← België

Arrest 137408 - - 22/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.408 Rolnummer: A. 153145/IX-4569 Zaak: Arrest 137408 - - 22/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-03 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 14:22 Fiche Arrest nr 137.408 van 22 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.408 van 22 november 2004 in de zaak A. 153.145/IX-

  1. In zake : Daniël VANDYCK, die woonplaats kiest bij advocaat C. FLAMEND, kantoor houdende te MEISE, Vilvoordsesteenweg 101 tegen : het Politiecollege van de politiezone HASSELT-ZONHOVEN- DIEPENBEEK, dat woonplaats kiest bij advocaat H. LAMON, kantoor houdende te HASSELT, Leopoldplein
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Daniël VANDYCK op 25 juni 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 20 april 2004 van het politiecollege van de politiezone HASSELT-ZONHOVEN- DIEPENBEEK waarbij hem de tuchtmaatregel van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 8 september 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 4 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-4569-1/14 Gehoord de opmerkingen van advocaat C. FLAMEND, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat H. LAMON, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Verzoeker was, vooraleer hem middels de bestreden beslissing het ontslag van ambtswege werd opgelegd, inspecteur van politie bij de lokale politie van de politiezone Hasselt-Zonhoven-Diepenbeek (hierna : de politiezone HAZODI). Op 17 maart 2000 richt hij samen met zijn echtgenote de bvba ANKRISO op. Deze handelsvennootschap heeft tussen 17 maart 2000 en 6 augustus 2003 - datum waarop de vennootschap door de rechtbank van koophan- del te Hasselt failliet werd verklaard - twee kledingwinkels geëxploiteerd in Hasselt. 1.
  5. Met een brief van 18 december 2002 stelt de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen de voorzitter van het politiecollege van de politiezone HAZODI in kennis van feiten die mogelijkerwijze een tuchtvergrijp uitmaken en die beschreven zijn in een (als bijlage gevoegd) verslag van 12 november 2002 van de arbeidsauditeur te Hasselt; bij de brief wordt tevens een afschrift van het strafdossier gevoegd. 1.
  6. Op 15 januari 2003 beslist de korpschef van de lokale politie HAZODI, na overleg met de voorzitter van het politiecollege, om met het instellen van een onderzoek inzake mogelijke tuchtvergrijpen in hoofde van verzoeker te wachten tot na het eindvonnis van de correctionele rechtbank te Hasselt in deze zaak. 1.
  7. Met een brief van 1 augustus 2003 bezorgt het parket bij het hof van beroep te Antwerpen een voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis van 6 juni 2003 van de correctionele rechtbank te Hasselt aan de voorzitter van het politiecollege. IX-4569-2/14 Door dat vonnis, dat kracht van gewijsde heeft bekomen, wordt verzoeker schuldig verklaard aan inbreuken op de sociale wetgeving (niet-inschrijving van twee werknemers in het personeelsregister en het niet onderwerpen van twee werknemers aan de RSZ), maar wordt hij wel vrijgesteld van bestraffing omdat, bij toepassing van artikel 5, tweede lid van het Strafwetboek, de zwaarste fout gelegd wordt bij de bvba ANKRISO. 1.
  8. Op 26 augustus 2003 beslist het politiecollege zich als hogere tuchtoverheid rechtstreeks met de feiten te belasten. Een voorafgaand onderzoek ten laste en ten ontlaste inzake mogelijke tuchtvergrijpen betreffende de feiten gepleegd door verzoeker wordt bevolen. Op 3 november 2003 stelt politiecommissaris SWARTELÉ een verslag op. Onder het luik "elementen en laste" stelt hij vast dat door het vonnis van de correctionele rechtbank bewezen is dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan inbreuken op de sociale wetgeving, dat door datzelfde vonnis eveneens bewezen is dat verzoeker is opgetreden als feitelijk zaakvoerder van een handelsvennootschap, en dat dit feit een tekortkoming vormt aan de beroepsplicht omschreven in artikel 134 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna : WGP). Hij vermeldt voorts dat als verzwarende omstandigheid geldt dat verzoeker nooit uit eigen beweging een individuele afwijking gevraagd heeft op de verbodsbepalingen in artikel 134 WGP en dat hij zelfs niet gereageerd heeft op diverse schriftelijke uitnodigingen vanwege de politiezone om nevenactiviteiten te melden, zodat hij ook in overtreding is met de meldingsplicht omschreven in artikel XII.III.1 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten. 1.
