← België

Arrest 137407 - - 22/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.407 Rolnummer: A. 152958/IX-4565 Zaak: Arrest 137407 - - 22/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-03 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 14:21 Fiche Arrest nr 137.407 van 22 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.407 van 22 november 2004 in de zaak A. 152.958/IX-

  1. In zake : Johan RENDERS, die woonplaats kiest bij advocaten W. VAN BETSBRUGGE en E. VANDEBEMPT, kantoor houdende te TIENEN, IVe Lansierslaan 4 tegen : de politiezone LUBBEEK, vertegenwoordigd door :
  2. de korpschef van de politiezone BIERBEEK/ BOUTERSEM/HOLSBEEK/LUBBEEK,
  3. het politiecollege van de politiezone BIERBEEK/ BOUTERSEM/HOLSBEEK/LUBBEEK, die woonplaats kiezen bij advocaat B. WELKENHUYSEN, kantoor houdende te LUBBEEK, Staatsbaan
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Johan RENDERS op 21 juni 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de impliciete beslissing van de korpschef en van het politiecollege van de politiezone Lubbeek waarbij zijn kandidaatstelling van 12 april 2004 voor de aanwijzing in de functie van “inspecteur wijkwerking en onthaal voor de wijk Boutersem” wordt afgewezen; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-4565-1/6 Gelet op de beschikking van 8 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. AARTS, die loco advocaten W. VAN BETSBRUGGE en E. VANDEBEMPT, verschijnt voor verzoeker, en van advocaat B. WELKENHUYSEN, die verschijnt voor de verwerende partij ; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Overwegende dat voor de feitelijke gegevens van de zaak verwezen wordt naar het arrest nr. 131.617 van 24 mei 2004 waarin de vordering tot schorsing van het besluit van de korpsoverste houdende de permutatie van verzoeker van de wijk BOUTERSEM naar de dienst interventie verworpen wordt; dat bijkomend gewezen dient te worden op wat volgt : 1.
  6. Op 5 april 2004 wordt aan de personeelsleden van de politiezone meegedeeld dat de betrekking “wijkwerking en onthaal : 1 voltijdse INP (wijk Boutersem)” wordt opengesteld, te begeven op 1 mei
  7. 1.
  8. Verzoeker stelt zich op 12 april kandidaat. Op 19 april 2004 wordt hem namens de korpschef meegedeeld dat hij de enige kandidaat is, dat de korpschef zich samen met het politiecollege op 21 april 2004 wenst te beraden over deze aangelegenheid, en dat verzoeker achteraf nader zal geïnformeerd worden. 1.
  9. Op 21 april 2004 beslist het politiecollege de vacature voor de wijk Boutersem terug open te verklaren. Deze beslissing vormt het voorwerp van de onderhavige vordering, doordat zij impliciet de kandidatuur van verzoeker verwerpt. IX-4565-2/6 Op 23 april 2004 wordt aan de personeelsleden van de politiezone Lubbeek een tweede oproep tot kandidaatstelling gericht voor de functie van “inspecteur wijkwerking en onthaal voor de wijk Boutersem”. 1.
  10. Op 27 april 2004 stelt verzoeker zich opnieuw kandidaat. 1.
  11. Op 5 mei 2004 beslist het politiecollege om verzoeker de vacante plaats niet te laten opvullen en bij de eerder genomen beleidsbeslissing te blijven waardoor verzoeker sinds 1 april 2004, omwille van functioneringsredenen, gemuteerd werd naar de dienst interventie; het college beslist eveneens om, op voorstel van de korpschef, deze vacature binnen de dienst “wijk” te Boutersem door middel van externe mobiliteit te laten opvullen. 1.
  12. Met een brief van 10 mei 2004 deelt de korpschef aan verzoeker mee wat volgt : “In onze zoektocht naar het invullen van de wijk Boutersem tijdens de tweede helft van de maand april 2004, stelde u zich voor beide oproepen telkenmale kandidaat. U was daarmee de enige. Inzake uw kandidatuur is tijdens het politiecollege van 05 mei 2004 beslist om niet terug te komen op de eerdere beslissing m.n. de bewuste beleidskeuze waarbij u om functioneringsredenen per 01 april 2004 permuteerde van de wijk Boutersem naar de dienst Interventie. Zie mijn schrijven 17/2004/HV dd 26 maart
  13. Wat de invulling van de wijken betreft is op mijn advies beslist om deze functies in de toekomst open te stellen via mobiliteit”. 2.
  14. Overwegende dat de verwerende partij aanvoert dat de bestreden beslissing een ordemaatregel betreft die de interne organisatie van de dienst beoogt, waarover zij vrij beslist en die niet met een annulatieberoep bestreden kan worden; 2.
