id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.171 Rolnummer: A. 154527/X-11993 Zaak: Arrest 137171 - - 09/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-16 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 13:51 Fiche Arrest nr 137.171 van 9 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.171 van 9 november 2004 in de zaak A. 154.527/X-11.
- In zake : de n.v. COFER, die woonplaats kiest bij Advocaat M. SMOUT, kantoor houdende te 1820 STEENOKKERZEEL, Tervuursesteenweg 286/2 tegen : het Vlaams Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaten H. SCHILTZ en G. CNUDDE, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Tavernierkaai
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. COFER op 6 augustus 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 15 april 2004 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken houdende vaststelling van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten in zoverre op deze lijst wordt geplaatst, de n.v. COMET, op een perceel gelegen te Mechelen, Koningin Astridlaan 132, kadastraal bekend Sectie F, nr. 625Wdeel; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur- Afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 30 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 oktober 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; X-11.993-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. SMOUT, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat G. CNUDDE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- Afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij met een op 22 oktober 2004 gedateerde brief replikeert op het verslag van het bevoegde lid van het auditoraat; dat een dergelijke repliek niet is voorzien in het toepasselijke procedurereglement; dat deze brief, tesamen met de erbij gaande bijlagen, om die reden uit de debatten wordt geweerd; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; X-11.993-2/5 Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, de verzoekende partij uiteenzet dat door het bestreden besluit de onmiddellijke toepassing wordt bevolen van alle bepalingen van het besluit van 17 november 1993 van de Vlaamse regering tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten; dat zij, geconfronteerd met een huurder die moet worden uitgedreven, zowel voor, tijdens als na de uitdrijving omzeggens onmogelijk dit besluit kan naleven; dat zij dit nadeel dan verder uitlegt en detailleert aan de hand van een artikelsgewijze benadering en bespreking; dat zij verder stelt dat het voor haar een raadsel is hoe de wetgeving inzake bodemverontreiniging tegelijk met de opgelegde verplichtingen moet worden nageleefd; dat zij ten slotte stelt dat de voorlopige klassering een allicht negatieve invloed zal hebben op haar beroep tot nietigverklaring waarbij haar administratief beroep werd verworpen en haar de stedenbouwkundige vergunning werd geweigerd voor het slopen van fabrieksgebouwen aan de Koningin Astridlaan 132-135 te Mechelen; Overwegende dat de verzoekende partij zich in de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar concrete en precieze gegevens dient aan te brengen waaruit enerzijds de ernst van het nadeel blijkt dat zij ondergaat of dreigt te ondergaan, hetgeen inhoudt dat zij concrete en precieze aanduidingen moet verschaffen omtrent de aard en de omvang van het nadeel dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte kan berokkenen, en waaruit anderzijds het moeilijk te herstellen karakter van het nadeel blijkt; Overwegende dat het bestreden besluit slechts een zeer tijdelijke uitwerking heeft; dat die uitwerking, gelet op het artikel 5, § 7, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, beperkt is tot twaalf maanden vanaf de kennisgeving van het besluit, termijn die slechts éénmaal met ten hoogste zes maanden kan worden verlengd; dat het besluit overeenkomstig het artikel 7 van het voornoemde decreet, van rechtswege vervalt indien vóór de einddatum van de voorlopige bescherming geen besluit tot definitieve bescherming is genomen; Overwegende dat, in zoverre de verzoekende partij aanvoert dat haar nadeel voortvloeit uit de verplichtingen en beperkingen die het gevolg zijn van de instelling van de procedure tot bescherming, er dient te worden aangestipt dat de X-11.993-3/5 voorlopige bescherming maar een eerste stap in de beschermingsprocedure is; dat zij een fase inluidt waarin de adviezen van diverse instanties worden ingewonnen, waarin de betrokken eigenaars, erfpachthouders, opstalhouders en vruchtgebruikers hun opmerkingen en bezwaren kunnen doen gelden, waarin ook een openbaar onderzoek wordt gevoerd en waarin door de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen een met redenen omkleed advies wordt uitgebracht; dat in dit licht de omzetting van de voorlopige bescherming in een definitieve bescherming geen automatisme of vanzelfsprekendheid lijkt; dat hoe dan ook definitieve bescherming in voorkomend geval zelf tot voorwerp van een vordering tot vernietiging en schorsing kan worden gemaakt; Overwegende dat de verzoekende partij derhalve inzichtelijk en aannemelijk dient te maken, aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens, dat het reeds moeten ondergaan van de essentieel kortdurende en provisoire effecten van de bestreden voorlopige bescherming haar een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel dreigt te berokkenen; dat wat de in het verzoekschrift uiteengezette negatieve gevolgen betreft van de voorlopige bescherming, de verzoekende partij ter zake verzuimt dit te doen; dat voorts de verzoekende partij niet duidelijk en concreet uiteenzet welke negatieve invloed het voorlopige beschermingsbesluit heeft op haar annulatieberoep tegen de weigering van een slopingsvergunning; dat de uiteenzetting van de verzoekende partij te algemeen en te vaag is; dat de uiteenzetting van de verzoekende partij geen concrete en precieze gegevens bevat waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. X-11.993-4/5 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november 2004, door : de HH. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. G. DEBERSAQUES. X-11.993-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.171 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.