id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.240 Rolnummer: A. 152544/X-11925 Zaak: Arrest 137240 - - 16/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-19 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 14:00 Fiche Arrest nr 137.240 van 16 november 2004 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.240 van 16 november 2004 in de zaak A. 152.544/X-11.
- In zake :
- Roger DEDONDER,
- Hugo VAN RIEL,
- Véronique DELCOUR, die woonplaats kiezen bij Advocaat R. POCKELE-DILLES, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Stoopstraat 1/13 - 5/ verdieping tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
- Tussenkomende partijen :
- de n.v. DEXIA BANK, die woonplaats kiest bij Advocaat B. MARTENS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 106,
- de gemeente WIJNEGEM. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Roger DEDONDER, Hugo VAN RIEL en Véronique DELCOUR op 7 juni 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 31 maart 2004 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan de n.v. DEXIA BANK de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het afbreken van gemeentemagazijnen en een woning met garage + het bouwen van een jeugdaccommodatie, lokalen voor buitenschoolse kinderopvangdienst inclusief omgevingswerken (tuin) en een dienstgebouw bij het kerkhof op een perceel gelegen te Wijnegem, Kosterijstraat 1, kadastraal bekend Sectie A, nrs. 567k, 567l en 559c; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; X-11.925-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 7 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 oktober 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat R. POCKELE-DILLES, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat J. CLAES, die verschijnt voor de verwerende partij, van Advocaat M. SCHURMANS die, loco Advocaat B. MARTENS verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en van Advocaat Chr. COEN, die verschijnt voor de tweede tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de n.v. DEXIA BANK en de gemeente WIJNEGEM met verzoekschriften van respectievelijk 1 juli 2004 en 6 juli 2004 hebben gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om de verzoeken in te willigen; Overwegende dat de tweede tussenkomende partij de ontvankelijkheid van het beroep betwist; dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen; dat een onderzoek van en uitspraak over deze exceptie alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; X-11.925-2/6 Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; Overwegende dat, wat de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, de verzoekende partijen in de vordering tot schorsing doen gelden dat de ernst van het nadeel blijkt uit de verhoudingsgewijze zeer grote omvang van het bouwwerk zowel qua oppervlakte als qua volume - hetgeen ze illustreren aan de hand van een commentaar van een "architect-urbanist-deskundige"- , uit het verlies van licht en de schending van het uitzicht, uit een essentiële wijziging in hun leefklimaat, de aantasting van de privacy, het woongenot en burenhinder, en uit het schrijnend tekort aan parkeerplaatsen; dat zij wat het verlies aan licht en uitzicht betreft, doen gelden dat door de omvang, het volume en het gabarit van het gebouw, zij voortaan iedere dag dienen aan te kijken tegen deze mastodont - het enige gebouw in de onmiddellijke omgeving zonder zadeldak - waardoor er evident licht verloren gaat, terwijl het uitzicht richting Albertkanaal al even evident is geschonden, dat zelfs de gewestelijke ambtenaar moet toegeven dat er - volgens hem een weliswaar klein - verlies aan zon of licht is; dat wat de essentiële wijziging van het leefklimaat betreft, de verzoekende partijen stellen dat "hoe men het ook draait of keert, een jeugdcentrum (...) bijna altijd een zekere overlast met zich mee(brengt)", dat deze overlast zal stijgen rekening houdende met de veel grotere capaciteit van het nieuw op te richten gebouw hetgeen ze illustreren aan de hand van een opsomming van de mogelijke modaliteiten van overlast; dat zij wat het schrijnende tekort aan parkeerplaatsen betreft, stellen dat rekening houdend met de grootte en met de capaciteit van het gebouw, het aantal voorziene parkeerplaatsen onmogelijk zal volstaan, dat dit betekent dat noodzakelijkerwijze auto’s her en der X-11.925-3/6 moeten geparkeerd worden in de omliggende straten die hierop geenszins voorzien zijn; Overwegende dat de verzoekende