  9. Op 4 november 2003 beslist het politiecollege, op grond van de overweging dat uit het verslag van het voorafgaand onderzoek blijkt dat de feiten, gepleegd door verzoeker, in aanmerking komen voor een zware tuchtstraf, de tuchtprocedure in te stellen en over te gaan tot het opstellen van een inleidend verslag, overeenkomstig artikel 38bis van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna : de Tuchtwet). 1.
  10. Op 20 november 2003 richt de hoofdpolitiecommissaris-korpschef een "verslag over de persoon en de staat van dienst van verzoeker" aan de leden van het politiecollege, waarin wordt meegedeeld dat verzoeker

(1)sedert 1 april 2001 IX-4569-3/14 (met uitzondering van de periode mei tot september 2002) quasi permanent afwezig was wegens ziekte en hij tijdens zijn korte periode van aanwezigheid zijn functie op een apathische wijze uitvoerde, blijk gaf van weinig collegialiteit en de gegeven opdrachten kennelijk met tegenzin aanvaardde en
(2)in het recente verleden twee tuchtstraffen heeft opgelopen (met name op 23 maart 2000 en 19 april 2001) die tot op heden nog niet zijn uitgewist. 1.
  1. Op 12 december 2003 neemt verzoeker, door middel van afgifte tegen ontvangstbewijs, kennis van het inleidend verslag van 11 december
  2. In dat inleidend verslag, dat namens het politiecollege getekend is door de voorzitter van het politiecollege : - wordt aan verzoeker ten laste gelegd dat hij in de periode tussen 17 maart 2000 en 6 augustus 2003, als feitelijk zaakvoerder van de bvba ANKRISO, werkzaam is geweest zonder zijn hiërarchische oversten hiervan in kennis te hebben gesteld en twee inbreuken heeft gepleegd op de sociale wetgeving, en dat hij de politiezone niet in kennis heeft gesteld van het feit dat hij een ander beroep of activiteit uitoefende naast zijn beroep als politieambtenaar, noch een individuele afwijking aangevraagd zoals voorgeschreven in de toepasselijke reglementering; - wordt als verzwarende omstandigheid weerhouden
(1)verzoekers gebrek aan medewerking en loyauteit dat tot uiting komt in het feit dat hij nooit gereageerd heeft op meerdere schriftelijke uitnodigingen om melding te doen van het uitoefenen van een andere activiteit en dat hij niet bereid werd gevonden om een verklaring af te leggen in het kader van het voorafgaand onderzoek en
(2)het feit dat hij in het recente verleden twee tuchtstraffen heeft opgelopen die tot heden niet zijn uitgewist; - wordt aan verzoeker meegedeeld dat het politiecollege het voornemen heeft verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen; - wordt hij geïnformeerd over zijn recht om voorafgaand aan de uitspraak van de tuchtstraf mondeling te worden gehoord, om het verhoor van getuigen te vragen, om zich te laten vertegenwoordigen en/of te laten bijstaan en om een verweer- schrift in te dienen. 1.
  1. Op 19 januari 2004 beslist het politiecollege voor te stellen om aan verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen. Verzoeker neemt kennis van die beslissing op 21 januari
  2. IX-4569-4/14 1.
  3. Op 29 januari 2004 dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. Hij stelt onder meer dat hij nooit is opgetreden als feitelijke of als werkelijke zaakvoerder, dat hij daarom meende dat hij hiervan geen melding moest maken aan zijn oversten, dat hij, wat betreft het niet reageren op diverse aangetekende zendingen, meerdere malen in het ziekenhuis is opgenomen zodat gebrek aan loyauteit, medewerking en elementaire beleefdheid dan ook volledig uit de lucht is gegrepen, en dat ook de bewering dat hij taken met tegenzin uitoefende en blijk gaf van weinig collegialiteit niet klopt. 1.11.
