id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.220 Rolnummer: A. 157205/XIV-21067 Zaak: Arrest 137220 - - 10/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-21 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 13:55 Fiche Arrest nr 137.220 van 10 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.220 van 10 november 2004 in de zaak A. 157.205/XIV-21.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. VANHOYLAND kantoor houdende te 3500 HASSELT Kuringersteenweg 209 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Turkse nationaliteit, op 5 november 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het bevel om het grondgebied te verlaten van de minister van Binnenlandse Zaken aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 8 oktober 2004; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 8 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 november 2004 om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. DEBRIE die loco advocaat R. VANHOYLAND, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat C. DECORDIER die loco advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; XIV-21.067-1/3 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, gelet op het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een administratieve rechtshandeling waarin de wet voorziet, en op de stoornis die zij in het normaal verloop van de rechtspleging voor de Raad van State teweegbrengt, waarbij onder meer de rechten van verdediging van de verwerende partij tot een strikt minimum zijn herleid, de verantwoording door de verzoekende partij van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de schorsing evident, dit wil zeggen klaarblijkelijk, dit is, op het eerste gezicht onbetwistbaar moet zijn; dat de verzoekende partij de uiterst dringende noodzakelijkheid met concrete gegevens dient aan te tonen; dat deze rechtvaardiging tweeledig is; dat, enerzijds, dient te worden aangetoond dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen en, anderzijds, dat zij niet onredelijk lang met het indienen van haar verzoekschrift heeft gewacht; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt - en de verzoekende partij zelf stelt - dat de bestreden beslissing haar op 8 oktober 2004 werd ter kennis gebracht; dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid pas op 5 november 2004 is ingesteld; dat in het verzoekschrift niet de minste verantwoording wordt gegeven voor het laten verstrijken van vrijwel de volledige beroepstermijn alvorens een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen, zodat geenszins kan worden aangenomen dat de verzoekende partij diligent en alert heeft gereageerd; dat in het verzoekschrift evenmin wordt aannemelijk gemaakt waarom de schorsing volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zou komen, temeer daar tot heden geen enkele uitvoeringsmaatregel blijkt te zijn voorzien; Overwegende dat niet is voldaan aan de eerste van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, XIV-21.067-2/3 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien november tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-21.067-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.220 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.