partijen zich in de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet mogen beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar concrete en precieze gegevens dienen aan te brengen waaruit enerzijds de ernst van het nadeel blijkt dat zij ondergaan of dreigen te ondergaan, hetgeen inhoudt dat zij concrete en precieze aanduidingen moeten verschaffen omtrent de aard en de omvang van het nadeel dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte kan berokkenen, en anderzijds het moeilijk te herstellen karakter van het nadeel blijkt; Overwegende dat de bestreden vergunning tot voorwerp heeft het afbreken van gemeentemagazijnen en een woning met garage en het bouwen van een jeugdaccommodatie, lokalen voor buitenschoolse kinderopvangdienst incluis de omgevingswerken (tuin) en een dienstgebouw bij het kerkhof; dat het bouwperceel overeenkomstig het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979, is gelegen in woongebied; dat wat het nadeel betreft betrokken op de omvang van het bouwwerk, het feit dat het vergunde bouwwerk "verhoudingsgewijze (een) zeer grote omvang" heeft, een loutere affirmatie is en geenszins op zichzelf aantoont dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een (ernstig) nadeel veroorzaakt in hoofde van de verzoekende partijen; dat de - overigens eveneens algemene - commentaar ter zake door een "architect-urbanist- deskundige" dit evenmin aantoont; dat wat het verlies aan licht en de schending van het uitzicht betreft, de verzoekende partijen zich ter zake beperken tot algemeenheden; dat bovendien de verzoekende partijen deze nadelen, ondanks hun verschil in ligging van de respectievelijke woningen ter zake, in identieke bewoordingen uiteenzetten, waarbij de ter staving gevoegde foto’s als nietszeggend en weinig overtuigend overkomen; dat inzonderheid niet aan de hand van die foto’s kan worden afgeleid waaruit het thans bestaande uitzicht bestaat, net zo min eruit kan worden afgeleid, gelet op de ligging van de diverse woningen, welke de concrete impact de vergunde werken en handelingen zullen hebben op hun (zon)licht; dat wat de wijziging van het leefklimaat en de burenhinder betreft, de verzoekende partijen zich beperken tot algemeenheden en veronderstellingen zonder deze te betrekken op de eigen zaak, daargelaten de vraag of de aangevoerde overlast niet eerder lijkt te volgen uit de exploitatie of zelfs uit de niet-naleving van de regelgeving die de gevreesde overlast en hinder verbiedt; dat ook wat de aangehaalde parkeerhinder X-11.925-4/6 betreft, de verzoekende partijen niet verder komen dan een vrij hypothetische formulering en voorstelling ervan en inzonderheid in gebreke blijven enige concrete en precieze verduidelijking te geven omtrent het concrete persoonlijk nadeel dat ze dreigen te doorstaan door het aangevoerde schrijnende tekort aan parkeerplaatsen; dat de uiteenzetting ter zake vanwege de verzoekende partijen te vaag en te algemeen is; dat tot slot de door de verzoekende partijen niet met afdoende concrete en precieze gegevens onderbouwde nadelen overigens veeleer hun rechtstreekse oorsprong blijken te vinden in de bestemming die het toepasselijke plan van aanleg aan het betrokken gebied heeft gegeven en niet in de bestreden stedenbouwkundige vergunning die deze bestemming realiseert; dat in deze concrete omstandigheden, de verzoekende partijen niet aannemelijk maken dat het uiteengezette nadeel zodanig is dat het als een ernstig nadeel in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan worden beschouwd; dat de uiteenzetting van de verzoekende partijen onvoldoende concrete en precieze gegevens bevat waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen zoals bedoeld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De verzoeken tot tussenkomst van de n.v. DEXIA BANK en van de gemeente WIJNEGEM in de vordering tot schorsing worden ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. X-11.925-5/6 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomsten in de schorsingsprocedure, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien november 2004, door : de HH. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. G. DEBERSAQUES. X-11.925-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.240 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.138.390 ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.423 ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.776 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.