id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.180 Rolnummer: A. 132029/VII-28815 Zaak: Arrest 137180 - - 10/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-01 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 13:54 Fiche Arrest nr 137.180 van 10 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 137.180 van 10 november 2004 in de zaak A. 132.029/VII-28.815 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2100 DEURNE-ANTWERPEN, Sint-Rochusstraat 59 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door minister van Binnenlandse zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Ecuadoriaanse nationaliteit, op 20 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 2 december 2002 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, lid 3 van de de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard met bevel om het grondgebied te verlaten, aan de verzoekende partij betekend op 19 december 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 24 februari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-28.815-1/5 Gelet op de beschikking van 20 september 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 20 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. MOMMERENCY, die, loco advocaat R. JESPERS, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij dient op 7 december 2001 een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); 1.
- Op 2 december 2002 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij die aanvraag onontvankelijk wordt verklaard. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: "De aanvraag om machtiging tot verblijf, ingediend op 07/12/2001 bij de burgemeester van Antwerpen door XXX, XXX geboren te Pichincha op 22/08/1979, onderdaan van Ecuador, verblijvende, in toepassing van art 9§3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is onontvankelijk. MOTIVERING: De buitengewone omstandigheden, bedoeld bij art 9§3 zijn deze die verzoeker verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging. Echter, de motieven die betrokkene inroept, te weten: durft niet terug te keren naar thuisland omdat de echtgenote van haar toenmalige baas daar nog VII-28.815-2/5 verblijft, vormen geen buitengewone omstandigheden die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen. Tevens werd haar klacht van mensenhandel door het Parket van Antwerpen geseponeerd. (...).". Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.
- Op 19 december 2002 krijgt de verzoekende partij een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de tweede bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 48 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 3 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); dat de verzoekende partij stelt dat zij in haar aanvraag had verklaard niet naar haar land van herkomst te kunnen terugkeren wegens haar vrees voor de bedreigingen van haar uitbuiters; dat zij de minister van Binnenlandse Zaken verwijt hieromtrent een “dogmatisch motief”te hanteren, omdat in concreto niet wordt gemotiveerd waarom het door haar aangehaalde argument geen “buitengewone omstandigheid” is in de zin van art. 9, derde lid van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij er ook op wijst dat de klacht wegens mensenhandel voorlopig werd geseponeerd omdat men de verdachten niet vond; dat zij meent dat de verwerende partij hierop in de bestreden beslissing meer in concreto had moeten ingaan; Overwegende dat artikel 48 van de Vreemdelingenwet betrekking heeft op het statuut van vluchteling, terwijl de bestreden beslissing uitspraak doet over een aanvraag om machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden; dat een schending van deze wetsbepaling dan ook in casu niet dienstig kan worden aangevoerd; dat de door de verzoekende partij aangevoerde schending van artikel 3 E.V.R.M. door haar niet verder wordt uitgewerkt; Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft VII-28.815-3/5 bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de formele motiveringsplicht de overheid er niet toe verplicht de motieven van haar motieven te veruitwendigen; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; Overwegende dat, zo het middel dusdanig geïnterpreteerd wordt dat de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht, zij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de verwerende partij, en de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de aanvraag te beoordelen, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat de verzoekende partij niet aanvoert, en bijgevolg evenmin aantoont, dat de motieven onredelijk zouden zijn; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de verwerende partij op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet, van de omzendbrief van 15 december 1998 over de toepassing van deze wetsbepaling, van de artikelen 2.2 en 2.4 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk en van de motiveringsplicht; dat de verzoekende partij stelt dat de verwerende partij geen rekening zou hebben gehouden met de criteria uit de Regularisatiewet; Overwegende dat de verzoekende partij de door haar ingeroepen schending van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet niet verder uitwerkt; dat de omzendbrief van 15 december 1998 werd opgeheven ingevolge de omzendbrief van 6 januari 2000; dat de huidige aanvraag niet was gebaseerd op de Regularisatiewet doch wel op artikel 9, lid 3 van de Vreemdelingenwet, zodat de verwerende partij dan ook geen rekening diende te houden met de criteria van de Regularisatiewet; dat hierboven reeds werd gesteld dat de motiveringsplicht niet werd geschonden; dat het middel niet gegrond is; VII-28.815-4/5 2.
- Overwegende dat het derde middel is gericht tegen het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat de verzoekende partij stelt dat dit bevel nietig is omdat het steunt op een nietige akte, te weten de eerste berstreden beslissing; Overwegende dat hierboven werd geoordeeld dat de middelen die tegen de eerste bestreden beslissing werden aangevoerd niet kunnen worden aangenomen; dat de stelling van de verzoekende partij dan ook niet kan worden gevolgd; dat het middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien november tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-28.815-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.180 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div