← België

Arrest 137406 - - 22/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.406 Rolnummer: A. 150769/IX-4492 Zaak: Arrest 137406 - - 22/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-03 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-07-04 14:37 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(

  1. en)DE Fiche Arrest nr 137.406 van 22 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.406 van 22 november 2004 in de zaak A. 150.769/IX-4492. In zake : Chris CORRE, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te MARIAKERKE, Mazestraat 16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat 47. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Chris CORRE op 16 april 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 6 februari 2004 van de directeur-generaal van de Federale Politie waarbij hij bij tuchtmaatregel van ambtswege ontslagen wordt; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 8 september 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 4 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-4492-1/12 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor verzoeker, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Verzoeker is sedert 26 september 1994 in dienst bij de politie. Op 1 april 2001 wordt hij benoemd in de graad van inspecteur van politie in een functie bij de federale politie. 1.2. Op 28 maart 2000 wordt verzoeker aangehouden. Hij blijft in hechtenis tot 18 april 2000. 1.3. Bij beslissing van de Militaire Commissie voor Geschiktheid en Reform van 30 maart 2000 wordt verzoeker voor de dienst ongeschikt verklaard, op grond van volgende motieven : "aanpassingsproblemen - karakteriële problemen - oncontroleerbare agressie-aanvallen". 1.4. Op 5 mei 2000 verzoekt de eenheidscommandant van verzoeker de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen om hem, indien mogelijk, het gerechtelijk dossier betreffende de door verzoeker begane misdrijven in mededeling te laten geworden, teneinde het te gebruiken voor een intern administratief onderzoek. 1.5. Op 13 maart 2003 veroordeelt het hof van beroep te Antwerpen verzoeker tot een gevangenisstraf van één jaar, met uitstel gedurende vijf jaar voor de helft, voor de volgende feiten : "D. Te Stabroek, in de nacht van 5 op 6 november 1999, met behulp van geweld of bedreiging, vernieling of beschadiging van andermans roerende eigendommen, namelijk de inboedel van het clublokaal van Motorclub DE PITBULLS, toebehorende aan FRIGHEM Eddy, te hebben gepleegd, het feit gepleegd zijnde in vereniging of in bende; IX-4492-2/12 E. Te Stabroek, in de nacht van 5 op 6 november 1999, met voorbedachten rade, opzettelijk verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan BOSSCHAERT Mario, de slagen of verwondingen hebbende een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge gehad"; Op 23 april 2003 wordt de verwerende partij kennis gegeven van voormeld arrest. Op 6 mei 2003 wordt de tuchtoverheid een afschrift van het arrest bezorgd. 1.6. Op 11 juli 2003 stelt directeur-generaal Carlos DE TROCH een inleidend verslag in het kader van de tuchtprocedure. Dit verslag wordt op 25 juli 2003 aan verzoeker betekend. De ten laste gelegde tuchtvergrijpen luiden als volgt : "Is tekortgekomen aan zijn beroepsplichten inzake de uitvoering van de gerechtelijke politie, inzake het verlenen van bijstand aan personen in nood, inzake het beschermen van het individueel recht op fysische integriteit en van de eigendom, en op die wijze zeer ernstig afbreuk gedaan aan de waardigheid van het ambt door : als politieambtenaar, met verlof zijnde om gezondheidsredenen, op 05 nov 99 omstreeks 2300Hr, in bende, en gewapend, met voorbedachtheid de inboedel van de taverne DE NEUS in Stabroek te hebben vernield, opzettelijke slagen en verwondingen te hebben toegebracht aan o.a. een aldaar aanwezige persoon met een ongeschiktheid tot arbeid als gevolg, nagelaten deze persoon de nodige bijstand te hebben verleend en nagelaten te hebben de feiten ter kennis te brengen aan de gerechtelijke overheid". 1.7. Nadat verzoeker is gehoord, wordt hem op 4 september 2003 het voorstel tot zware tuchtstraf, met name de afzetting, betekend. 