id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.179 Rolnummer: A. 125743/VII-27606 Zaak: Arrest 137179 - - 10/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-01 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 13:53 Fiche Arrest nr 137.179 van 10 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 137.179 van 10 november 2004 in de zaak A. 125.743/VII-27.606 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. HELSEN, kantoor houdende te 2640 MORTSEL, Pieter Reypenslei 25 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door minister van Binnenlandse zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Georgische nationaliteit, op 21 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 19 juli 2002 houdende het bevel om het grondgebied te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde, aan de verzoekende partij betekend op 22 juli 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 17 september 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 20 september 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 20 oktober 2004; VII-27.606-1/4 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. HINNEKENS, die, loco advocaat J. HELSEN, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoeker zou België zijn binnengekomen op 30 april
- Diezelfde dag werd hij aangehouden wegens afpersing en deelname aan criminele organisaties en op 1 mei 2002 werd hij opgesloten in de gevangenis. 1.
- Op 19 juli 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing houdende een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en tot vrijheidsberoving te dien einde. Deze beslissing werd aan verzoeker betekend op 22 juli
- "Artikel 7, eerste lid, 1/: verblijft in het Rijk zonder houder te zijn van de vereiste documenten; de betrokkene is niet in het bezit van een geldig paspoort. Artikel 7, eerste lid, 6/: beschikt niet over voldoende middelen van bestaan voor de duur van het voorgenomen verblijf/voor de terugreis naar het land van oorsprong/voor de doorreis naar een derde Staat waar zijn toelating is gewaarborgd, en is niet in staat die middelen wettelijk te verwerven; Met toepassing van artikel 7, tweede lid van dezelfde wet, is het noodzakelijk om de betrokkene zonder verwijl naar de grens te doen terugleiden, met uitzondering van de grens met Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Portugal, Spanje, Italië, Griekenland, Oostenrijk, Finland, Ijsland, Noorwegen, Denemarken en Zweden, om de volgende reden: Kan met zijn (haar) middelen niet wettelijk vertrekken Betrokkene beschikt niet over de nodige financiële middelen ten einde zich een reistiket aan te schaffen. Met toepassing van artikel 7, derde lid, van dezelfde wet, dient de betrokkene opgesloten te worden, aangezien zijn (haar) terugleiding naar de grens niet onmiddellijk kan uitgevoerd worden: VII-27.606-2/4 gezien betrokkene niet in het bezit is van identiteitsdocumenten, is het noodzakelijk hem ter beschikking van de Dienst Vreemdelingenzaken op te sluiten ten einde de procedure tot identificatie de kunnen starten. Gezien betrokkene verblijf in België zonder gekend adres - een aanduiding van een verplichte verblijfplaats niet kan uitgevoerd worden - is het derhalve noodzakelijk hem op te sluiten ter beschikking van de Dienst Vreemdelingenzaken.". Dit is de bestreden beslissing. 1.
- Op 9 september 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij verzoeker in vrijheid werd gesteld en waarbij hem een nieuwe termijn werd gegeven om het grondgebied van het rijk te verlaten, uiterlijk op 14 september
- 2.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 2 van de Vreemdelingenwet, van artikel 6 van het Verdrag van Dublin en van het “motiveringsbeginsel”; Overwegende dat uit de samenlezing van de artikelen 1 en artikel 6 van voornoemd verdrag blijkt dat dit laatste artikel enkel van toepassing is op een vreemdeling die een asielverzoek heeft ingediend waarover nog geen definitief besluit is genomen; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker in België nog geen asielaanvraag heeft ingediend; dat verder blijkt dat verzoeker, in tegenstelling tot hetgeen hij beweert, ook in Frankrijk geen asielaanvraag heeft ingediend; dat verzoekers argument dat hij “enkel het Cyrillisch schrift machtig is, (en hij) niet weet hoe de Franse autoriteiten zijn naam hebben vertaald naar het Romeins schrift”, niet kan worden aangenomen; dat artikel 6 van voornoemd Verdrag niet op verzoeker van toepassing is; dat een schending van de in het middel genoemde bepalingen en het in het middel genoemd beginsel door verzoeker niet aannemelijk wordt gemaakt; dat het eerste middel ongegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel stelt dat artikel 50 van de Vreemdelingenwet geschonden is; dat hij betoogt dat hij “al verscheidene malen heeft verklaard dat hij asielzoeker is”, dat hij echter “sinds zijn aankomst in België in hechtenis verblijft” en dat de “materiële onmogelijkheid” om zich daadwerkelijk vluchteling te verklaren hem bijgevolg niet kan worden aangerekend; Overwegende dat artikel 50 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de vreemdeling die het Rijk binnenkomt en die de status van vluchteling wenst te verkrijgen, zich op het ogenblik van binnenkomst of binnen acht werkdagen, vluchteling dient te verklaren; dat het feit dat verzoeker reeds op de dag van binnenkomst in het Rijk werd aangehouden en het voor hem materieel dus onmogelijk was om zich vluchteling te verklaren, geen afbreuk doet aan de motieven van de bestreden beslissing; dat nergens uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker België was binnengekomen met de intentie om zich vluchteling te verklaren; dat uit het verzoekschrift dat hij op 26 juli 2002 bij de VII-27.606-3/4 raadkamer van de correctionele rechtbank van Antwerpen indiende tegen de beslissing tot vrijheidsberoving, blijkt dat verzoeker zelf uitdrukkelijk beweert dat hij “naar België was gekomen om hier een wagen te kopen”; dat verzoeker geenszins aantoont dat de motivering van de bestreden beslissing onjuist zou zijn, noch dat deze kennelijk onredelijk zou zijn; dat het tweede middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien november tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-27.606-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.179 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div