  4. Op 15 maart 2004 worden de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid en verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, door de Tuchtraad gehoord. 1.11.
  5. De afgevaardigde van de inspecteur-generaal van de lokale en federale politie legt ter zitting de geschreven beschouwingen van de inspecteur- generaal neer. Onder het luik "nopens de procedure" merkt de inspecteur- generaal onder meer op
(1)dat uit het dossier niet blijkt dat het politiecollege een mandaat zou hebben verleend aan de voorzitter om het inleidend verslag te ondertekenen namens het politiecollege,
(2)dat in het uittreksel uit het register der beraadslagingen van het politiecollege van 4 november 2003 niets wordt vermeld over de voor te stellen straf, in casu het ontslag van ambtswege,
(3)dat uit het verzoek tot heroverweging en de erin aangevoerde argumenten blijkt dat de beweringen in het verslag over de persoon en de staat van dienst van verzoeker voor betwisting vatbaar zijn, dat dergelijke opmerkingen daarenboven een evaluatie uitmaken waarvoor een verplicht na te leven procedure is opgelegd en
(4)dat, wat betreft het gebrek aan medewerking en loyauteit als verzwarende omstandigheid, het zwijgen en stilzitten van de betrokkene in de eigen zaak op zich niet kan leiden tot een tuchtsanctie of een verzwaring ervan. IX-4569-5/14 Onder het luik "ten gronde" oordeelt de inspecteur-generaal : - dat het bewezen is
(1)dat verzoeker, in de periode tussen 17 maart 2000 en 6 augustus 2003, zonder voorafgaandelijk toestemming van de bevoegde overheid, een activiteit heeft uitgeoefend die onverenigbaar is met de hoedanigheid van personeelslid van het operationeel kader en
(2)dat verzoeker, in de periode van 9 april 2000 tot en met 1 november 2001, twee inbreuken heeft gepleegd op de sociale wetgeving; - dat deze feiten kunnen toegerekend worden aan verzoeker en dat zij een tuchtvergrijp uitmaken in de zin van artikel 3 Tuchtwet; - dat, ondanks het tuchtrechtelijk verleden van verzoeker, hij blijk geeft van een wil tot verbetering wat kan worden afgeleid uit zijn slagen voor het ingangsexamen van functioneel beheerder in de loop van 2002, zijn inspanningen om zijn werkachterstand in te lopen en het volgen van een cursus, dat geen rekening wordt gehouden met het verslag en de staat van dienst van verzoeker en met de verzwarende omstandigheden die zouden voortvloeien uit een gebrek aan loyauteit, medewerking en elementaire beleefdheid, en dat om deze redenen verzoeker dient gestraft te worden met ten hoogste een terugzetting in de weddeschaal. 1.