1.8. Op 8 september 2003 dient de verzoekende partij tegen het voorstel van zware straf een voorstel tot heroverweging in. Op 21 oktober 2003 adviseert de inspecteur-generaal van de federale en van de lokale politie, dat het opleggen van "de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege" als tuchtmaatregel meer passend en onderbouwd is. Op 20 november 2003 wordt de hoorzitting van de tuchtraad aangevat. Op vraag van verzoeker, die verklaart voorrang te willen geven aan de opgestarte procedure voor oppensioenstelling, waarover hij over een maand uitsluitsel verwacht, wordt de hoorzitting uitgesteld naar 20 januari 2004. IX-4492-3/12 Op 20 januari 2004 adviseert de tuchtraad, bij meerderheid van stemmen, dat de zwaarste tuchtstraf, met name de afzetting, wordt opgelegd. 1.9. Op 6 februari 2004 brengt de hogere tuchtoverheid haar beslissing om af te wijken van het advies van de tuchtraad en het ontslag van ambtswege als zware straf uit te spreken, ter kennis van verzoeker. Op 13 februari 2004 stelt de verzoekende partij een verweerschrift op. 1.10. Bij nota van 16 februari 2004, aan verzoeker ter kennis gebracht op 20 februari 2004, beslist de hogere tuchtoverheid om de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Deze beslissing, die het voorwerp vormt van de onderhavige vordering, luidt als volgt : " 1 Referenties 1.1 Wet van 07 december 1998 op de geïntegreerde politie gestructureerd op twee niveaus : artikelen 123 en 132. 1.2 Inleidend verslag nota nr. DGS/DSG/879/1133/1B, DK 673, d.d. 01 Jul 03. 1.3 Voorstel tot zware straf, nota nr. DGS/DSG/879/1133/2B, DK 673, d.d. 01 Sep 03. 1.4 Kennisgeving van voorstel tot zware straf, nota nr. DGS/DSG/879/ 1133/3B(DGS/117), DK 673, d.d. 27 Jan 04. 2. De feiten. 2.1 Voor wat het relaas der feiten betreft verwijs ik naar het gelijknamig punt van het inleidend verslag. 2.2 Na kennis te hebben genomen van het advies van de tuchtraad, heb ik u in mijn nota 'Kennisgeving van voorstel tot zware straf' - zie punt 1.4. hierboven, mijn intentie kenbaar gemaakt om u voor de gepleegde tuchtvergrijpen te straffen met de zware straf, namelijk het ontslag van ambtswege. Hierin heb ik u tevens medegedeeld om welke redenen ik ben afgeweken van het advies van de Tuchtraad inzake de straftoe- meting. 2.3 U had na de betekening van voormelde nota het recht een schriftelijk verweer in te dienen binnen een termijn van tien dagen na de kennis- geving op straffe van verval. Dit verweerschrift werd per fax en per aangetekende brief op 13 Feb 04 op de dienst DPMD-Brugge ontvangen hetgeen binnen de voorziene termijn valt en derhalve ontvankelijk is. Ten aanzien van dit verweer dat in hoofdzaak de bewering bevat dat de tuchtstraf niet kan uitgesproken worden en de tuchtprocedure onont- vankelijk is, wens ik het volgende mede te delen. IX-4492-4/12 2.3.1 Zoals ook de Tuchtraad in haar verleend advies het stelt, heeft de tuchtvordering een autonoom bestaan, totaal verschillend van de hangende reformprocedure. De tuchtraad beschikte over alle nuttige elementen om met kennis van zaken advies uit te brengen, hetgeen zij dan ook heeft gedaan en waarvan u kennis heeft kunnen nemen. 2.3.2 De tuchtoverheid is gebonden aan de rechterlijke uitspraak inzake het bestaan der feiten en hun toerekeningsvatbaarheid. Deze stelling werd nogmaals herhaald door de Tuchtraad in haar advies inzake de toereken- baarheid aan INP CORRE op het ogenblik van de feiten. Hierop wens ik dan ook niet meer terug te komen. 2.4 Overeenkomstig artikel 55 van de tuchtwet deel ik u derhalve mijn definitieve beslissing mede. 3. Bewezen tuchtvergrijpen. 'Is tekortgekomen aan zijn beroepsplichten inzake het beschermen van het individueel recht op fysische integriteit en van de eigendom en op die wijze zeer ernstig afbreuk gedaan aan de waardigheid van het ambt door : als politieambtenaar, met verlof zijnde om gezondheidsredenen, op 05 Nov 99 omstreeks 2300 Hr, in bende en gewapend, met voorbedacht- heid de inboedel van het clublokaal van de motorclub DE PITBULLS in Stabroek te hebben vernield, opzettelijke slagen en verwondingen te hebben toegebracht aan o.a. een aldaar aanwezige persoon met een ongeschiktheid tot arbeid als gevolg". Wettelijke referenties van de tuchtvergrijpen : artikel 123 en 132 van de Wet op de geïntegreerde politie. 