id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.168 Rolnummer: A. 154458/XII-4284 Zaak: Arrest 137168 - - 09/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-24 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 13:50 Fiche Arrest nr 137.168 van 9 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.168 van 9 november 2004 in de zaak A. 154.458/XII-
- In zake : Eduard VERBERT, die woonplaats kiest bij advocaat Y. Nelissen Grade, kantoor houdende te Leuven, Ubicenter, Philipssite 5 tegen : de BESTENDIGE DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij advocaat D. Socquet, kantoor houdende te Tervuren, Merenstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Eduard Verbert op 4 augustus 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 27 mei 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant om hem met ingang van 1 juli 2004 toe te laten tot het definitief vroegtijdig rustpensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; XII-4284-1/5 Gelet op de beschikking van 15 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 oktober 2004, welke zitting voor onbepaalde tijd wordt uitgesteld; Gelet op de beschikking van 20 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. Vanosmael, die loco advocaat Y. Nelissen Grade verschijnt voor verzoeker, en van advocaat D. Socquet, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verwerende partij de vordering onontvankelijk noemt bij gemis aan het rechtens vereiste belang; dat een onderzoek van en een uitspraak over de exceptie zich alleen zouden opdringen indien aan de grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan mocht zijn, hetgeen zoals hierna zal blijken niet het geval is; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; XII-4284-2/5 Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat in het verzoekschrift wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing, gelet op verzoekers leeftijd van 55 jaar, het einde van zijn loopbaan betekent en dat “het niet meer kunnen werken op deze leeftijd een zwaar moreel aspect met zich meebrengt en aan het fundamenteel recht op arbeid raakt”; Overwegende dat de zwaarte van het aangevoerde moreel nadeel moet worden geapprecieerd in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak; Overwegende dat in 1988 bij verzoeker, toentertijd in buitendienst tewerkgesteld, een aangeboren bloedziekte wordt vastgesteld waardoor hij een groter risico op infecties loopt; dat hij uiteenzet dat in dat geval tewerkstelling in buitendienst raadzaam is, maar dat hij niettemin in 1995 wordt overgeplaatst waardoor hij “in permanente binnendienst” moet werken, “waar het infectiegevaar groter” is; dat hij de overplaatsing naar “een door de geneesheren omschreven absoluut te vermijden omgeving” “niet aanvaardbaar” noemt, maar tegen de overplaatsing, zijns inziens “basis van de huidige beslissing”, blijkbaar niets onderneemt; dat hij dit ter terechtzitting verklaart doordat hij “te braaf” is; dat hij vanaf begin januari 1996 zo goed als onafgebroken afwezig is wegens ziekte; dat volgens verzoeker de ziekte “evenwel enkel gesteund [is] op aflezing van de gegevens van de bloedanalyses” en er “de facto geen enkele ziekte” kan worden vastgesteld; dat hoe dan ook, hij met ingang van 9 augustus 1997 ter beschikking wordt gesteld wegens ziekte; dat hij op 17 juni 2003, naar aanleiding van een medisch onderzoek door de pensioencommissie, door de hoofdgeneesheer van de administratieve gezondheidsdienst definitief ongeschikt wordt bevonden om zijn werkzaamheden op normale en regelmatige wijze te vervullen, maar nog wel geschikt om, in samenspraak met de bevoegde arbeidsgeneeskundige dienst, in de buitendienst te worden tewerkgesteld; dat bij de beslissing wordt toegelicht dat indien geen wedertewerkstelling is verwezenlijkt binnen de termijn van één jaar, hij zonder nieuw medisch onderzoek om medische redenen gepensioneerd zal worden; dat verzoeker op 10 juli 2003 verklaart met de beslissing in te stemmen; dat blijkens het aangevochten besluit van 27 mei 2004 binnen de termijn van één jaar niet in een aangepaste tewerkstelling kon worden voorzien, reden waarom verzoeker met ingang XII-4284-3/5 van 1 juli 2004 tot het definitief vroegtijdig rustpensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid wordt toegelaten; dat verzoeker de verwerende partij ter zake weliswaar verwijt niet genoeg inspanningen met het oog op zijn wedertewerkstelling te hebben geleverd, maar zelf evenmin op onderzoek blijkt uitgegaan en geen enkel geschikt werk aanwijst waarmee de verwerende partij hem tenminste had kùnnen belasten; Overwegende dat in de huidige stand van zaken moet worden vastgesteld dat verzoeker op het moment van de bestreden beslissing om hem tot het definitief vroegtijdig rustpensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid toe te laten, al meer dan acht jaar wegens ziekte niet heeft kunnen werken, en dat hij zich daar uiteindelijk, op het eerste gezicht, wel kon in vinden; dat waar verzoeker, ofschoon naar eigen zeggen “blakend van gezondheid” en “nooit ziek”, zich zonder verzet lijkt te hebben geïnstalleerd in de onmogelijkheid om te werken, hij niet geloofwaardig betoogt plotseling zijn “fundamenteel recht op arbeid” in het gedrang te zien komen doordat de bestreden beslissing die onmogelijkheid prolongeert; dat, in deze specifieke context, niet wordt aangenomen dat het door verzoeker aangevoerde moreel nadeel de voor een schorsing vereiste ernst vertoont; Overwegende dat aldus niet is voldaan aan één van de cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing; dat deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. XII-4284-4/5 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november 2004, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4284-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.168 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.038 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.