← België

Arrest 137400 - - 19/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.400 Rolnummer: A. 108066/XIV-5796 Zaak: Arrest 137400 - - 19/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-01-10 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-04 14:20 Fiche Arrest nr 137.400 van 19 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.400 van 19 november 2004 in de zaak A. 108.066/XIV-5796. In zake : XXX, wonende te B., Bd M. 183 tegen : 1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnen- landse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren in 1975 en van XXX nationaliteit, op 26 juli 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 17 juli 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 31 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 7 september 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 20 oktober 2004 om 14.00 uur; XIV-5796-1/7 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J.P. VIDICK, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 26 november 2000 en verklaart zich vluchteling op 28 november 2000. 1.2. Op 31 januari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 17 juli 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 4 juli 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal in aanwezigheid van zijn advocaat, Mr. Deltour. Betrokkene beweerde afkomstig te zijn uit K. en te behoren tot de F.-etnie. In 1996 werd zijn vader, die voorzitter was van de N. (N.)-afdeling van T., tijdens de verkiezingscampagne gedood. Betrokkene werd tot zijn opvolger verkozen. Na de staatsgreep van 25 mei 1997 werd betrokkene verplicht als gids in de diamantontginning te werken voor het nieuwe regime. Op 11 of 12 februari 1998 werd dit regime verjaagd. In de daarmee gepaard gaande heksenjacht op medestanders van het A. (A.) werd de echtgenote van betrokkene door kamajors gedood. Betrokkene werd gearresteerd en opgesloten in K. en vervolgens in F. Op 6 januari 1999 werd hij door R.-leden (R.) bevrijd. Hij diende hen te volgen naar K., waar hij voor hen in de diamantmijnen werkte. In november 2000 werden betrokkene en twee R.-rebellen beticht van fraude en opgesloten in een woning in K. Ze slaagden er echter in te ontsnappen. Betrokkene reisde onmiddellijk naar C. (G.), waar hij op 25 november 2000 een vliegtuig naar België nam. In België aangekomen diende hij op 28 november 2000 een asielaanvraag in. Er moet worden opgemerkt dat er geen geloof kan gehecht worden aan de bewering van betrokkene voorzitter te zijn geweest van de N. in T. Naast de nationale voorzitter van de partij kende hij geen enkele andere partijverantwoordelijke bij naam. Hij kende ook niet de lokale voorzitter in K. Hij stelde dat hij in1996 door N.-leden tot plaatselijk voorzitter werd verkozen maar kon slechts twee N.-leden (een zekere B. en zijn zoon) bij naam noemen. Hij wist evenmin wanneer de partij werd opgericht. Hij kende naast de N. en het A. (A.) geen enkele andere XXX oppositiepartij. Op de vragen naar de politieke ideeën van de voorzitter en het programma van de N. bleef hij bijzonder vaag: hij antwoordde enkel dat de voorzitter graag XIV-5796-2/7 president wil worden en dat de partij een beter leven voor de inwoners van S. wil (verhoorver- slag Commissariaat-generaal p. 3 en 4). Een aantal bijzonder vage en onwaarschijnlijke verklaringen op belangrijke punten in zijn verhaal ondergraven verder de geloofwaardigheid ervan. Zo werkte hij bijna een jaar met A.- militairen samen in de diamantontginning maar herinnerde hij zich slechts één naam (K. ). Ook moest hij het antwoord schuldig blijven op de vraag of hij al dan niet een rechtstreekse vlucht naar België nam, wat de kleur van het valse G. paspoort was waarmee hij de reis maakte en welke naam op zijn vals paspoort figureerde. Tevens beweerde hij tijdens het verhoor door het Commissariaat-generaal niet te weten hoe de persoon die zijn reis organiseerde heette en kende hij evenmin de namen van zijn begeleider en van de drie andere(