  1. Op 26 maart 2004 geeft de Tuchtraad zijn advies. 1.12.
  2. Onder het luik "procedure" merkt de Tuchtraad onder meer op : - dat noch uit de voorafgaande motieven van de beslissing van 4 november 2003, noch uit het eindbesluit blijkt welke precieze strafmaat door het politiecollege wordt overwogen, dat, indien een inleidend verslag wordt opgesteld op grond van een besluit van een politiecollege, dit besluit de noodzakelijke elementen moet bevatten tot invulling van dit inleidend verslag, dat pas voor het eerst sprake is van een ontslag van ambtswege in het inleidend verslag, dat de enige akte waaruit formeel blijkt dat het politiecollege collegiaal overweegt het ontslag van ambtswege op te leggen de beslissing van 19 januari 2004 is (voorstel van zware tuchtstraf), maar dat anderzijds uit het procedureverloop blijkt dat er geen reden bestaat om te twijfelen aan het gegeven dat het politiecollege vanaf het begin het voornemen had het ontslag van ambtswege als tuchtstraf voorop te stellen; - dat het inleidend verslag werd ondertekend door de voorzitter van het politie- college, en dat beter ware geweest dat het inleidend verslag was getekend geweest IX-4569-6/14 door alle leden van het politiecollege, tenzij in de onderliggende beslissing van het politiecollege zou worden beslist dat de voorzitter aangesteld wordt om dit stuk te ondertekenen. In zijn advies ten gronde : - adviseert de Tuchtraad dat het bewezen is dat verzoeker is tekortgekomen aan zijn beroepsplichten door
(1)in strijd met zijn statuut van politieambtenaar, vanaf 17 maart 2000 tot 6 augustus 2003 als feitelijk zaakvoerder twee kledingzaken te hebben uitgebaat te Hasselt,
(2)zich in de periode van 9 april 2000 tot en met 1 november 2001 schuldig te hebben gemaakt aan twee strafrechtelijke inbreuken (verzuim twee werknemers in te schrijven in het personeelsregister; verzuim twee werknemers te onderwerpen aan de RSZ) en
(3)de politiezone niet in kennis te hebben gesteld van het feit dat hij een ander beroep of andere activiteit uitoefende naast zijn beroep als politieambtenaar, zonder daarvoor een individuele afwijking te hebben aangevraagd; - adviseert de Tuchtraad dat die feiten worden toegerekend aan verzoeker en dat zij een tuchtvergrijp uitmaken in de zin van artikel 3 Tuchtwet; - adviseert de Tuchtraad, op grond van een omstandige motivering, dat aan verzoeker als tuchtstraf het ontslag van ambtswege kan worden opgelegd. 1.
  1. Op 20 april 2004 beslist het politiecollege aan verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen. Dat besluit, waarvan verzoeker kennis neemt op 27 april 2004 en dat het voorwerp uitmaakt van de onderhavige vordering tot schorsing, neemt de motivering van het advies van de tuchtraad integraal over. De volgende feiten worden voor bewezen gehouden en als tuchtfeit aan verzoeker ten laste gelegd : "Inspecteur VANDYCK is tekort gekomen aan zijn beroepsplichten door : A. in strijd met zijn statuut van politieambtenaar op 17 maart 2000 samen met zijn echtgenote bij notariële akte de bvba ANKRISO te hebben opgericht en vanaf deze datum tot 6 augustus 2003 als feitelijk zaakvoerder van deze vennootschap twee kledingszaken te hebben uitgebaat te Hasselt; B. zich in de periode van 9 april 2000 tot en met 1 november 2001 schuldig te hebben gemaakt aan volgende strafrechtelijke inbreuken;
  2. werkgever, aangestelde of lasthebber zijnde verzuimd te hebben twee werknemers in te schrijven in het personeelsregister, uiterlijk op het tijdstip van de tewerkstelling, met name GEURTS Maria en DEHAEN Petra;
  3. werkgever, aangestelde of lasthebber zijnde verzuimd te hebben twee werknemers te onderwerpen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid IX-4569-7/14 en dit over het tweede kwartaal 2000 tot en met het derde kwartaal 2001 ten bedrage van 10 728,17 euro, opslagen en interesten niet inbegrepen, met name GEURTS Maria en DEHAEN Petra; C. de politiezone HAZODI niet in kennis te hebben gesteld van het feit dat hij een ander beroep of een andere activiteit uitoefende naast zijn beroep als politieambtenaar, zonder daarvoor een individuele afwijking te hebben aangevraagd.
  4. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
  5. Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de tuchtwet doordat het inleidend verslag ondertekend is door de voorzitter van het politiecollege die daartoe evenwel geen mandaat bezat, doordat het politiecollege zich bij het treffen van het besluit om een inleidend verslag op te stellen niet uitgesproken heeft over de op te leggen tuchtmaatregel en doordat hij zich niet kan herinneren het inleidend verslag ontvangen te hebben; dat zijn raadsvrouw ter terechtzitting afstand doet van dit middel; 4.
