← België

Arrest 137409 - - 22/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.409 Rolnummer: A. 151097/IX-4505 Zaak: Arrest 137409 - - 22/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-03 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-04 14:22 Fiche Arrest nr 137.409 van 22 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.409 van 22 november 2004 in de zaak A. 151.097/IX-

  1. In zake : Antoon RIJNDERS, die woonplaats kiest bij advocaat K. GEELEN, kantoor houdende te HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Antoon RIJNDERS op 25 april 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 26 februari 2004 van de minister van Landsverdediging waarbij hij van ambtswege uit zijn ambt ontslagen wordt; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 8 september 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 11 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-4505-1/12 Gehoord de opmerkingen van advocaat K. GEELEN, die verschijnt voor verzoeker, en van majoor administrateur militair A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak samengevat zijn in het arrest nr. 126.819 van 5 januari 2004, waarbij de schorsing bevolen is van de ministeriële beslissing van 6 mei 2003 waarbij verzoeker van ambtswege uit zijn ambt ontslagen werd; dat thans ook rekening gehouden moet worden met de volgende bijkomende gegevens; 1.
  3. Met een nota van 11 februari 2004 deelt de Algemene Directie Juridische steun en Bemiddeling van de FOD Defensie aan de minister van Landsverdediging mede dat hij de keuze heeft tussen enerzijds het intrekken van zijn besluit van 6 mei 2003 en met een andere motivering een nieuwe beslissing tot definitieve ambtsontheffing nemen en anderzijds het intrekken van het besluit van 6 mei 2003 en geen nieuwe beslissing nemen, in welk geval verzoeker opnieuw als soldaat in de getalsterkte zal moeten opgenomen worden. Volgens de dienst zijn er evenwel “voldoende argumenten die pleiten tegen een wederopname”. 1.
  4. Op 26 februari 2004 besluit de minister van Landsverdediging dan zijn besluit van 6 mei 2003 in te trekken en verzoeker opnieuw van ambtswege te ontslaan. Dat besluit, dat het voorwerp vormt van de onderhavige vordering, wordt als volgt gemotiveerd : “KONINKRIJK BELGIË MINISTERIE VAN LANDSVERDEDIGING Nr. 85717 Ministerieel besluit betreffende een definitieve ambtsontheffing van een onderofficier DE MINISTER VAN LANDSVERDEDIGING Gelet op de wet van 27 december 1961 betreffend het statuut van de onderofficieren van het actief kader van de Krijgsmacht. Gelet op het koninklijk besluit van 25 oktober 1963 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader der land-, lucht- en zeemacht en van de medische dienst, IX-4505-2/12 Gelet op het arrest van het Militair Gerechtshof van 26 juni 2002 waarbij ex- adjudant-chef RIJNDERS werd veroordeeld voor de volgende feiten : 'aanranding der eerbaarheid, met geweld of bedreiging, van een minderjarige beneden de leeftijd van 16 jaar' (meerdere feiten), 'aanranding der eerbaarheid met geweld of bedreiging' (meerdere feiten), 'aanranding der eerbaarheid, met geweld of bedreiging, op een minderjarige boven de volle leeftijd van 16 jaar' (meerdere feiten), Gelet op het advies van de onderzoeksraad van 25 februari 2003, Gelet op het arrest van de Raad van State Nr. 126.819 van 5 januari 2004, Overwegende dat rekening houdende met het gezag van gewijsde van de veroordeling, de feiten als vaststaande dienen te worden beschouwd, Overwegende dat de feiten die aan de basis liggen van de veroordeling ongetwijfeld zeer ernstig zijn en dat betrokkene dit na het advies van de onderzoeksraad niet heeft betwist, Overwegende dat de onderzoeksraad heeft geoordeeld dat betrokkene als Sdt nog degelijk kan functioneren in de