← België

Arrest 137257 - - 17/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.257 Rolnummer: A. 157358/VII-33084 Zaak: Arrest 137257 - - 17/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-22 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 14:01 Fiche Arrest nr 137.257 van 17 november 2004 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 137.257 van 17 november 2004 in de zaak A. 157.358/VII-33.084 In zake :

  1. XXX,in eigen naam en in naam van zijn minderjarige kinderen: XXX, XXX en XXX,
  2. XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Jenatzystraat 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, in eigen naam en in naam van zijn minderjarige kinderen XXX, XXX en XXX, en XXX, van Armeense nationaliteit, op 15 november 2004 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 20 oktober 2004 waarbij hun aanvraag om machtiging tot verblijf ingediend op grond van artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ongegrond werd verklaard, alsook van bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partijen ter kennis werd gebracht op 8 november 2004; Gelet op de beschikking van 17 november 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 16 november 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 17 november 2004; VII-33.084-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A NAVASARTIAN, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partijen op 17 november 2002 bij de burgemeester van de stad Antwerpen een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) hebben ingediend die, wat de gegrondheid betreft, als volgt werd gemotiveerd: "(...) a. De betrokkenen verblijven al vijf jaar in België. Dit lange verblijf in ons land betekent enerzijds een verbreking van de banden met hun land van herkomst en anderzijds het ontstaan van nieuwe en hechte banden met België. Een verbreking van al deze banden door een bevel om het grondgebied te verlaten zal een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkenen. b. De betrokkenen zijn reeds perfect geïntegreerd in onze samenleving. Beide echtgenoten drukken zich zeer goed uit in de landstalen; zij hebben van meet af aan taallessen gevolgd. Zij hebben zeer goede banden met hun Belgische kennissen en vrienden alsmede met de administratieve overheden. Bijgevoegd vindt u talrijke brieven ter ondersteuning van de familie. c. Verzoeker is officieel tewerkgesteld. Het is dus geenszins de bedoeling van deze familie om te leven op kosten van de Belgische staat. De werkgever en zijn werkmakkers ondersteunen ten volle de regularisatieaanvraag van betrokkenen en onderstrepen zijn dynamisme, capaciteiten en eerlijkheid. d. Het dochtertje van betrokkenen is in ons land geboren. e. De betrokkenen vormen uiteraard geen gevaar voor de Belgische samenleving."; 1.
  4. Overwegende dat de bestreden beslissing van 20 oktober 2004 het verzoek ongegrond verklaart op grond van volgende motivering: "(...) De redenen die aangehaald worden om het verblijf toe te staan zijn onvoldoende: De aangebrachte elementen vormen geen bewijs van verregaande integratie en zijn bijgevolg onvoldoende om betrokkenen een verblijf toe te staan op grond van art. 9 van de wet van
  5. Het feit dat betrokkenen geïntegreerd zijn, zich zeer goed uitdrukken in de Belgische landstalen en heel goede banden hebben met hun Belgische kennissen en vrienden alsmede met de administratieve overheden, is een logisch gevolg van hun verblijf in België gedurende meer dan 7 jaar voor de heer XXX en gedurende bijna 3 jaar voor mevrouw XXX. Het is normaal dat betrokkenen de kans hebben gehad zich VII-33.084-2/6 te integreren tijdens de behandelingsduur van hun asielaanvraag. Dit geeft betrokkenen echter niet de mogelijkheid om beroep te doen op gelijk welk recht van verblijf dan ook. De heer XXX verklaart ook gewerkt te hebben. Hier dient opgemerkt te worden dat dit hem enkel werd toegestaan in de ontvankelijkheidsfase van zijn asielprocedure. Dat de betrokkenen geen gevaar vormen voor de Belgische samenleving verandert niets aan bovenstaande vaststelling."; 1.
  6. Deze beslissing werd aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 8 november 2004 met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten op uiterlijk 8 december
  7. 2.
  8. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partijen, wat de eerste voorwaarde betreft, uiteenzetten wat volgt: "Een gewone procedure tot schorsing of tot nietigverklaring is, gelet op de lange duur van de procedure, niet geschikt voor de behandeling van deze aanvraag. Een uitspraak volgens de gewone procedure zal onherroepelijk laat komen om nog enig nuttig effect te hebben, omdat het bevel elk ogenblik, manu militari, kan uitgevoerd worden en verzoekers het voorwerp kunnen worden van een gedwongen repatriëring. Verzoeker werd reeds zeven jaar geleden bij zijn asielaanvraag in een gesloten centrum geplaatst om door de verwerende partij gerepatrieerd te worden. De repatriëring werd enkel afgewend omwille van de positieve beslissing van het CGVS in verband met zijn asielaanvraag en niet door de goodwill van de verwerende partij. Deze houding van de verwerende partij toont aan dat zij verzoekers zal repatriëren bij de eerste gelegenheid vanaf 8 december
  10. Op zijn minst bestaat er geen enkele garantie dat de verzoekers niet zouden gerepatrieerd worden. Bijgevolg moet deze zaak uiterst dringend behandeld worden. De financiële situatie van de verzoekers laat bovendien geen enkele vertraging toe voor de behandeling. Immers, elke vertraging betekent dat zij vanaf 08.12.04 hier illegaal zouden verblijven ; zij hebben geen inkomen van een OCMW noch de mogelijkheid voor een officiële tewerkstelling. Dit tast hun existentiemogelijkheden en middelen aan. Bijgevolg moet de zaak uiterst dringend behandeld worden."; Overwegende dat deze uiteenzetting overtuigt; dat de kans bestaat dat het bevel om het grondgebied te verlaten ten laste van de verzoekende partijen op elk ogenblik kan worden ten uitvoer gelegd, zeker nu de verzoekende partijen beweren -zonder daarin te worden tegengesproken door de verwerende partij- dat zij reeds eerder het voorwerp waren van een poging tot repatriëring ; dat de verwerende partij enkel aanvoert dat op heden ten laste van de verzoekende partijen, die niet in een gesloten asielcentrum VII-33.084-3/6 verblijven, nog geen enkele gedwongen uitvoeringsmaatregel werd genomen, maar niet dat zulks in een nabije toekomst niet het geval zou zijn; 2.