  6. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel, van de motiveringsplicht en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat hij eerst in een algemene opmerking betoogt dat hem de zwaarst mogelijke sanctie opgelegd is, terwijl de inspecteur-generaal van de inspectie van de lokale en federale politie aan de tuchtraad geadviseerd had hem ten hoogste een terugzetting in graad op te leggen, hetgeen voor de verwerende partij de verplichting inhield om in haar eindbesluit duidelijk aan te geven waarom de argumentatie van de inspecteur- generaal niet gevolgd wordt; dat hij vervolgens in een eerste onderdeel aanvoert dat het bestreden besluit niet steunt op feiten die, in feite en in rechte, afdoende bewezen zijn; dat hij aldus, wat de tenlastelegging A betreft, stelt dat hij wel met zijn echtgenote een bvba opgericht heeft maar dat hij niet als feitelijk zaakvoerder opgetreden is, vermits zijn gezondheidstoestand hem dat onmogelijk maakte; dat hij, wat de tenlastelegging B betreft, stelt dat de correctionele rechtbank hem schuldig heeft bevonden, maar dat zij hem niet bestraft heeft omdat hij niet voor eigen IX-4569-8/14 rekening of voor zijn eigen individueel belang gehandeld heeft; dat hij wat de tenlastelegging C betreft, stelt dat hij dacht geen individuele afwijking op het cumulverbod te moeten aanvragen omdat eerst zijn echtgenote en vervolgens zijn dochter zaakvoerder van de bvba was en omdat hij niets anders gedaan heeft dan zijn echtgenote sporadisch wat helpen met de administratie teneinde de verveling tijdens zijn herstelperiode te verdrijven; dat hij in een tweede onderdeel van het middel laat gelden dat het politiecollege ten onrechte acht slaat op een aantal bijkomende elementen, met name
(1)de omstandigheid dat hij schuldig bevonden is aan de organisatie van zwartwerk en georganiseerde fraude -wat niet het geval is-,
(2)de verwijzing naar zijn persoonlijkheid - terwijl hij in zijn verzoek tot heroverweging had aangetoond dat hem geen tegenzin of gebrek aan collegialiteit verweten kon worden- en
(3)de omstandigheid dat hij niet gereageerd zou hebben op diverse ingebrekestel- lingen met betrekking tot de mededeling van een cumulactiviteit en uitnodigingen om een verklaring af te leggen in het kader van het voorafgaand tuchtonderzoek -terwijl hij in zijn verzoek tot heroverweging had aangetoond dat hij wel degelijk geantwoord heeft op de brieven die hem waren toegezonden en terwijl het stilzitten in zijn eigen tuchtzaak niet kan leiden tot een tuchtsanctie of een verzwaring ervan; 4.
  1. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen daarop antwoordt wat volgt: de tuchtraad heeft het advies van de inspecteur-generaal in zijn besluitvorming betrokken, hij heeft besloten dat het ontslag van ambtswege niet kennelijk onredelijk was en het politiecollege heeft zich achter dat advies geschaard; op grond van de stukken van het dossier is de verwerende partij naar recht en redelijkheid tot het besluit gekomen dat het feitelijk zaakvoerderschap van verzoeker bewezen was, de strafrechter heeft verzoeker schuldig verklaard, verzoeker geeft zelf toe dat hij ten onrechte geen afwijking op het cumulverbod heeft aangevraagd en zijn bewering dat hij slechts sporadisch zijn echtgenote geholpen heeft druist in tegen het gezag van gewijsde van het vonnis van de correctionele rechtbank; de termen “zwartwerk” en “georganiseerde sociale fraude” dekken perfect de situatie waarin verzoeker zich bevond en de bestreden beslissing steunt niet op het uitoefenen met tegenzin van zijn functie noch op zijn gebrek aan collegialiteit of op het niet reageren op ingebrekestellingen van het bestuur; 4.3.