4. Beslissing 4.1 Verwijzend naar het inleidend verslag, naar het verweerschrift, naar mijn kennisgeving van voorstel tot zware straf na de procedure voor de tuchtraad, en na kennisname van het laatste verweerschrift, en derhalve overeenkomstig artikel 55 van de tuchtwet, leg ik u het ontslag van ambtswege op. Deze straf heeft uitwerking de dag van de kennisgeving. 4.2 Deze straf zal onverwijld worden ingeschreven op uw blad der tucht- straffen door de diensten van Dir DAR. (...)". 2. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 2 van de wet van 13 mei 1999 houdende het statuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet) en van artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, doordat hij op 30 maart 2000 door de Militaire Commissie voor IX-4492-5/12 Geschiktheid en Reform definitief ongeschikt was verklaard voor de dienst en hij derhalve overeenkomstig artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 op pensioen gesteld moest worden op de eerste dag van de maand na de kennisgeving van die beslissing -in zijn geval op 1 april 2000-; dat hij dienovereenkomstig besluit dat, “ingevolge het verlies van de hoedanigheid van personeelslid, de tuchtprocedure onontvankelijk is”, aangezien “het stilzitten van de overheid door artikel 117 van de wet van 1961 niet uit te voeren, verzoeker niet ten kwade kan worden genomen”; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen daarop antwoordt wat volgt : "een beslissing van de Militaire Commissie voor Geschiktheid en Reform (hierna : MCGR) kan slechts uitwerking hebben nadat de minister zich daarmee akkoord verklaard heeft en daadwerkelijk aan de betrokkene ontslag verleend heeft"; zulks is in dit geval niet gebeurd, want verzoeker vormde het voorwerp van een gerechtelijk onderzoek en er moest gewacht worden op de gerechtelijke uitspraak, aangezien artikel 3bis van de samengeordende wetten op de militaire pensioenen bepaalt dat een militair niet op rust gesteld mag worden zolang hij kan verplicht worden het leger te verlaten ten gevolge van feiten waarvoor hij in beschuldiging gesteld werd; voorts kan verzoeker zich -op het vlak van de datum waarop het pensioen dient in te gaan- niet beroepen op artikel 117, § 3, van de wet van 14 februari 1961, aangezien die wetsbepaling ten tijde van de beslissing van de MCGR niet van toepassing was op de leden van het leger en van de rijkswacht; bovendien is artikel 117 niet van toepassing op tuchtprocedures, zodat het bestreden besluit die bepaling niet kan miskennen; 3.3. Overwegende dat de MCGR op 30 maart 2000 besloten heeft dat verzoeker -wegens “aanpassingsproblemen, karakteriële problemen, ongecontroleer- de agressie-aanvallen”- ongeschikt is voor de dienst en dat die ongeschiktheid definitief is in de zin van de wet van 14 februari 1961; Overwegende dat de verwerende partij verzoeker als gevolg van deze beslissing niet op pensioen heeft gesteld; dat verzoeker derhalve op het ogenblik dat het thans bestreden besluit genomen is de hoedanigheid van personeelslid van de politie niet verloren had; dat verzoeker evenwel niet aantoont dat de verwerende partij de rechtsplicht had om een beslissing over zijn oppensioenstelling te nemen alvorens zij hem met het bestreden besluit tuchtrechtelijk ontsloeg; dat derhalve niet IX-4492-6/12 aangetoond is dat de verwerende partij artikel 117 van de wet van 14 februari 1961 zou hebben miskend; dat het eerste middel niet ernstig is; 4.1. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van artikel 24/38 van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel kader van de rijkswacht, van artikel 56 van de tuchtwet, van het beginsel van de redelijke termijn en van het zorgvuldigheids- beginsel; dat hij in essentie uiteenzet wat volgt: artikel 24/38 van de wet van 27 december 1973 -dat de verjaring van de tuchtvordering regelt- voorziet niet in de automatische schorsing van de tuchtvordering door de strafvordering, die schorsing gebeurt enkel wanneer de betrokkene de feiten niet erkent of wanneer ze niet door een intern onderzoek bewezen kunnen worden; artikel 56 van de tuchtwet bepaalt dat de verjaringstermijn, die in beginsel bepaald is op zes maanden na de kennisneming van de feiten, in geval van een opsporingsonderzoek of een strafvervolging loopt tot aan de kennisneming van een definitieve uitspraak, maar uit de parlementaire voorbereiding van de wet blijkt dat ook in dat geval het bestuur niet mag blijven stilzitten; in dit geval heeft het bestuur gewoon het verloop van de strafprocedure afgewacht en heeft het geen enkel initiatief genomen, zelfs niet om na te gaan of verzoeker de feiten erkende dan wel of een intern onderzoek haar voldoende zicht op de feiten kon geven om de tuchtvordering op te starten; nochtans beschikte het met een krantenartikel van 29 maart 2000 -op 5 oktober 2001 gevolgd door een proces-verbaal- over gedetailleerde informatie en heeft het niet geaarzeld om verzoeker reeds vanaf 7 april 2000 preventief te schorsen; de wetgeving verplicht de overheid ertoe stappen te ondernemen om de tuchtzaak voortgang te doen vinden; het bestuur kan zich niet verschuilen achter het gebrek aan informatie, wanneer het zelf nalatig geweest is om informatie in te winnen; 4.2. Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen het volgende op antwoordt: aangezien er op 1 april 2001 nog geen inleidend verslag aan verzoeker betekend was, betrof het tuchtdossier tegen verzoeker geen hangende procedure in de zin van artikel 72 van de tuchtwet en moest de gehele tuchtzaak tegen verzoeker geregeld worden door de tuchtwet, ook wat de berekening van de verjaringstermijn betreft; de verwerende partij is bij brief van 23 april 2003 door de procureur-generaal ingelicht over de definitieve afloop van de strafvervolging en het inleidend verslag is aan verzoeker betekend op 20 juli 2003 zodat voldaan is aan artikel 56 van de tuchtwet; betwist wordt voorts dat het bestuur zich passief gedragen zou hebben; uit het administratief dossier blijkt integendeel IX-4492-7/12 duidelijk dat er talrijke initiatieven genomen zijn om klaarheid te brengen in de zaak en dat de verwerende partij, rekening houdend met de zwaarwichtigheid van de feiten en het vermoeden van onschuld van verzoeker, uiterst voorzichtig gehandeld heeft door het resultaat van de strafrechtspleging af te wachten; 4.3.1. Overwegende dat de door verzoeker gepleegde feiten die aanleiding hebben gegeven tot de thans bestreden beslissing, dagtekenen van 6 november 1999; dat verzoeker op 28 maart 2000 voor die feiten aangehouden is en dat hij in dat kader op 7 april 2000 preventief geschorst is; dat de eenheids- commandant op 5 mei 2000 aan de procureur des Konings om de inzage gevraagd heeft van het gerechtelijk dossier en dat hem op 7 juni 2000 medegedeeld is dat, gelet op het gerechtelijk onderzoek dat lopende was, op die vraag niet ingegaan kon worden; dat op 1 april 2001 de tuchtwet in werking getreden is, waarin bepaald is - artikel 72- dat de op dat ogenblik “hangende procedures” afgehandeld worden volgens de oude wetgeving; dat de directeur-generaal van de Algemene Directie van de Bestuurlijke politie van de federale politie op 1 augustus 2001 aan verzoeker medegedeeld heeft dat hij besloten had “het resultaat van de gerechtelijke dossiers af te wachten alvorens initiatieven ter zake te nemen”; dat de verwerende partij op 23 april 2003 in kennis gesteld is van het eindresultaat van de strafrechtelijke procedure en dat op 11 juli 2003 de tuchtsanctie tegen verzoeker opgestart is met de betekening van het inleidend verslag; 4.3.2. Overwegende dat op het ogenblik van de kennisneming van de feiten door het bestuur de verjaring van de tuchtvordering geregeld was door artikel 24/38, derde lid, van de wet van 27 december 1973; dat krachtens die bepaling de tuchtvordering verjaarde twee jaar na “de vaststelling” van de feiten; dat, aangezien de feiten dagtekenen van 6 november 1991, de verjaringstermijn alvast liep tot 6 november 2001; dat evenwel op 1 april 2001 de nieuwe tuchtwet in werking getreden is; dat die wet onmiddellijke