← België

Arrest 137148 - - 09/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.148 Rolnummer: A. 148949/VII-31830 Zaak: Arrest 137148 - - 09/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-23 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 13:45 Fiche Arrest nr 137.148 van 9 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.148 van 9 november 2004 in de zaak A. 148.949/VII-31.830 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat R. BELDERBOSCH, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Belgiëlei 15 B, bus 10 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE VIII KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oekraïense nationaliteit, op 10 maart 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 6 februari 2004 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 juni 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht met een aangetekend schrijven van 9 februari 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 23 maart 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-31.830-1/9 Gelet op de beschikking van 7 september 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 12 oktober 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die, loco Advocaat R. BELDERBOSCH, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct- adviseur M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 30 december 2002 en verklaarde zich voor de tweede maal vluchteling op 27 mei
  3. 1.
  4. Op 5 juni 2003 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 6 februari 2004 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal is als volgt gemotiveerd : “A. Vluchtrelaas U werd een eerste keer gehoord op het Commissariaat-generaal op 16 juli 2003 in het bijzijn van uw advocaat Mr. Lieben en u werd een tweede keer gehoord op 15 september
  6. U, een Oekraïens staatsburger van Russische origine, verklaarde uw land verlaten te hebben na problemen omwille van uw origine en die van uw tweede echtgenoot. In 2000 kreeg uw partner XXX, een man van Ossetische origine zonder staatsburgerschap die al sinds 1993 in Oekraïne verbleef, geen Oekraïens staatsburgerschap van de lokale autoriteiten. Deze weigering gebeurde op een beledigende en bedreigende manier vanwege jullie Russische en Ossetische origine. In oktober 2000 huwden u en uw partner. Ook na jullie huwelijk hadden jullie nog problemen met de lokale autoriteiten, zo werd uw echtgenoot regelmatig opgepakt door de politie en afgeranseld. U schreef over uw problemen en de bedreigingen klachten naar het Ministerie van Justitie, het Generaal Parket en de President van Oekraïne. Uw klachten werden echter doorgegeven aan de lokale autoriteiten en u werd door hen nog meer onder druk gezet. Er waren diverse incidenten, o.a. aanvallen, bedreigingen en telefoontjes waarbij men u, uw man en dochter met de dood bedreigde. Op 13 januari 2001 werd u ‘s avonds aangesproken op straat en ernstig geslagen door drie mannen met als gevolg dat u een miskraam kreeg. Uw aangifte van dit incident had geen gevolg. In de lente van 2001 VII-31.830-2/9 probeerden onbekenden u te ontvoeren. Uw echtgenoot werd regelmatig beschoten, soms was u hierbij aanwezig. In de lente van 2002 werd uw echtgenoot zwaar geslagen en moest hij gehospitaliseerd worden. Hij verliet zelf het ziekenhuis en vertrok uit Oekraïne . U gaf in die periode op de plaatselijke TV-zender een interview over uw problemen. Een week later ontstond er brand in uw appartement en hierbij werden de bewijzen die u verzameld had over de aanvallen, de beledigingen en uw klachten vernield. In de herfst van 2002 probeerden onbekenden uw dochter te ontvoeren aan haar school. Toen u opnieuw een dreigtelefoontje kreeg besloot u onder te duiken bij een kennis, XXX (O.V. 5.417.027). In de herfst van 2002 werd XXX ernstig geslagen. Daarna besloten jullie Oekraïne te verlaten. Eind december 2002 verliet u samen met uw minderjarige dochter en XXX Oekraïne. Na 3 à 4 dagen kwam u aan in België waar u en XXX op 31 december 2002 een eerste asielaanvraag indienden bij de Belgische autoriteiten als neef en nicht. U baseerde uw asielaanvraag op het feit dat u problemen kende met uw ex-man en dat u problemen had met hem vanwege de Ossetische origine van uw laatste echtgenoot. Op 20 januari 2003 nam het Commissariaat-generaal een bevestigende beslissing van weigering van verblijf in het kader van deze asielaanvraag. U keerde echter niet terug naar Oekraïne maar u diende een tweede asielaanvraag in bij de Belgische autoriteiten op 27 mei