  2. Overwegende dat het advies van de inspecteur-generaal bestemd is voor de tuchtraad, die het dient te betrekken bij zijn besluitvorming; dat in dit geval de tuchtraad omstandig gemotiveerd heeft waarom hij de argumentatie van de IX-4569-9/14 inspecteur-generaal met betrekking tot de strafmaat niet wenste te volgen; dat de tuchtoverheid in haar eindbeslissing dan ook geen rechtstreeks antwoord meer diende te geven op het advies van de inspecteur-generaal; 4.3.
  3. Overwegende, wat het eerste onderdeel van het middel betreft : - dat de strafrechter in zijn vonnis van 6 juni 2003 tot het besluit gekomen is dat twee personen arbeid hebben verricht onder het gezag, de leiding en het toezicht van de bvba en van haar beide zaakvoerders, dus ook van verzoeker; dat de verwerende partij op grond van de stukken waarnaar zij in het bestreden besluit -hoofdstuk ‘Bestaan van de feiten’- verwijst de tenlastelegging A (het optreden als feitelijk zaakvoerder van een vennootschap) zelf ook voor terdege bewezen kon houden; - dat verzoeker voor de tweede tenlastelegging (twee inbreuken op de sociale wetgeving) door de correctionele rechtbank schuldig verklaard is; - dat verzoeker erkent dat hij ten onrechte dacht geen afwijking op het cumulatie- verbod te moeten aanvragen (tenlastelegging C); dat in dat verband vastgesteld wordt dat de verwerende partij daadwerkelijk rekening gehouden heeft met de mededeling van verzoeker -gegeven na een derde aanmaning- dat hij zijn echtgenote helpt met haar administratie, maar dat zij die mededeling “op zijn minst als niet waarheidsgetrouw” bestempeld heeft; 4.3.
  4. Overwegende, wat het tweede onderdeel van het middel betreft, dat het bestreden besluit onder het hoofdstuk “advies van de tuchtraad met betrekking tot de beteugeling van de tuchtvergrijpen en de straf” overweegt wat volgt : “Bij besluit van 19 januari 2004 heeft het Politiecollege in haar hoedanigheid van hogere tuchtoverheid voorgesteld om aan inspecteur Daniël VANDYCK de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen (referte 1.9.). Op datum van 26 maart 2004 heeft de tuchtraad bij meerderheid van stemmen geadviseerd dat aan inspecteur VANDYCK als tuchtstraf het ontslag van ambtswege kan worden opgelegd (referte 1.12). De tuchtraad motiveert dit advies als volgt : 'Door het plegen van de tuchtvergrijpen sub A, B en C heeft inspecteur VANDYCK in ernstige mate afbreuk gedaan aan zijn ambtsverplichtingen en heeft hij het noodzakelijke vertrouwen aangetast dat een politiedienst naar de buitenwereld moet uitstralen. Inspecteur VANDYCK heeft blijk gegeven van een eigengereide ingesteldheid waardoor afbreuk werd gedaan aan zijn vertrouwensrelatie binnen het korps. Het is duidelijk dat inspecteur VANDYCK gedurende geruime tijd actief een commercieel ambt heeft uitgeoefend in omstandigheden die principieel onverenigbaar zijn met het statuut van politieambtenaar. IX-4569-10/14 Pas in het nauw gedreven door een gerechtelijke tussenkomst bekende inspecteur VANDYCK aan zijn overheid de ware toedracht van zijn extra- professionele bezigheden. In de plaats van de gerechtelijke autoriteiten zelf ambtshalve bij te staan in de opsporing van misdrijven heeft inspecteur VANDYCK zich plichtig gemaakt aan strafbare feiten. Door het tewerkstellen van personen zonder deze in te schrijven in een personeelsregister en zonder betaling van de sociale bijdragen heeft inspecteur VANDYCK aangetoond geen respect op te brengen voor de sociaal- economische reglementering. Een politieambtenaar die door een strafrechtbank schuldig wordt bevonden aan de organisatie van zwartwerk en georganiseerde sociale fraude kan niet langer het noodzakelijk vertrouwen genieten om politietaken uit te voeren. Door te handelen in strijd met de wet heeft