toepassing heeft gekregen, behalve voor de “hangende zaken”, dit zijn de zaken waarin de eigenlijke tuchtprocedure reeds op gang gebracht is, meer bepaald de zaken waarin overeenkomstig artikel 24/27 van de wet van 27 december 1973 een inleidend verslag ten laste van het personeelslid opgesteld is; dat in dit geval op 1 april 2001 nog geen dergelijk inleidend verslag lastens verzoeker was opgesteld, zodat de problematiek van de verjaring uitsluitend beoordeeld moet worden in het licht van artikel 56 van de tuchtwet; IX-4492-8/12 4.3.3. Overwegende dat artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet bepaalt dat de tuchtvordering verjaart indien binnen de zes maanden na de kennisneming of de vaststelling van de feiten door een bevoegde overheid, geen inleidend verslag aan het personeelslid betekend is; dat artikel 56, tweede lid, de begindatum van de verjaringstermijn evenwel uitstelt tot de datum van de kennisneming van de eindbeslissing op strafrechtelijk vlak, wanneer “een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten”; dat de Raad van State in het arrest nr. 135.028 van 20 september 2004 inzake VAN HAANDEL (overweging 4.3.3.) aangenomen heeft dat die duidelijke bepaling geen uitleg behoeft en dat het bijgevolg, voor de toepassing van artikel 56, tweede lid, van geen belang is of het bestuur de tuchtzaak op grond van een eigen onderzoek op gang kon brengen; dat derhalve, te dezen, de vaststelling zich opdringt dat het gerechtelijk onderzoek dat ten aanzien van de tuchtfeiten is gevoerd, de verwerende partij toeliet met de redactie van het inleidend verslag te wachten totdat haar kennis was gegeven van de definitieve afloop van de strafzaak; 4.3.4. Overwegende dat de wettelijke regeling van de verjaringstermijn eraan in de weg staat dat de Raad van State het optreden van het bestuur toetst aan ongeschreven beginselen van behoorlijk bestuur die verzoeker te dien aanzien aanvoert -de redelijke termijn, de zorgvuldigheidsplicht-; 4.4. Overwegende dat het tweede middel niet ernstig is; 5.1. Overwegende dat verzoeker in het derde middel de schending aanvoert van de artikelen 25, 32 en 38, van de tuchtwet en van artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 november 1991 tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, doordat het tuchtonderzoek “op een nietige wijze geïnstrueerd (is)”; dat hij uiteenzet dat in de aanvangsfase “DPMD-Gent” aangewezen is als dossierbeheerder terwijl dat dossier vanaf 3 juni 2003 naar “DPMD-Brugge” overgegaan is zonder dat het bewijs geleverd wordt dat de tuchtoverheid terzake een beslissing genomen heeft; dat hij daarenboven stelt dat krachtens artikel 25 van de tuchtwet en artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 november 1991 de voorafgaand onderzoeker nominatim aangewezen moet worden met de vermelding van zijn opdracht en dat het dossier geen verslag van een voorafgaand onderzoek bevat; IX-4492-9/12 5.2. Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen op antwoordt wat volgt: de door verzoeker ingeroepen bepalingen voorzien niet in de nominatieve aanwijzing van de persoon die het voorafgaand onderzoek moet uitvoeren; integendeel, uit de samenlezing van artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 november 1991 met artikel 19, 1/, van hetzelfde besluit blijkt dat de hogere tuchtoverheid het voorafgaand onderzoek kan opdragen aan “een daartoe opgerichte coördinatiedienst” en DPMD-Gent en DPMD-Brugge zijn dergelijke coördinatiediensten; bovendien blijkt uit het dossier dat steeds hoofd- commissaris DEVELTER als dossierbeheerder werd aangesproken, die eerst bij DPMC-Gent actief was en vervolgens na een administratieve reorganisatie naar DPMC-Brugge overgegaan is, zodat er geen sprake is van een onrechtmatige aanwijzing van een dossierbeheerder; voorts bestaat er helemaal geen verplichting om een voorafgaand onderzoek te voeren en in dit geval beschikte het bestuur met de gerechtelijke uitspraak over voldoende gegevens om de tuchtvordering te voeren; 5.3.1. Overwegende dat de verwerende partij terecht opmerkt dat het voeren van een voorafgaand onderzoek door de