  11. Overwegende dat de verzoekende partijen een eerste middel putten uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 9 lid 3 van de wet van 15 december 1980 van het redelijkheidsbeginsel en van het gelijkheidsbeginsel; dat hun argumenten als volgt luiden: "(...) De motivering van de bestreden beslissing is totaal tegenstrijdig, onjuist onredelijk en niet afdoend. (...) b. De verwerende partij stelt dat de door de verzoekers aangebrachte elementen geen bewijs leveren van een verregaande integratie. Verder somt de verwerende partij de elementen op die niet genoeg zijn om te spreken van verregaande integratie. Deze overwegingen zijn de volgende: Dat betrokkenen geïntegreerd zijn; dat zij de landstalen spreken; dat zij goede banden hebben met hun Belgische kennissen en vrienden en de administratieve overheid; dat hij officieel heeft gewerkt; dat zij geen gevaar vormen en van onberispelijk gedrag zijn. Volgens de verwerende partij betekent dit geen bewijs van een verregaande integratie. De argumentatie is - naast haar absurditeit - belachelijk, onredelijk en een behandelende jurist niet waardig. Indien de kennis van één van de landstalen, de officiële tewerkstelling, het perfecte gedrag, het meer dan zeven jaar legaal verblijf, het harmonieus samenleven en het sociaal contact met Belgische kennissen en vrienden, de geboorte van drie kinderen in België (cynisch genoeg alle drie met Vlaamse of Europese namen : XXX,XXX en XXX, wat het bewijs levert van een verregaande integratie) niet als verregaande integratie kan beschouwd worden, dan kan voortaan niemand meer als "geïntegreerd" beschouwd worden. De motivering is totaal onredelijk. c. Verwerende partij heeft in de bestreden beslissing niet gemotiveerd waarom de aangehaalde elementen niet als bewijs kunnen dienen om de integratie van de verzoekende partijen te staven. De loutere stelling dat de aangehaalde elementen niet volstaan om beschouwd te worden al bewijs van integratie, is vaag en nietszeggend en niet afdoend."; Overwegende dat de bestreden beslissing inderdaad niet op een afdoende wijze motiveert waarom de elementen, die de verzoekende partijen in hun aanvraag hadden aangebracht en die in de beslissing werden herhaald, geen “verregaande integratie” aantonen; dat het middel ernstig is; VII-33.084-4/6 2.
  12. Overwegende dat de verzoekende partijen het moeilijk te herstellen ernstig nadeel als volgt omschrijven: "Verzoeker verblijft al meer dan zeven jaar legaal in België. Zijn drie kinderen zijn in België geboren. Verzoeker heeft gedurende meer dan zeven jaren legaal verblijf een rijk sociaal leven opgebouwd. Hij heeft jaren officieel gewerkt en belastingen betaald. Ook het centrum van zijn economisch leven ligt in België. Bovendien verblijft de rest van de familie van verzoeker, zijn ouders, zijn zuster, zijn broer nog altijd legaal in België. Deze elementen worden op geen enkel ogenblik door de verwerende partij tegengesproken. Het bevel om het grondgebied te verlaten, zonder enig perspectief om geregulariseerd te worden, betekent een definitieve verbreking van al deze banden met België. Het verbreken van deze banden met België, waar het centrum van het sociaal en economisch leven en van de activiteiten van verzoeker ligt, vormt een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel. In ondergeschikte orde moet eveneens gesteld worden dat zij ook financieel niet meer in staat zijn om te zorgen voor hunzelf en hun drie minderjarige kinderen. Dit is een kwestie van levensbehoud, en geen gewone financiële moeilijkheid, die achteraf rechtgezet zal worden. Ook dit aspect vormt een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel."; Overwegende dat de verwerende partij daarop het volgende antwoordt: "Verzoekers tonen niet op basis van concrete en controleerbare gegevens aan een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te zullen ondervinden in geval van onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing."; Overwegende dat de uiteenzetting van de verzoekende partijen, zeker in het licht van het gebrek aan concrete betwisting vanwege de verwerende partij, overtuigt; dat bij de beoordeling van het nadeel rekening moet worden gehouden met het feit dat het gezin van de verzoekende partijen uit drie zeer jonge, in België geboren, kinderen bestaat, BESLUIT: Artikel
  13. Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 20 oktober 2004 waarbij de aanvraag van de verzoekende partijen om machtiging tot verblijf, ingediend op grond van artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ongegrond wordt verklaard, alsook van het daaropvolgende bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. VII-33.084-5/6 Artikel
  14. De kosten worden voorbehouden. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien november tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-33.084-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.257 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.