inspecteur VANDYCK het rechtmatig vertrouwen van de gerechtelijke overheid in de politiediensten in diskrediet gebracht. Een politieambtenaar die zich schuldig maakt aan dergelijke feiten straalt niet langer het noodzakelijk vertrouwen uit om opsporingen te verrichten naar het bestaan van misdrijven. Het laakbaar gedrag wordt daarenboven mede ondersteund door de bewuste overtreding van de verbondsbepaling inzake de cumul van activiteiten. Inspecteur VANDYCK die niet onwetend kon zijn van het feit dat hij geen functie van zaakvoerder in een bvba mocht uitoefenen, heeft wetend deze fundamentele norm overtreden. Dergelijk gedrag wijst erop dat inspecteur VANDYCK geen eerbied betoont voor de fundamentele regels en plichten die het statuut van de politieambtenaar bepalen. Niet onbelangrijk is hierbij te verwijzen naar de termijn gedurende dewelke inspecteur VANDYCK dit laakbaar gedrag heeft aangehouden. Het gedrag van inspecteur VANDYCK is onaanvaardbaar in hoofde van een politieambtenaar. De eerbaarheid van de politiediensten en het vertrouwen dat deze diensten naar de bevolking moeten uitstralen laat niet toe binnen het korps een personeelslid te behouden die wetend tegen de wet in heeft gehandeld en die zich niet wil schikken naar de elementaire normen van het statuut. Terecht verwijst de hogere tuchtoverheid bij de straftoemeting naar de persoonlijkheid van inspecteur VANDYCK. Behoudens de voormelde beschouwingen moet inderdaad ook rekening worden gehouden met zijn tuchtrechtelijk verleden. Hieruit blijkt dat betrokkene in het recente verleden niet onbesproken bleef, hetgeen erop wijst dat ondanks aanmaning tot verbetering inspecteur VANDYCK zijn gedrag niet heeft gecorrigeerd. De tuchtraad is de mening toegedaan dat rekening houdend met de nood- zakelijke deontologische en wettelijke verplichtingen die redelijkerwijze van een politieambtenaar verwacht mogen worden, de gepleegde feiten van aard zijn om te besluiten dat het verder in dienst houden onmogelijk is geworden. De gestrengheid die hieruit blijkt is gewettigd door de bijzondere opdracht van de politiedienst die een onvoorwaardelijk vertrouwen moet kunnen uitstralen. Het voorgestelde ontslag van ambtswege is dan ook niet kennelijk onredelijk. Om deze redenen adviseert de tuchtraad bij meerderheid van stemmen dat aan inspecteur VANDYCK als tuchtstraf het ontslag van ambtswege kan worden opgelegd". Het Politiecollege schaart zich ten volle achter dit advies van de tuchtraad”. Overwegende dat uit die omstandige motivering duidelijk blijkt in welk perspectief de termen “zwartwerk” en “georganiseerde sociale fraude” begrepen moeten worden; dat de gelaakte verwijzing, die buiten elke technisch-juridische kwalificatie om veeleer gezien moet worden als een samenvatting van de door de IX-4569-11/14 strafrechter bewezen bevonden feiten, geen bijkomend motief vormt om de straf van het ontslag van ambtswege te rechtvaardigen; Overwegende dat uit de motivering eveneens blijkt dat de verwijzing in het bestreden besluit naar “de persoonlijkheid” van verzoeker alleen betrekking heeft op zijn tuchtrechtelijke antecedenten; dat uit niets blijkt dat, tegen die bewoordingen in, de tuchtraad en het politiecollege rekening gehouden zouden hebben met de in het strafvoorstel van het politiecollege opgenomen verwijzing naar het feit dat verzoeker zijn taken met tegenzin vervulde en dat hij weinig collegialiteit betoonde; Overwegende dat de tuchtraad in een voetnoot bij zijn eindadvies over de strafmaat, formeel heeft gesteld dat hij geen rekening gehouden heeft met de in het strafvoorstel van 19 januari 2004 vermelde “verzwarende omstandigheid” doordat verzoeker een “gebrek aan loyauteit, medewerking en elementaire beleefd- heid” zou betoond hebben (overweging 2.