  1. n)die meereisden (p. 6). Ook verklaarde hij voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij 2 500 $ betaalde voor zijn reis, terwijl hij voor het Commissariaat-generaal stelde slechts 2000 $ te hebben betaald (p. 6). Hoedanook is betrokkene niet in het bezit van enig document (zelfs geen instapkaart of bagageticket) dat een controle van zijn reisweg mogelijk maakt. Aangezien het in casu gaat om een intercontinentale vliegreis, getuigt dit van een gebrek aan medewerking om de reisweg vast te stellen en houdt dit diengevolge eveneens een negatieve indicatie in voor de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. Verder dient te worden opgemerkt dat betrokkene bij zijn asielaanvraag (op 28 november 2000) 1968 opgaf als geboortejaar, terwijl hij tijdens het verhoor door de Dienst Vreemdeling- enzaken stelde dat 1968 het geboortejaar van zijn broer is (onder wiens identiteit hij volgens zijn verklaringen in 1993 kort in België verbleef) en dat hijzelf in 1975 werd geboren. Hoe dan ook kan bij gebrek aan geldige documenten ter zake de ware identiteit en leeftijd van betrokkene niet worden nagegaan. Tenslotte bevat het door betrokkene ingediende verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzing- en bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven is een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 31 januari 2001. De Commissaris-generaal meent evenwel dat, gezien de toestand in diens land van oorsprong, het in de huidige omstandigheden niet aangewezen is, dat betrokkene naar S., G. en L. zou worden teruggeleid. (...).”. 2. Overwegende dat verzoeker een enig middel afleidt uit de schending van artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelin-genwet), de motiveringsplicht en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de schending van “het principe van een goede administratie”, en “de schending van de rechten van de verdediging van de asielaanvrager”; 2.1. Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel van het enig middel aanvoert dat hij tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet werd bijgestaan door een tolk, hoewel hij een verklaring had ondertekend waarin hij hierom had verzocht; dat hij uiteenzet dat er tijdens dit verhoor gebruik werd gemaakt van het Engels, terwijl dit geen van de officiële Belgische landstalen is, en dat de ambtenaar van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen die het verhoor heeft afgenomen, niet bevoegd is om in het Engels te ondervragen; dat verzoeker vervolgt dat hij op deze wijze geen garanties kreeg op een onafhankelijk verloop van het XIV-5796-3/7 verhoor; dat verzoeker besluit dat deze werkwijze een schending uitmaakt van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet en een miskenning inhoudt van de rechten van de verdediging van verzoeker; Overwegende dat het dringend beroep bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort toepassing vinden; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker bij het indienen van zijn asielaanvraag op 28 november 2000 een verklaring heeft ondertekend waarbij hij verzocht om de bijstand van een tolk Engels tijdens het verdere verloop van de asielprocedure; dat het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken werd afgenomen door een interviewer die verzoeker ondervroeg in het Engels en vervolgens zijn verklaringen noteerde in het Nederlands; dat uit de nota’s genomen door deze ambtenaar niet blijkt dat hij het Engels onvoldoende kent of dat er zich tijdens het interview communicatieproblemen voordeden; dat verzoeker noch op de Dienst Vreemdelingenzaken noch op het Commissariaat-generaal opmerkingen heeft gemaakt in verband met het vertaalwerk van de ambtenaar-interviewer; dat verzoeker integendeel, door het plaatsen van zijn handtekening, bevestigde dat het verhoorver- slag van de Dienst Vreemdelingenzaken overeenstemt met de inlichtingen die hij gegeven heeft; dat, wat het verhoor op het Commissariaat-generaal betreft, uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker verklaarde dat hij het Engels, het F. en het K. machtig is (verhoorverslag CGVS, p. 1); dat hij werd ondervraagd in het Engels door de interviewer-jurist; dat uit het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal evenmin blijkt dat er zich communicatiepro- blemen hebben voorgedaan; dat verzoeker in het middel aanvoert dat deze werkwijze een schending inhoudt van de rechten van de verdediging; dat verzoeker echter niet preciseert welke van zijn verklaringen foutief werden vertaald of weergegeven; dat aan de Raad van State geen wetsbepaling bekend is die verbiedt dat de rol van tolk in bepaalde gevallen zou worden waargenomen door de jurist die het interview van de asielzoeker afneemt, wanneer die jurist de vreemde taal kent en de asielzoeker zijn relaas kan doen en de vragen van de interviewer begrijpt; dat dit in casu het geval is, wat expliciet blijkt uit de schriftelijke verklaringen van verzoeker voor de Dienst Vreemdelingenzaken en voor het Commissariaat- generaal; dat verzoeker voor zijn belangen kon opkomen en dat zijn rechten werden gevrijwaard; dat de taal van de procedure