Krijgsmacht en zich daarbij baseert op : 1) 'zijn uitstekende staat van dienst'; 2) het feit dat hij 'van geen enkel feit beschuldigd is dat iets te maken heeft met het 'inwendig' leven binnen de militaire gemeenschap'; 3) het feit dat hij nog steeds 'geapprecieerd wordt door zijn ex-collega's, oversten en huidige chef'; 4) het feit dat hij 'zijn ganse leven wijdt aan het leger; hij ongehuwd is en weinig familie heeft'; 5) het feit dat hij 'thans in een totaal ander milieu verkeert' en 'dus kan genieten van een nieuwe start'; 6) het feit dat hij zijn ervaring nuttig kan aanwenden als soldaat, Overwegende dat de onderzoeksraad bijgevolg heeft voorgesteld om geen statutaire maatregel op te leggen, Overwegende voor wat supra 1), 3), 4), 5) en 6) betreft, moet worden vastgesteld dat de argumenten van de onderzoeksraad die in essentie handelen over de professionele capaciteiten van betrokkene en zijn instelling na de veroordeling, niet kunnen beletten dat de Minister van Landsverdediging zijn bevoegdheid kan uitoefenen die er in bestaat om te oordelen of een militair die zware feiten heeft gepleegd, nog kan worden gehandhaafd in de krijgsmacht en dit los van zijn professionele capaciteiten of van zijn instelling na de veroordeling. Dat de professionele capaciteiten en de huidige instelling van betrokkene geen afbreuk doen aan de ernst van de gepleegde feiten, Overwegende dat het oordeel van de 'ex-collega's, oversten en huidige chef' vermeld in supra 3), die wellicht vooral oog hebben voor de persoonlijke situatie van betrokkene en zijn professionele capaciteiten, evenmin afbreuk kan doen aan de voormelde bevoegdheid van de Minister van Landsverdediging en aan de ernst van de gepleegde feiten, Overwegende dat de familiale toestand van betrokkene vermeld in supra 4) geen afbreuk doet aan het feit dat de overheid vooral oog moet hebben voor het belang van de dienst en niet, voor de persoonlijke situatie van betrokkene (R.v.St. nr. 86.476, van 3 april 2000), Overwegende voor wat supra 2) betreft, moet vastgesteld worden dat artikel 25 van de wet van 27 december 1961 geen onderscheid maakt tussen feiten die buiten de uitoefening van de dienst worden gepleegd en feiten die tijdens de dienst worden gepleegd (cf. R.v.St. Nr. 86.476, van 3 april 2000; Nr. 72.834, van 30 maart 1998), Overwegende dat ook moet nagegaan worden of betrokkene op 'moreel vlak' kan gehandhaafd worden in de Krijgsmacht en bijgevolg of zijn handhaving het dienstbelang kan schaden, IX-4505-3/12 Overwegende dat zich dus de vraag stelt of betrokkene nog als soldaat kan functioneren binnen de Krijgsmacht, zonder dat alleen maar naar zijn professionele capaciteiten en zijn instelling na de veroordeling wordt gekeken, Overwegende dat de overheid in het geval van aanranding der eerbaarheid door militairen bijzondere strenge maatstaven kan hanteren bij de beoordeling van het dienstbelang (R.v.St. nr. 86.476 van 3 april 2000), Overwegende dat alle militairen, onafgezien van hun graad, net zoals de ambtenaren, een publieke functie bekleden en dus deelnemen aan de uitoefening van de openbare macht en bijgevolg kunnen worden geassocieerd met de openbare macht (A. MAST, J. DUJARDIN, M. VAN DAMME en J. VANDE LANOTTE, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Mechelen, Kluwer, 2002, 207). Dat dit zeker geldt voor militairen die zich overeenkomstig de rechtspraak van de Raad van State en het Arbitragehof in vergelijking met de ambtenaren in een bijzondere positie bevinden, Dat niet kan uitgesloten worden dat betrokkene bij de uitoefening van zijn publieke functie in de Krijgsmacht in contact zal komen met de burgerbevolking die kennis heeft of kennis zal krijgen (desgevallend via militairen die op de hoogte zijn van de feiten) van de veroordeling wegens de zware feiten. Dat