  7. U was er immers tijdens uw verblijf in België achter gekomen dat XXX en nationalisten verbonden waren met uw problemen. U bent in het bezit van uw geboorteakte, uw rijbewijs, uw huwelijksakte, de geboorteakte van uw dochter, vijf foto’s van u met uw tweede echtgenoot en uw dochter, een kopie van de beslissing van de rechtbank i.v.m. ouderschap eerste echtgenoot, kopies van bewijzen van ontvangst en verzending van klachten naar hogere instanties en drie internetartikels over het nationalisme in Oekraïne en uw stad Dnepropetrovsk. B. Motivering Er dienen enkele ernstige tegenstrijdigheden te worden opgemerkt na een vergelijking van uw opeenvolgende verklaringen (Dienst Vreemdelingenzaken eerste asielaanvraag. Dienst Vreemdelingenzaken tweede asielaanvraag. Bijkomende Schriftelijke Verklaring dd. 23/07/2003, Commissariaat-generaal dd. 16/07/2003, Commissariaat-generaal dd. 15/09/2003). Zo maakte u tijdens uw eerste asielaanvraag geen enkele melding van de problemen die u kende met de lokale autoriteiten en nationalisten. Uit uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken bleek dat u enkel problemen had met uw ex-man omdat hij gekant was tegen uw relatie met iemand van Ossetische origine en omdat hij zijn dochter terug wilde (DVZ eerste asielaanvraag, nr. 42). Toen u op het Commissariaat- generaal geconfronteerd werd met het feit dat u op het moment van uw eerste asielaanvraag op de hoogte was dat althans een deel van uw problemen (o.a. doodsbedreigingen, beschietingen) gecreëerd werden door de lokale autoriteiten en dat u nagelaten had deze te vermelden, verklaarde u dat de vader van uw ex-man een belangrijk figuur was (CGVS dd. 16/07/2003, p. 27; CGVS dd. 15/09/2003, p. 19), dat uw dochter ziek was (CGVS dd 15/09/2003, p. 19), dat het nieuwjaar was toen u asiel aanvroeg (CGVS dd. 15/09/2003, p. 19) en dat u gedaan heeft wat XXX u had gezegd (CGVS, dd. 15/09/2003, p. 19). Deze verklaringen zijn te uiteenlopend en niet afdoende aangezien men van u als kandidaat-vluchteling kan verwachten dat u uw volledige medewerking verleent aan de asielprocedure en dat u zo duidelijk en volledig mogelijk uw problemen tracht uiteen te zetten. Tevens maakte u hiervan geen enkele melding in uw verzoekschrift tot dringend beroep (dd. 10/01/2003). Bovendien maakte u tijdens uw tweede asielaanvraag voor de Dienst Vreemdelingenzaken opnieuw geen enkele melding van ernstige persoonlijke problemen of incidenten met lokale autoriteiten. Zo stelde u dat u wel problemen kende met verschillende officiële instanties omdat uw man ‘zwart’ was, dat u verweten en beledigd werd omdat u met hem was getrouwd en dat u slechte ervaringen had met de politie (DVZ tweede asielaanvraag, nr. 42), maar u legde de hoofdreden van uw vrees om terug te keren naar Oekraïne bij XXX en de nationalistische groepering waarvan hij deel uitmaakte (DVZ tweede asielaanvraag, nr. 42). Het is opmerkelijk dat u bij uw tweede asielaanvraag voor de Dienst Vreemdelingenzaken opnieuw geen melding maakte van de exacte rol van de lokale autoriteiten. Uit uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal blijkt immers dat de lokale autoriteiten de oorzaak zijn van uw problemen (CGVS dd. 16/07/2003, p. 28), dat u bij een terugkeer vooral de lokale autoriteiten (die u tevens beschouwt als maffia) vreest (CGVS, dd. 16/07/2003, p. 29) VII-31.830-3/9 en dat de vlucht uit uw land werd veroorzaakt door de burgemeester, het hoofd van de stedelijke politie en de voorzitter van de rechtbank (Bijkomende Schriftelijke Verklaring, dd. 23/07/2003). Toen u op het Commissariaat-generaal geconfronteerd werd met het feit dat u nu de autoriteiten als hoofdoorzaak van uw problemen beschouwde en niet meer Leodamskyi, verklaarde u dat u het kort en terloops had gezegd voor de Dienst Vreemdelingenzaken, dat u geheugenverlies heeft (CGVS dd. 16/07/2003, p. 25), dat u bang was en in shock, en dat u geleden had in het gesloten centrum (CGVS dd. 15/09/2003, p. 19). Deze verklaringen zijn echter niet afdoende, gelet op de ernst van dit aspect van uw verhaal, namelijk de mensen die de oorzaak zijn van uw vlucht. Van