  5. -verwezen wordt daar naar het stilzitten van verzoeker ten aanzien van de vragen van de korpsoverste omtrent zijn cumulactiviteiten en naar het negeren van uitnodigingen om in het kader van het voorafgaand onderzoek een verklaring af te leggen); dat het dossier geen aanwijzing bevat dat het politiecollege op dat bijzonder punt de tuchtraad niet bijgevallen zou zijn; 4.
  6. Overwegende dat het tweede middel niet ernstig is; 5.
  7. Overwegende dat verzoeker in het derde middel de schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel doordat de opgelegde tuchtstraf niet in redelijke verhouding staat tot de gepleegde feiten; dat hij in dat verband verwijst naar de opstelling van de strafrechter -die verzoeker wel schuldig verklaard heeft maar hem niet bestraft heeft- en naar de stereotiepe uiteenzetting die het bestreden besluit bevat -“ondanks de bepaling van artikel 123 WGP, waarin wordt gesteld dat politieambtenaren bijdragen tot het doen naleven van de wet, heeft inspecteur VANDYCK gehandeld in strijd met de wet”- en dat hij van oordeel is dat “noch het vonnis, noch de persoonlijkheid, noch het beroepsverleden van verzoekende partij de zware tuchtstraf rechtvaardigen”; 5.
  8. Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen tegen inbrengt wat volgt: uit de bestreden beslissing blijkt welke feiten IX-4569-12/14 bestraft zijn, waarom die feiten tuchtrechtelijk vervolgd kunnen worden en waarom de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege opgelegd is; aldus voldoet het bestreden besluit aan de vereisten van de materiële en de formele motivering; verzoeker toont niet aan waarom de bestreden tuchtmaatregel kennelijk onredelijk zou zijn; 5.
  9. Overwegende dat de omstandigheid dat de strafrechter aan verzoeker geen straf opgelegd heeft niet belet dat het bestuur, dat de aangelegenheid moet onderzoeken in het kader van het dienstbelang, een verdere samenwerking met verzoeker onmogelijk acht; Overwegende dat het bestreden besluit op het vlak van de straftoemeting omstandig gemotiveerd is; dat die motieven niet stereotiep zijn, maar integendeel concreet refereren aan enerzijds het gebrek aan respect voor de sociaal- economische reglementering wegens de overtreding van de sociale wetgeving, hetgeen hem onbetrouwbaar maakt bij de uitoefening van politietaken en anderzijds aan zijn bewuste overtreding van de verbodsbepalingen inzake de cumul, waarin het bewijs gevonden wordt dat verzoeker geen eerbied heeft voor de fundamentele regels en plichten die een politieambtenaar dient na te komen; dat die motieven -die gelinkt zijn aan de vaststelling dat verzoeker gedurende geruime tijd “een commercieel ambt heeft uitgeoefend in omstandigheden die principieel onverenigbaar zijn met het statuut van een politieambtenaar”- duidelijk aangeven waarom, in dit geval, het bestuur van oordeel is dat de drie tenlasteleggingen, waarvan de onjuistheid niet aangetoond wordt, een verdere samenwerking met verzoeker onmogelijk maken; dat, met die motieven voor ogen, de opgelegde tuchtstraf afdoende gemotiveerd en niet kennelijk onredelijk is; dat ook het derde middel niet ernstig is;
  10. Overwegende dat verzoeker geen ernstige middelen aanvoert; dat aldus niet voldaan is aan een van de grondvoorwaarden waaronder de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging kan bevelen, BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing wordt verworpen. IX-4569-13/14 Artikel
  12. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig november 2000 en vier, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4569-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.408 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.751 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.