het Nederlands is; dat deze taal wordt bepaald door de gemachtigde ambtenaar van de tweede verwerende partij, omdat verzoeker geen van de drie landstalen machtig is en hij zich kon uitdrukken in de taal van zijn keuze, met name het Engels; dat dit blijkt uit de schriftelijke verklaring van verzoeker afgelegd in toepassing van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet op 28 november 2000, waarvan de wettigheid niet wordt betwist door verzoeker; dat verzoeker geen schending van de ingeroepen (wets)bepalingen aannemelijk maakt; dat het eerste onderdeel van het enig middel ongegrond is; XIV-5796-4/7 2.2. Overwegende dat verzoeker in een tweede onderdeel van het enig middel de schending aanvoert van de motiveringplicht; dat verzoeker meent dat de motieven waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich baseert om te besluiten dat verzoeker niet van XXX nationaliteit is, niet ernstig zijn; dat hij stelt dat het feit dat hij niet kon antwoorden op vragen over S. of over de politiek van dit land, te wijten zijn aan zijn persoonlijkheid en aan het feit dat hij doof is aan één oor; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvank- elijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de Commissaris-generaal in casu tot dit besluit is gekomen op basis van volgende motieven: - er kan geen geloof worden gehecht aan de bewering van verzoeker dat hij voorzitter is geweest van de N. in T.: naast de nationale voorzitter van de partij kende hij geen enkele andere partijverantwoordelijke bij naam, hij kende niet de lokale voorzitter in K., hij kon slechts twee N.-leden bij naam noemen, hij wist niet wanneer de partij werd opgericht, hij kende naast de N. en het A. geen enkele andere XXX oppositiepartij, hij bleef bijzonder vaag over de politieke ideeën van de voorzitter en het programma van de N.; - een aantal bijzonder vage en onwaarschijnlijke verklaringen op belangrijke punten in verzoekers verhaal ondergraven de geloofwaardigheid ervan: hij werkte bijna een jaar met A.- militairen samen in de diamantontginning maar hij herinnerde zich slechts één naam; hij bleef het antwoord schuldig op de vraag of hij al dan niet een rechtstreekse vlucht naar België nam, wat de kleur van het valse G. paspoort was waarmee hij de reis maakte en welke naam op dit vals paspoort voorkwam; hij beweerde de naam niet te kennen van de persoon die de reis had georganiseerd en hij kende evenmin de namen van de begeleiders en zijn drie medereizigers; hij legde verschillende verklaringen af over de kostprijs van de reis; hij is niet in het bezit van enig document dat een controle van zijn reisweg mogelijk maakt, wat getuigt van een gebrek aan medewerking en een negatieve indicatie inhoudt voor de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas; - bij zijn asielaanvraag gaf verzoeker 1968 op als geboortejaar, terwijl hij tijdens het verhoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken stelde dat dit het geboortejaar was van zijn broer en dat XIV-5796-5/7 hijzelf in 1975 is geboren; bij gebrek aan geldige documenten ter zake kan de ware identiteit en leeftijd van verzoeker niet worden nagegaan; - het verzoekschrift in dringend beroep bevat geen enkel ander element dat de weigeringsbeslis- sing van de Dienst Vreemdelingenzaken kan wijzigen; Overwegende dat verzoeker deze vaststellingen van de Commissaris- generaal niet betwist; dat de opmerking van verzoeker dat het niet kunnen antwoorden op bepaalde vragen “volledig logisch (
  2. is)tegenover de persoonlijkheid van deze en het probleem dat hij slechts hoort met één oor zijnde de (het) linkeroor” niet verklaart waarom verzoeker het antwoord schuldig bleef op vragen over de partij waarvan hij beweerde de voorzitter te zijn geweest; dat belangrijke punten in zijn verhaal bijzonder vaag en onwaarschijnlijk zijn, en dat bij gebrek aan geldige documenten zijn identiteit en leeftijd niet kunnen worden nagegaan; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat het asielrelaas van verzoeker grondig werd onderzocht en dat rekening werd gehouden met alle relevante elementen van dit relaas en van het administra- tief dossier; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, afdoende en pertinente motieven; dat het tweede onderdeel van het enig middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-5796-6/7 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien november tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-5796-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.400 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.