iemand die verklaarde dat de politie achter de problemen met XXX en de (onbekende) nationalisten zit (CGVS dd. 16/07/2003, p. 22), kan worden verwacht dat u dit zou verduidelijken zodra u hiervan op de hoogte was. Tevens maakte u van uw concrete problemen met de autoriteiten ook in uw Verzoekschrift tot Dringend Beroep (dd. 10/06/2003) geen enkele melding. Aldus dient te worden vastgesteld dat u in uw opeenvolgende verklaringen telkens wijzigingen aanbrengt in de personen die u vervolgen zonder hiervoor afdoende verklaringen te bieden. Verder stelde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u of uw man uw dochter elke dag naar school brachten en afhaalden nadat men geprobeerd had haar op school te ontvoeren (DVZ tweede asielaanvraag nr. 42). Voor het Commissariaat-generaal echter verklaarde u dat men uw dochter op school probeerde te ontvoeren in de herfst van 2002 (CGVS dd. 16/07/2003, p. 24) terwijl u uw man de laatste keer gezien had in de lente van 2002 (CGVS dd. 16/07/2003, p. 20). Ook moet met betrekking tot diverse incidenten worden opgemerkt dat u deze niet altijd vermeld heeft. Zo maakte u tijdens uw eerste asielaanvraag enkel melding van slagen en bedreigingen door uw ex-man (DVZ eerste asielaanvraag nr. 42, 45 & 46). Tijdens uw tweede asielaanvraag echter vermeldde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u geslagen en geschopt werd door nationalisten waardoor u een miskraam kreeg (DVZ tweede asielaanvraag, nr. 42), dat u en uw man op een dag beschoten werden (DVZ tweede asielaanvraag, nr. 42), dat uw woning in brand werd gestoken (DVZ tweede asielaanvraag, nr. 42). Bovendien maakte u tijdens uw tweede asielaanvraag voor de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ tweede asielaanvraag , nr. 42) geen enkele melding van de doodsbedreigingen van lokale autoriteiten tegen u, uw man en uw dochter (CGVS dd. 16/07/2003, p. 21, 22; CGVS dd. 15/09/2003, p. 7, 8 15 & 16). Aangezien u op de hoogte was van deze ernstige incidenten was het noodzakelijk om deze meteen te melden aan de Belgische asielinstanties. Ten slotte is het ook ongeloofwaardig dat u in uw eerste asielaanvraag noch voor de Dienst Vreemdelingenzaken in uw tweede asielaanvraag uw Russische origine als reden van vervolging vermeldde (DVZ eerste asielaanvraag nr. 42; DVZ tweede asielaanvraag nr. 42). Voor het Commissariaat-generaal daarentegen verklaarde u dat het niet enkel de Kaukasische origine was van uw man maar ook uw Russische origine die voor problemen zorgde (CGVS dd. 16/07/2003, p. 15, 17 & 28; CGVS dd. 15/09/2003, p. 2, 3, 18, 20 & 21). U had dit aspect van uw asielrelaas ook al moeten melden voor de Dienst Vreemdelingenzaken, aangezien uit uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal blijkt dat uw Russische origine een cruciale factor was voor uw problemen De hierboven beschreven tegenstrijdigheden ondermijnen op fundamentele wijze de geloofwaardigheid van uw asielaanvraag. In het kader van de asielaanvraag van uw kennis XXX (O.V. 5.471.027) werd door het Commissariaat-generaal op 20 januari 2003 een bevestigende beslissing van weigering van verblijf getekend. Hij werd in april 2003 teruggestuurd naar Oekraïne. De door u in het kader van uw asielaanvraag neergelegde documenten kunnen, gelet op het bedrieglijk karakter van uw asielrelaas, bovenstaande conclusies niet wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat u uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. VII-31.830-4/9 Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2.).”; 2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt : “Schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen. Schending van art. 62, 1ste lid van de wet van 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen: “De administratieve beslissingen worden met redenen omkleed...”