  15. Overwegende dat de Raad van State in de huidige stand van de rechtspleging geen uitspraak doet over deze exceptie; dat immers, zoals hierna zal blijken, de vordering wordt verworpen omdat een van de grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing niet vervuld is;
  16. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing IX-4565-3/6 kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  17. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker vooreerst verwijst naar de mogelijkheid dat “(zijn) betrekking” zal begeven worden door een andere agent; dat hij in dat verband betoogt dat hij gehecht is aan de wijkwerking te Boutersem waaruit de verwerende partij hem verwijderd heeft, dat die wijkwerking hem een morele waarde en aanzien bij de bevolking bezorgde, terwijl hij nu in de interventieploeg te Lubbeek moet functioneren; dat hij vervolgens stelt dat de beslissing om hem in Lubbeek tewerk te stellen getroffen is zonder acht te slaan op zijn gezondheidstoestand, hetgeen hem een “quasi onherstelbaar” nadeel berokkent; dat hij besluit dat, nu het de bedoeling is om de betrekking te Boutersem met een “nationale oproep” te begeven, er een “onoverzichtelijke cascade van problemen” dreigt te ontstaan die de rechtszekerheid in het gedrang brengt en wegens de blijvende vacature de goede werking van de dienst niet ten goede komt; 3.
  18. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen eerst betoogt dat de vacature in Boutersem het gevolg is van de mutatie van Kim BUVÉ naar de functie recherche zodat verzoeker ten onrechte laat uitschijnen dat zijn vorige functie opnieuw vacant verklaard werd, dat verzoeker die vacature niet bestreden heeft, dat zij nooit heeft beslist dat verzoeker als kandidaat geweigerd werd, maar dat zij enkel heeft beslist dat er geen selectie zou doorgaan omdat verzoeker de enige kandidaat was zodat verzoeker zich nog altijd kandidaat kan stellen voor de openverklaarde functie; dat zij vervolgens stelt dat de medische argumenten die verzoeker aanvoert weerlegd zijn door de aanbevelingen van de arbeidsgeneesheer; dat zij besluit dat verzoeker geen nadeel verbindt aan de beslissing om nieuwe kandidaturen uit te lokken en dat niet mag vergeten worden dat de wijkwerking in Boutersem door het optreden van verzoeker volledig geblokkeerd was zodat het goed functioneren van de dienst er geen belang bij heeft dat verzoeker spoedig zou terugkeren; 3.3.
  19. Overwegende dat, voor zover thans uit het administratief dossier opgemaakt kan worden, de vacantverklaring, op 5 april 2004, van een betrekking van inspecteur te Boutersem -vacantverklaring die de aanleiding is geweest voor het bestreden besluit- betrekking heeft op de functie die door inspecteur BUVÉ was bezet en niet op deze die door verzoeker was bezet vooraleer hij naar Lubbeek gemuteerd werd; dat de verwijzing naar de mogelijke benoeming van anderen in ‘zijn’ IX-4565-4/6 betrekking dan ook in de feiten onjuist is; dat bovendien dat nadeel verbonden is met de tenuitvoerlegging van een toekomstige beslissing -die afzonderlijk bestreden kan worden op grond van het middel dat zijn unieke kandidatuur gepasseerd is-, dat het helemaal niet zeker is, aangezien de vacature nu via de externe mobiliteit begeven wordt, waarvoor verzoeker ook kan kandideren en dat verzoeker zelf erop wijst dat hij zijn mutatie bestreden heeft, zodat een vernietiging van het desbetreffend besluit -waardoor hij geacht wordt nooit uit Boutersem gemuteerd te zijn- inhoudt dat hij teruggeplaatst wordt in zijn vorige betrekking; dat voor het overige niet wordt ingezien waarom de procedure van de externe mobiliteit aanleiding zal geven tot “een onoverzichtelijke cascade” en aantasting van de rechtszekerheid, noch waarom het moreel nadeel, verbonden met de belemmering van zijn terugkeer naar Boutersem, niet afdoende hersteld kan worden na een vernietiging; 3.3.
  20. Overwegende dat verzoeker het nadeel dat verband houdt met de verslechtering van zijn gezondheidstoestand, formeel verbindt aan zijn mutatie naar de functie interventie, welke beslissing hier niet ter discussie staat; dat in ieder geval de Raad van State in zijn arrest nr. 131.617 van 24 mei 2004 heeft kunnen vaststellen dat de verwerende partij de gezondheidsklachten van verzoeker, die aanleiding hadden gegeven tot bepaalde aanbevelingen van de arbeidsgeneesheer, bij de dienstaanwijzing van verzoeker betrokken heeft door voor hem een aangepaste dienstregeling op te stellen; 3.
  21. Overwegende dat verzoeker het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet aannemelijk maakt; dat de vordering om die reden verworpen wordt, BESLUIT: Artikel
  22. De vordering tot schorsing wordt verworpen. IX-4565-5/6 Artikel
  23. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig november 2000 en vier, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4565-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.407 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.972 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.