id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.288 Rolnummer: A. 70129/XII-2432 Zaak: Arrest 137288 - - 18/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-23 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 14:05 Fiche Arrest nr 137.288 van 18 november 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.288 van 18 november 2004 in de zaak A. 70.129/XII-
- In zake : Louis de PITTEURS HIEGAERTS, die woonplaats kiest bij advocaat G. Kindermans, kantoor houdende te Heers, Steenweg 161 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Limburg. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Louis de Pitteurs Hiegaerts op 30 juli 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 14 juni 1996 van de gouverneur van de provincie Limburg houdende intrekking van drie vergunningen tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 16 februari 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-2432-1/9 Gelet op de beschikking van 19 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Strauven, die loco advocaat G. Kindermans verschijnt voor verzoeker, en van bestuurssecretaris T. Roosen, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de politiecommissaris van Sint-Truiden bij brief van 13 maart 1996 aan de gouverneur van de provincie Limburg een aantal documenten bezorgt met de vraag of het, gelet op de erin vervatte informatie, niet raadzaam is om verzoekers drie wapenvergunningen in te trekken; dat in een schrijven van 18 maart 1996 namens de gouverneur aan de procureur des Konings te Hasselt advies wordt gevraagd omtrent de wenselijkheid verzoekers vergunningen te schorsen of in te trekken; dat de procureur des Konings in zijn advies van 6 juni 1996 aanraadt om verzoekers drie vergunningen tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen in te trekken; dat wordt uiteengezet dat verzoeker ongunstig staat aangeschreven bij de plaatselijke autoriteiten, dat hij feitelijk gescheiden leeft van zijn echtgenote en samenleeft met een vriendin, dat zijn moeder en zus beweren door hem bedreigd te worden, dat een dossier in verband met een jachtdelict werd toegestuurd aan de krijgsauditeur te Brussel, dat in het kader hiervan een vergund wapen en een niet-reglementair vergund wapen in beslag werden genomen en dat hij legermunitie bezat die hij in zijn vroegere legereenheid had ontvreemd; dat de provinciale administratie op grond van bovengenoemde gegevens en gelet op de ernst van de feiten in een nota XII-2432-2/9 van 12 juni 1996 aan de gouverneur voorstelt om de drie vergunningen in te trekken; dat de gouverneur in zijn besluit van 14 juni 1996 beslist om verzoekers drie vergunningen tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen in te trekken : “Gelet op het voorstel van 13 maart 1996, van de politiecommissaris van de stad Sint-Truiden, tot intrekking van de vergunningen tot het bezit van drie verweerwapens van baron de PITTEURS HIEGAERTS Louis, geboren te Sint-Truiden op 25 december 1954, wonende Dorp 26 te 3800 (Brustem); Gelet op het verslag van 13 maart 1996 van de politie van de stad Sint-Truiden; Gelet op het advies van 6 juni 1996 van de Procureur des Konings te Hasselt; Overwegende dat aan baron de Pitteurs Hiergaerts Louis, door de gemeentepolitie van Sint-Truiden, drie vergunningen voor verweerwapens werden afgeleverd, namelijk voor : - een pistool merk Smith & Wesson, kaliber .22LR, model 2206TGT, serienummer UBB5784, afgeleverd onder het nummer 04/710531/95/3001 op 3 juni 1996; - een pistool merk Vektor, kaliber 9 Para, model Z 88, serienummer TQ 104485, afgeleverd onder het nummer 04/710531/95/2962 op 26 januari 1995 - een geweer merk ONENA, kaliber .22LR, model 500, serienummer 26312, afgeleverd onder het nummer 04/710531/92/1656 op 8 februari 1992; Gelet op het proces-verbaal nr. HA 63.75.07136/95, uitgaande van de heer HENDRIX, aangestelde van het Vlaams Gewest, in verband met een jachtmisdrijf gepleegd door betrokkene met een verweerwapen, verboden voor de jacht; Gelet op het proces-verbaal van verhoor van 9 januari 1996, opgesteld door de Rijkswacht van Brussel waaruit blijkt dat de familie van betrokkene constant in angst leven wegens het agressief gedrag van betrokkene en omwille van het feit dat hij verscheidene wapens in zijn bezit heeft; Overwegende dat het bezit van vuurwapens door betrokkene derhalve een gevaar kan inhouden voor de openbare orde en veiligheid; Overwegende dat de intrekking van voormelde vergunningen zich opdringt; Gelet op artikel 6 §1 van de wapenwet van 3 januari 1933 en artikel 14 van het koninklijk besluit van 20 september 1991, tot uitvoering van de wet van 3 januari 1933, op het vervaardigen van, de handel in en het dragen van wapens”; Overwegende dat verzoeker in het verzoekschrift aanvoert dat het motiveringsbeginsel werd geschonden, dat de tot staving van het bestreden besluit aangehaalde feitelijkheden niet aanwezig zijn en minstens worden betwist, XII-2432-3/9 dat aan het proces-verbaal dat naar aanleiding van het jachtmisdrijf dat hij zou hebben gepleegd werd opgesteld geen gevolg werd gegeven, zodat