. De bestreden beslissing wordt vooreerst gemotiveerd door de overweging dat er ernstige tegenstrijdigheden dienen te worden opgemerkt na vergelijking van de opeenvolgende verklaringen van verzoekster. Zo stipt de bestreden beslissing aan dat zij tijdens haar eerste asielaanvraag geen enkele melding maakte van de problemen die zij kende met de lokale autoriteiten en nationalisten, maar dat uit haar verklaring voor de Dienst Vreemdelingenzaken bleek dat zij enkel problemen had met haar ex-man omdat hij gekant was tegen haar relatie met iemand van Ossetische origine en omdat hij zijn dochter terug wilde en verder stipt de bestreden beslissing aan dat verzoekster tijdens haar tweede asielaanvraag voor de Dienst Vreemdelingenzaken opnieuw geen enkele melding maakte van ernstige persoonlijke problemen of incidenten met lokale autoriteiten, dat zij stelde dat zij wel problemen kende met verschillende officiële instanties omdat haar man “zwart” was, dat zij verweten en beledigd werd omdat zij met hem was getrouwd en dat zij slechte ervaringen had met de politie, maar dat zij de hoofdreden van haar vrees om terug te keren naar Oekraïne bij XXX en de nationalistische groepering waarvan hij deel uitmaakte legde, terwijl het opmerkelijk is dat zij bij haar tweede asielaanvraag voor de Dienst Vreemdelingenzaken opnieuw geen melding maakte van de exacte rol van de lokale autoriteiten. Verzoekster brengt hiertegen in dat zij een complex en uitgebreid relaas brengt, dat zij omwille van een geheel van uiteenlopende redenen Oekraïne is ontvlucht, en dat zij naargelang de loop van het gesprek tijdens het interview, en omwille van externe factoren zoals stress en een depressie als gevolg van een langdurig verblijf in een gesloten asielcentrum , soms de ene reeks van factoren, en soms een ander geheel van factoren benadrukt, waarbij de verwarring van verzoekster nog wordt verhoogd doordat zij vanwege XXX in de loop van de procedure nog informatie heeft gekregen die een ander licht werpt op de problemen die zij in Oekraïne gekend heeft, en verzoekster meent dan ook dat in het licht van deze gegevens haar geen tegenstrijdigheden kunnen worden verweten. De bestreden beslissing wordt dan verder gemotiveerd door de overweging dat zij voor de Dienst Vreemdelingenzaken stelde dat zij of haar man haar dochter elke dag naar school brachten en afhaalden, nadat men geprobeerd had haar op school te ontvoeren, terwijl zij voor het Commissariaat-generaal echter zou verklaard hebben dat men haar dochter probeerde te ontvoeren in de herfst van 2002, terwijl zij haar man de laatste keer gezien had in de lente van
  9. Verzoekster brengt hiertegen in dat zij meent op de Dienst Vreemdelingenzaken gezegd te hebben dat zij en haar ouders haar dochter elke dag naar school brachten en afhaalden. Verder wordt de bestreden beslissing gemotiveerd door de overweging dat m.b.t. diverse incidenten dient te worden opgemerkt dat ze deze niet altijd vermeld heeft, en dat zij zo tijdens haar eerste asielaanvraag enkel melding maakte van slagen en bedreigingen door haar ex-man, terwijl zij tijdens haar tweede asielaanvraag voor de Dienst Vreemdelingenzaken vermeldde dat zij geslagen en geschopt werd door nationalisten, waardoor zij een miskraam kreeg, en dat zij en haar man op een dag beschoten werden, dat haar woning in brand werd gestoken, en verder dat zij tijdens haar tweede asielaanvraag voor de Dienst Vreemdelingenzaken geen enkele melding VII-31.830-5/9 maakte van doodsbedreiging van lokale autoriteiten tegen haar, haar man en haar dochter. Verzoekster brengt hier opnieuw tegen in dat haar verhaal complex en omvangrijk is, dat zij omwille van een geheel van omstandigheden uit Oekraïne is gevlucht, en dat zij omwille van de gang van het gesprek tijdens het interview, en externe factoren zoals stress en depressie, soms eerder de nadruk legt op sommige van deze omstandigheden, die dan weer minder aan bod komen in een andere interview. Ten slotte wordt de bestreden beslissing gemotiveerd door de overweging dat het ook ongeloofwaardig zou zijn dat zij in haar eerste asielaanvraag, noch voor de Dienst Vreemdelingenzaken in haar tweede asielaanvraag, haar Russische origine als reden van vervolging vermeldde, terwijl zij voor het Commissariaat-generaal daarentegen verklaarde dat het niet enkel de Kaukasische origine van haar man was, maar ook haar Russische origine die voor problemen zorgde. Verzoekster brengt hiertegen in dat hier opnieuw sprake is van nadruk op het ene element, dan wel op het andere element, naargelang het concrete verloop van het interview. Aangezien na analyse blijkt dat de beweerde tegenstrijdigheden in de opeenvolgende verklaringen van verzoekster schijnbaar zijn, dan wel dat er een natuurlijke verklaring voor is, is de bestreden beslissing onvoldoende gemotiveerd.”; 2.
