← België

Arrest 137170 - - 09/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.170 Rolnummer: A. 153986/X-11967 Zaak: Arrest 137170 - - 09/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-24 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 13:51 Fiche Arrest nr 137.170 van 9 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.170 van 9 november 2004 in de zaak A. 153.986/X-11.

  1. In zake : Hans VANDEN BUSSCHE, die woonplaats kiest bij Advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8200 SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Hans VANDEN BUSSCHE op 20 juli 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 21 april 2004 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan de gemeente Gistel de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het aanleggen van een wandelpad op een perceel gelegen te Gistel, Bosdreef-Ellestraat, kadastraal bekend Sectie B, nrs. 347T en 359G; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 7 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 oktober 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; X-11.967-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. LUST, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat V. VAN DE KEERE die, loco Advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verwerende partij de ontvankelijkheid van het beroep betwist; dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen; dat een onderzoek van en uitspraak over deze excepties alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; X-11.967-2/5 Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, verzoeker in de vordering tot schorsing doet gelden dat hij woont in een verkeersarme dreef, dat zijn woning en die van zijn buur van elkaar gescheiden zijn door een strook groen die in het bijzonder plan van aanleg en de verkaveling zijn aangeduid als voetpad voor openbaar gebruik, strook die echter tot op heden nog steeds een grasstrook is, dat verzoeker nog altijd zelf instaat voor het onderhoud ervan, dat gezien hij in afwachting van een initiatief vanwege de gemeente daar alsnog geen afsluiting heeft geplaatst, die strook de facto deel uitmaakt van zijn tuin, dat "geen mens (...) van dat zogenaamd openbaar voetpad gebruik (maakt)", dat het thans aan de orde is dat het vergunde werk voor doel en gevolg moet hebben dat voortaan meer dan 900 leerlingen van het Sint- Godelievecollege, meestal vier keer daags, allen op drie meter voorbij verzoekers woonst zullen passeren, om alzo hun school te bereiken of te verlaten, dat idem dito geldt voor het personeel en de leerkrachten en andere recreatieve fietsers en/of wandelaars, dat uit de foto’s blijkt dat de glaspartijen van verzoekers bureau en zithoek zich slechts op drie meter van de "wandelweg" bevinden zodat rechtstreeks uitzicht en inkijk mogelijk is, dat de slaapkamer zich op de eerste verdieping bevindt, met eveneens zicht op de wandelweg, dat verzoeker niets onverlet heeft gelaten om zijn woning mooi en gerieflijk te maken, dat, kortom, verzoeker thans woont in een zeer rustige en verkeersarme buurt met uitzicht op een weide, weliswaar ook palend aan een "voetpad voor openbaar gebruik" hetwelk echter nog nooit als voetpad werd aangelegd, dat hij in de toekomst zal worden geconfronteerd met een breed fietspad dat niets meer met een voetpad en/of wandelpad te maken zal hebben en waarlangs vier keer daags vele honderden jongeren zullen voorbij komen, "gewis ook met lawaaimakende brommers en snorfietsen", dat een ingrijpender wijziging van zijn leefklimaat moeilijk in te denken valt; dat verzoeker voorts omstandig wijst op het nadeel volgend uit ernstige bijkomende verkeersdrukte en de ermee gepaard gaande lawaaihinder en luchtvervuiling, en op de onaanvaardbare aantasting van zijn privacy; Overwegende dat verzoeker zich in de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar concrete en precieze gegevens dient aan te brengen waaruit enerzijds de ernst van het nadeel blijkt dat hij ondergaat of dreigt te ondergaan, hetgeen inhoudt dat hij concrete en precieze aanduidingen moet verschaffen omtrent de aard en de omvang van het nadeel dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte kan berokkenen, en waaruit anderzijds het moeilijk te herstellen karakter van het nadeel blijkt; X-11.967-3/5 Overwegende dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zijn rechtstreekse oorzaak moet vinden in de aangevochten beslissing; dat het aan verzoeker toekomt concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit kan blijken dat zulks het geval is; dat te dezen de bestreden vergunning tot voorwerp heeft het aanleggen van een wandelpad op, inzonderheid, een strook naast het perceel van verzoeker; dat dit perceel is gelegen binnen het beheersingsgebied van het bij ministerieel besluit van 27 juli 1993 goedgekeurd bijzonder plan van aanleg nr. 5 "De Kom Zuid" en is bestemd voor "voetpaden voor openbaar gebruik"; dat blijkbaar dit voetpad voor openbaar gebruik is overgenomen in de op 27 september 1993 verleende verkavelingsvergunning en grenst aan verzoekers perceel dat het lot nr. 19 vormt in de voornoemde verkaveling; dat, daargelaten de vraag of de aangevoerde nadelen met voldoende concrete en precieze gegevens onderbouwd zijn in het verzoekschrift, de nadelen volgend uit het gebruik van het wandelpad door voorbijgaande jeugd en anderen, alsook de aantasting van verzoekers privacy en woonklimaat, veeleer hun rechtstreekse oorsprong blijken te vinden in de bestemming die het bijzonder plan van aanleg en de verkavelingsvergunning aan de betrokken zone heeft gegeven, en niet in de bestreden vergunning die deze bestemming realiseert; dat ter zake verzoeker er verkeerdelijk van uitgaat dat een bestaande feitelijke toestand onveranderd zal blijven en dat het loutere feit dat deze bestaande feitelijke toestand naar de toekomst toe in overeenstemming wordt gebracht met de bestaande juridische toestand of bestemming, hem een ernstig nadeel veroorzaakt; dat voorts het nadeel dat volgt uit het gebruik van dit wandelpad door (brom)fietsers niet voortvloeit uit de tenuitvoerlegging van de bestreden vergunning, maar veeleer uit de overtreding van de stedenbouwkundige voorschriften, te meer dat aan het begin en einde van het gedeelte dat door het beheersingsgebied van het bijzonder plan van aanleg loopt fietsontradende constructies worden aangelegd; dat in deze concrete omstandigheden, verzoeker niet aannemelijk maakt dat het uiteengezette nadeel zodanig is dat het als een ernstig nadeel in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan worden beschouwd; dat de uiteenzetting van verzoeker onvoldoende concrete en precieze gegevens bevat waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen zoals bedoeld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde X-11.967-4/5 voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  3. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november 2004, door : de HH. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. G. DEBERSAQUES. X-11.967-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.170 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.859 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.