in dat geval niet kan uitgesloten worden dat de burgers betrokkene zullen associëren met de openbare macht, in casu met de Krijgsmacht en hun mening zullen ventileren naar andere burgers. Dat in alle redelijkheid niet zal kunnen begrepen worden hoe iemand met een dergelijke veroordeling nog een publieke functie kan bekleden. Dat op deze wijze, via het handhaven van betrokkene in de Krijgsmacht, afbreuk zal kunnen worden gedaan aan de goede naam van de Krijgsmacht en bijgevolg aan het dienstbelang. Dat de zware feiten die betrokkene gepleegd heeft als militair immers ongetwijfeld botsen met de voortdurende inspanningen van de Krijgsmacht om een positief beeld te scheppen van de militairen en om jonge mensen warm te maken voor een job bij het leger. Dat deze argumentatie op zich al volstaat om een definitieve ambtsontheffing uit te spreken, Overwegende dat de Krijgsmacht ook voortdurend inspanningen levert op het vlak van de civiel-militaire samenwerking, waarbij er naar wordt gestreefd defensie open te stellen voor de burgerbevolking en vooral voor de jeugd via jongerenstages, schoolbezoeken, ter beschikking stellen van sportinfrastructuur, opendeurdagen, enz. Dat niet kan worden uitgesloten dat betrokkene zal worden ingeschakeld in het kader van deze activiteiten. Dat het tegen het dienstbelang zou ingaan dat betrokkene telkenmale, gezien de gepleegde feiten, zou moeten worden vrijgesteld van dienst wanneer dergelijke activiteiten worden georganiseerd in zijn eenheid. Dat de Krijgsmacht niet het risico kan lopen dat betrokkene in de schoot van het leger in aanraking zou komen met jongeren. Dat niet moet worden gewacht op nieuwe feitelijkheden die desgevallend de aansprakelijkheid van de Krijgsmacht in het gedrang zouden kunnen brengen, om op te treden. Dat ook deze argumentatie op zich al volstaat om een definitieve ambtsontheffing uit te spreken, Overwegende dat er ook in de schoot van de Krijgsmacht ruchtbaarheid is gegeven aan de feiten en dat niet kan worden uitgesloten dat er nog verdere ruchtbaarheid aan zal worden gegeven. Dat het argument van de onderzoeksraad dat betrokkene nog steeds 'geapprecieerd wordt door zijn ex-collega's, oversten en huidige chefs' aantoont dat er reeds publiciteit werd gegeven aan de feiten. Dat de vaststelling van de onderzoeksraad evenwel niet betekent dat betrokkene door alle militairen waarmee hij in de toekomst zal moeten samenwerken zal worden 'geapprecieerd'. Dat een terughoudendheid en een eventuele onwil van andere militairen, zeker van vrouwelijke militairen, om op een vlotte manier samen te werken met een persoon die zulke feiten gepleegd heeft, niet te vermijden is, begrijpbaar is IX-4505-4/12 en kan leiden tot spanningen. Dat deze situatie zeker niet bevorderlijk is voor een goede uitvoering van de dienst. Dat het dienstbelang bijgevolg in dat geval wordt geschaad. Dat ook deze argumentatie op zich al volstaat om een definitieve ambtsontheffing uit te spreken, Overwegende dat het tijdelijk verwijderen van betrokkene uit de Krijgsmacht niet verhelpt aan de gemaakte vaststellingen. Dat de bovengenoemde argumenta- tie immers blijft gelden na de terugkeer van betrokkene na een tijdelijke ambtsontheffing. Overwegende dat een definitieve oppensioenstelling na de wet van 3 februari 2003 houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector niet meer tot de mogelijkheden behoort, Overwegende dat losstaande van al de vorige overwegingen ook moet vastgesteld worden dat betrokkene werd veroordeeld tot een ontzetting uit de rechten vermeld bij nummer 1/ van artikel 31 van het strafwetboek voor een termijn van 5 jaar en dit zonder uitstel. Dat betrokkene bij toepassing van artikel 25bis van de wet van 27 december 1961 bijgevolg van ambtswege moet worden ontzet uit zijn ambt”.