  10. Overwegende dat verzoekster in wezen een schending van de materiële motiveringsplicht inroept; dat verzoekster in haar uiteenzetting echter niet zozeer de talrijk vastgestelde tegenstrijdigheden in concreto tracht te verklaren of zelfs betwist, maar zich ertoe beperkt een aantal veronderstellingen te opperen nopens de mogelijke oorzaken van deze discrepanties; dat evenwel niet uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster omwille van “stress” en “een depressie” in de onmogelijkheid verkeerde om de vragen die haar in de loop van de asielprocedure werden gesteld, naar behoren te begrijpen en te beantwoorden; dat verzoekster dit evenmin tijdens de diverse interviews heeft verklaard; dat de complexiteit en uitgebreidheid van haar asielrelaas en de omstandigheid dat zij in de loop van de procedure nog informatie heeft verkregen, op zich niet volstaan om zonder meer alle vastgestelde tegenstrijdigheden in haar relaas te rechtvaardigen; dat ook de wijze waarop een interview verloopt, op zich geen verklaring kan bieden voor het afleggen van tegenstrijdige verklaringen; dat verzoekster meermaals werd opgeroepen voor een verhoor, alwaar zij de gelegenheid kreeg om haar asielmotieven uiteen te zetten, haar argumenten kracht bij te zetten, en nieuwe of aanvullende stukken neer te leggen; dat zij hierbij, als kandidaat-vluchtelinge, de verantwoordelijkheid draagt zo duidelijk, coherent en volledig mogelijk haar asielmotieven weer te geven, zeker wat de feiten betreft die de kern van haar asielrelaas raken; dat op grond van de door haar gegeven inlichtingen de Commissaris- generaal immers tot een redelijke beoordeling van de asielaanvraag dient te komen; dat er, gelet op de gegevens van het dossier, geen redenen voorhanden zijn om er aan te twijfelen dat dit in casu is gebeurd; Overwegende dat verzoekster daarnaast betreffende één van de vastgestelde tegenstrijdigheden ontkent dat zij de verklaring zoals weergegeven in de bestreden beslissing heeft afgelegd; dat echter uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoekster tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat men haar dochter heeft proberen te ontvoeren uit de school en dat “mijn man of ik brachten VII-31.830-6/9 haar sindsdien elke dag naar school en we gingen haar ook afhalen” (verhoorverslag DVZ, p. 5); dat verzoeksters uitleg voor de in de bestreden beslissing vastgestelde tegenstrijdigheid, met name dat zij meent op de Dienst Vreemdelingenzaken te hebben gezegd dat zij en haar ouders haar dochter elke dag naar school brachten en afhaalden, geenszins overtuigt; dat verzoekster gedurende het interview en na voorlezing van het verslag ervan immers geen enkele opmerking dienaangaande heeft gemaakt; dat verzoekster daarentegen uitdrukkelijk verklaarde dat het verhaal haar werd voorgelezen door een tolk die ze volmondig verstaat en dat ze akkoord gaat met de inhoud ervan (verhoorverslag DVZ, p. 6); dat dergelijke bewering post factum de door de Commissaris-generaal op basis van de stukken van het dossier gemaakte vaststelling dan ook niet weerlegt en geen afbreuk doet aan de wettigheid van de bestreden beslissing; Overwegende dat verzoekster er aldus niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal en de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt, kennelijk onredelijk of onjuist zouden zijn; dat de door verzoekster bestreden beslissing uitgebreid de motieven bevat op grond waarvan wordt geoordeeld dat de aanvraag bedrieglijk is; dat de motieven worden gestaafd door een aantal precieze voorbeelden, telkens met verwijzing naar de desbetreffende passages in verzoeksters verklaringen; dat de juistheid en pertinentie ervan niet worden weerlegd door verzoekster; dat het enige middel niet gegrond is;
  11. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  12. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-31.830-7/9 VII-31.830-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-31.830-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.148 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.