de overtreding niet vaststaat, dat de beweringen van zijn familieleden over zijn agressief gedrag uit de lucht zijn gegrepen en niet als grondslag van het bestreden besluit kunnen dienen vermits er niet het minste bewijs van voorligt; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat artikel 6, § 1, laatste lid, van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie niet bepaalt dat een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen slechts kan worden ingetrokken als de houder ervan zou zijn veroordeeld wegens bepaalde misdrijven, dat uit de tekst van de wet en uit de bedoeling van de wetgever blijkt dat zij haar bevoegdheid niet heeft overschreden door de vergunning van verzoeker in te trekken voordat hij werd veroordeeld, dat het voornoemde artikel aan de provinciegouverneur een discretionaire bevoegdheid toekent bij het beoordelen van de wenselijkheid een vergunning in te trekken, alsook de bevoegdheid om autonoom te oordelen of de feiten zouden kunnen leiden tot een verstoring van de openbare orde, dat verzoeker niet kan stellen dat zij zich heeft gesteund op onwettige motieven aangezien de wet geen motieven bepaalt; dat verwerende partij voorts betoogt dat het proces-verbaal betreffende het jachtmisdrijf niet tot seponering heeft geleid en dat de verklaring van verzoekers familieleden geen éénmalige verklaring was die in een opwelling werd afgelegd aangezien zij tegenover de rijkswacht, de aangestelde van het Vlaamse Gewest en de wijkagent werd herhaald, dat deze klachten nog worden verzwaard door het gegeven dat verzoeker is betrokken bij een jachtmisdrijf, dat verzoeker een vergund verweervuurwapen heeft omgevormd tot een verboden wapen door het uit te rusten met een geluiddemper, dat al deze feiten die werden vastgesteld of opgenomen in processen-verbaal slechts konden leiden tot de conclusie dat het verdere bezit van de betrokken verweervuurwapens door verzoeker een bedreiging van de openbare orde en veiligheid kon inhouden; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord XII-2432-4/9 doet gelden dat uit een proces-verbaal betreffende een jachtmisdrijf dat twee jaar oud is, en waaraan verder geen gevolg werd gegeven, moeilijk kan worden besloten dat het bezit van wapens door hem een gevaar zou vormen voor de openbare orde en veiligheid, dat iedereen geacht wordt onschuldig te zijn tot zijn schuld is bewezen en hem dus geen sanctie kan worden opgelegd zolang zijn schuld niet is bewezen, dat voorts “beweringen van familieleden steeds met de nodige korrels zout dienen genomen te worden” en dat de waarachtigheid en de ernst van de beschuldigingen hadden moeten worden onderzocht, dat er binnen verzoekers familie onenigheid is over een onverdeelde nalatenschap, dat de beschuldigingen kaderen in een reeks pesterijen ten aanzien van hemzelf vanwege deze familieleden, dat hij niet de mogelijkheid heeft gehad om op de beschuldigingen te repliceren, dat niet werd bewezen dat er een gevaar voor de openbare orde en veiligheid zou zijn door zijn wapenbezit, dat er lastens hem nooit een proces-verbaal werd opgemaakt naar aanleiding van geweldplegingen; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie nog benadrukt dat geen enkele beschuldiging die ten tijde van de onenigheid binnen de familie tegen hem werd geuit tot een veroordeling heeft geleid, dat er zelfs geen verder onderzoek naar werd gevoerd, dat bijgevolg is gebleken dat hij geen gevaar vormt voor de maatschappij en dat integendeel loze beweringen en aantijgingen van familieleden waarmee hij destijds in onmin leefde “de aanzet zijn geweest van heel de hetze die tot huidige procedure heeft geleid”; XII-2432-5/9 Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie opmerkt dat onder meer de processen-verbaal die lastens verzoeker werden opgesteld haar ertoe brachten te oordelen dat verzoeker niet over de vereiste persoonlijkheid beschikt om verweervuurwapens voorhanden te hebben en dat het intrekken ervan vereist was om een mogelijke verstoring van de openbare orde en veiligheid te vermijden, dat het feit dat verzoekers familieleden zich bedreigd voelen niet enkel uit het proces-verbaal van 9 januari 1996, maar ook uit het verslag van de politie van Sint-Truiden van 13 maart 1996 en uit het advies van de procureur des Konings van 6 juni 1996 blijkt en dat zowel het verslag als het advies werden aangehaald in de overwegingen van het bestreden besluit, dat in elk geval het feit dat verzoeker een verweervuurwapen zonder vergunning en een verboden wapen bezit en dat hij munitie heeft ontvreemd een afdoende feitelijke grondslag vormen voor het bestreden besluit, ook al werden deze gegevens niet uitdrukkelijk aangehaald in het bestreden besluit, dat de beslissing afdoende formeel werd gemotiveerd door te verwijzen naar het proces-verbaal van de aangestelde van het Vlaamse Gewest, dat hoewel dit proces-verbaal niet werd neergelegd in het administratief dossier, hieruit niet kan worden besloten dat de motivering niet afdoende is, dat het werd geciteerd in een proces-verbaal van 29 februari 1996 dat wel is neergelegd, dat