reglementering niet verplicht gesteld is; dat het ontbreken, in het tuchtdossier, van een desbetreffend verslag -dat ertoe strekt de tuchtoverheid in staat te stellen zich een duidelijk beeld te vormen van de feiten teneinde met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen over het opstellen van een inleidend verslag en aldus de eigenlijke tuchtprocedure op gang te brengen- dan ook de wettigheid van het bestreden besluit niet in het gedrang brengt; 5.3.2. Overwegende dat in het onderhavige geval, de directeur-generaal van de Algemene Directie -Operationele Ondersteuning op 1 augustus 2001 besloten heeft “nog geen voorafgaand onderzoek (...) te bevelen en het resultaat van de gerechtelijke dossiers af te wachten” en dat hij vervolgens, op zicht van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen en de begeleidende uitleg van de procureur- generaal, onmiddellijk een inleidend verslag opgesteld heeft; dat, aangezien er dus geen voorafgaand onderzoek is gebeurd, niet ingegaan moet worden op de vraag of de voorafgaande onderzoeker nominatim aangeduid moet worden; dat de aanwijzing van een “dossierbeheerder” -eerst DPMG-Gent en vervolgens DPMG-Brugge- los- staat van de opdracht om een voorafgaand onderzoek in te stellen; dat, voor zoveel als nodig, opgemerkt wordt dat de directeur-generaal in zijn inleidend verslag van 11 juli 2003 aan verzoeker medegedeeld heeft dat hij hoofdcommissaris DEVELTER van DPMD-Brugge machtigde om, in het kader van zijn verdediging tegen het IX-4492-10/12 inleidend verzoekschrift, verzoeker en eventuele getuigen te horen en dat hoofdcom- missaris DEVELTER ook daadwerkelijk het verhoor van verzoeker afgenomen heeft; 5.4. Overwegende dat noch de artikelen 32 en 38 van de tuchtwet, noch artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 miskend zijn; dat verzoeker niet duidelijk maakt op welke wijze het bestreden besluit een miskenning van artikel 25 van de tuchtwet zou miskennen; het derde middel niet ernstig is; 6.1. Overwegende dat verzoeker in het vierde middel de schending aanvoert van zijn rechten van verdediging, van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel en van het motiveringsbeginsel; dat hij in dat verband ook wijst op zijn ontoerekeningsvatbaarheid; dat hij het middel als volgt adstrueert: hoewel de aandacht van de tuchtoverheid gevestigd was op “de medische ongeschikt- heid en de daaruit voortvloeiende ontoerekeningsvatbaarheid” van verzoeker -hij is door de MCGR ongeschikt verklaard op grond van de criteria 512 en 513, neurosen en psychopathiën, van het koninklijk besluit van 5 november 1971- heeft zij zijn toerekeningsvatbaarheid niet laten onderzoeken, heeft zij een verzachtende omstandigheid buiten haar beoordeling gehouden en heeft zij zelfs een onzorgvuldig- heid begaan bij de correcte feitenvinding; 6.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt wat volgt: het bestreden besluit steunt volledig op de veroordeling van verzoeker door de strafrechter en zij kon, zonder het gezag van gewijsde te schenden, niet terugkomen op de toerekeningsvatbaarheid die de strafrechter heeft aanvaard; ook de tuchtraad heeft zich op dat standpunt geplaatst; in het bestreden besluit is dan ook gesteld dat “de tuchtoverheid gebonden (
  2. is)door de rechterlijke uitspraak inzake het bestaan van de feiten en hun toerekeningsvatbaarheid”; 6.3. Overwegende dat verzoeker in dit middel het strafrechtelijk begrip van de toerekeningsvatbaarheid aan de orde stelt; dat de strafrechter daar evenwel, bij het beoordelen van de schuldvraag, reeds uitspraak over gedaan heeft; dat de tuchtoverheid het gezag van gewijsde van de strafrechterlijke uitspraak zou miskennen indien zij, in een eigen beoordeling, die toerekeningsvatbaarheid opnieuw bij de zaak zou betrekken; dat het vierde middel niet ernstig is, BESLUIT: IX-4492-11/12 Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig november 2000 en vier, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4492-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.406 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.582 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.