat verzoekers asielaanvraag bedrieglijk is; dat de motieven worden gestaafd door een aantal precieze voorbeelden; dat verzoeker er niet in slaagt de juistheid en pertinentie ervan te weerleggen; dat het enige middel derhalve ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, VII-31.511-7/8 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-31.511-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.147 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div