de motivering dan ook voldoende steun vindt in het administratief dossier en de feiten en motieven van het bestreden besluit kunnen worden getoetst aan de feitelijke gegevens van het dossier; dat verwerende partij voorts nog stelt dat de inhoud van het proces-verbaal van de aangestelde van het Vlaamse Gewest aan verzoeker ter kennis werd gebracht, zodat het motief dat bestaat in een verwijzing naar dit proces-verbaal toegelaten was en er rekening mocht worden gehouden met de motieven van het proces- verbaal, dat het doel van de formele motiveringsplicht werd bereikt aangezien verzoeker kennis had van de redenen op grond waarvan een voor hem ongunstige beslissing werd genomen en zijn recht om zich in rechte te verweren hierdoor niet in het gedrang werd gebracht, dat het verwijzen in het bestreden besluit naar een door verzoeker gekend proces-verbaal een afdoende motivering uitmaakt; XII-2432-6/9 Overwegende dat de gouverneur op grond van artikel 6, § 1, tweede lid, van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie, een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen kan schorsen of intrekken als het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren; dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 januari 1991 tot wijziging van de wet van 3 januari 1933 blijkt dat het begrip “openbare orde” zowel de openbare veiligheid, de openbare rust als de openbare gezondheid omvat (Parl. St. Kamer, 1989-1990, nr. 978/6, p. 26); dat in de aanhef van het bestreden besluit wordt overwogen dat het bezit van vuurwapens door verzoeker een gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan inhouden zodat het intrekken van zijn vergunningen zich opdringt; dat het motiveringsbeginsel echter niet enkel vereist dat voor elke administratieve beslissing rechtens aanvaardbare motieven bestaan, maar ook dat die motieven steunen op werkelijk bestaande, concrete feiten, die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld; Overwegende dat in voorliggend geval het motief dat het bezit van vuurwapens door verzoeker een gevaar kan inhouden voor de openbare orde en veiligheid, blijkens de aanhef van het bestreden besluit steunt, eensdeels, op een proces-verbaal “in verband met een jachtmisdrijf gepleegd door betrokkene met een verweerwapen, verboden voor de jacht” en, anderdeels, op een proces-verbaal van 9 januari 1996 “waaruit blijkt dat de familie van betrokkene constant in angst leven wegens het agressief gedrag van betrokkene en omwille van het feit dat hij verscheidene wapens in zijn bezit heeft”; Overwegende dat het proces-verbaal van 9 januari 1996 enkel verklaringen van verzoekers zus bevat die werden bevestigd door zijn moeder; dat de verbalisant niet heeft geacteerd dat hij heeft vastgesteld dat verzoeker zich agressief heeft gedragen; dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat derden de beweringen van verzoekers familie hebben bevestigd; dat uit het enkele proces- verbaal van 9 januari 1996 dan ook niet zonder bijkomend onderzoek besloten kon worden dat verzoekers familie voortdurend in angst zou leven vanwege zijn XII-2432-7/9 agressief gedrag; dat het proces-verbaal geen voldoende feitelijke grondslag voor het bestreden besluit oplevert; Overwegende dat in de mate dat door de aangestelde van het Vlaamse Gewest werd vastgesteld dat verzoeker een jachtmisdrijf heeft gepleegd met een verweervuurwapen dat verboden is voor de jacht, dit proces-verbaal een relevante feitelijke grondslag kan verschaffen; dat de wapenwet voor het intrekken van een vergunning niet vereist dat de betrokkene wegens bepaalde misdrijven werd veroordeeld; dat feiten en gedragingen die doen vrezen dat het voorhanden hebben van een verweervuurwapen door betrokkene de openbare orde kunnen verstoren en die genoegzaam vaststaan, voldoende zijn; dat evenwel het proces- verbaal van de aangestelde van het Vlaamse Gewest niet werd neergelegd in het administratief dossier en uit geen enkel stuk blijkt dat een afschrift ervan aan het provinciebestuur en de gouverneur werd bezorgd; dat ook uit het proces-verbaal van 29 februari 1996 van de gerechtelijke politie, dat wel in het administratief dossier steekt en waarin van het proces-verbaal van de aangestelde van het Vlaamse Gewest melding wordt gemaakt, niet kan worden besloten dat de verwerende partij het laatst vermelde proces-verbaal in ogenschouw heeft genomen of zelfs maar heeft kùnnen nemen; Overwegende dat de gegevens waarop de bestreden beslissing steunt hetzij onvoldoende vaststaan, hetzij onvoldoende door de verwerende partij zijn vastgesteld; dat zij de beslissing dan ook geen deugdelijke grondslag kunnen verschaffen; dat het middel gegrond is, XII-2432-8/9 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 14 juni 1996 van de gouverneur van de provincie Limburg houdende intrekking van drie vergunningen tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien november 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2432-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.288 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.