  5. Overwegende dat de raadsman van verzoeker ter terechtzitting een “laatste memorie” neerlegt; dat een dergelijk stuk niet voorzien is in de procedure inzake het kort geding; dat het buiten de debatten wordt gehouden;
  6. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
  7. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheids- en het evenredigheidsbeginsel evenals van de materiële en de formele motiveringsplicht, doordat hem de zwaarst mogelijke straf wordt opgelegd, terwijl de tuchtoverheid de verplichting heeft om in alle onderdelen van de besluitvorming zorgvuldig te werk te gaan, terwijl de overheid ertoe verplicht is in haar beslissing melding te maken van de -afdoende- juridische en feitelijke gegevens die er de grondslag van vormen en terwijl de nadelige gevolgen van een bepaald besluit niet onevenredig mogen zijn met de doelstellingen die het besluit moet dienen; dat hij vervolgens, sterk samengevat, uiteenzet dat het bestreden besluit

(1)onvoldoende duidelijk aangeeft waarom het afwijkt van het advies van de onder- zoeksraad, in die zin dat er niet wordt uiteengezet waarom verzoeker niet meer in de Krijgsmacht kan functioneren en dat er niet of slechts met algemeenheden wordt geantwoord op de verschillende elementen die de onderzoeksraad in zijn advies betrokken heeft,
(2)dat het bestreden besluit de in het geding zijnde belangen IX-4505-5/12 onvoldoende heeft afgewogen en die afweging veruitwendigt, in die zin dat het besluit zich concentreert op het belang van de dienst en voorbijgaat aan de andere nochtans relevante belangen die door de onderzoeksraad in aanmerking genomen zijn -staat van dienen, maatschappelijke gevolgen, geïsoleerd karakter van de feiten, professionele capaciteiten- zonder rekening te houden met de persoonlijke situatie van de betrokkene en
(3)dat de motivatie aangaande het belang van de dienst niet overtuigt, aangezien zij op veronderstellingen steunt die overigens door de werkelijkheid worden tegengesproken aangezien hij na zijn veroordeling nog opdrachten met jongeren vervuld heeft en aangezien de motivering ingaat tegen de gedooghouding die de verwerende partij zelf ten overstaan van verzoeker heeft ingenomen, zelfs nog na zijn veroordeling; 4.
  1. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen in essentie verwijst naar de zeer uitvoerige motivering van het bestreden besluit, naar de zeer ruime discretionaire bevoegdheid waarover de minister in aangelegenheden als de onderhavige beschikt en naar de marginale toetsingsbevoegd- heid van de Raad van State; dat zij daaraan toevoegt dat, zo de onderzoeksraad zich heeft laten leiden door de professionele capaciteiten van verzoeker, de minister groter belang gehecht heeft aan de vraag of verzoeker op “moreel vlak” nog kan worden gehandhaafd binnen de Krijgsmacht; 4.3.
  2. Overwegende dat het bestreden besluit overweegt dat de verschillende elementen, die de onderzoeksraad tot zijn advies gebracht hebben, niet beletten dat de minister oordeelt of, bekeken vanuit het dienstbelang, een militair “op moreel vlak” nog gehandhaafd kan worden binnen de Krijgsmacht; dat het dan in het algemeen stelt dat de overheid in het geval van aanranding der eerbaarheid door militairen bijzondere strenge maatstaven kan hanteren bij de beoordeling van het dienstbelang en dat een militair een publieke functie bekleedt in de zin dat hij deelneemt aan het staatsgezag; dat het besluit voorts, concreet wat het geval van verzoeker betreft, overweegt
(1)dat de burgerbevolking niet zal begrijpen waarom iemand die veroordeeld is voor zware feiten nog een publieke functie kan bekleden, hetgeen de goede naam van de Krijgsmacht in het gedrang kan brengen en het dienstbelang schaden doordat de gepleegde feiten botsen met de voortdurende inspanningen van het leger om een positief beeld te scheppen van de militairen en aldus jongeren warm te maken voor een job bij het leger,
(2)dat de mogelijkheid bestaat dat, in het kader van de civiel-militaire samenwerking die door de Krijgs- macht wordt betracht -vooral met acties voor de jeugd-, verzoeker in die activiteiten IX-4505-6/12 wordt ingeschakeld maar dat, aangezien de Krijgsmacht niet het risico kan lopen dat verzoeker in aanraking zou komen met jongeren, het tegen het dienstbelang zou zijn indien hij telkens vrijgesteld wordt van dienst en
(3)dat het onvermijdbaar is dat militairen -zeker vrouwelijke- die met verzoeker zullen moeten samenwerken -en dat moet ruimer gezien worden dan de categorie die hem thans krediet geeft- zich terughoudend of zelf onwillig zullen opstellen tegen een samenwerking met verzoeker, wat kan leiden tot spanningen, hetgeen de goede uitvoering van de dienst niet bevordert; dat er wordt besloten dat die drie elementen elk op zich reeds een definitieve ambtsontheffing verantwoorden en dat het eraan toevoegt dat een tijdelijke verwijdering van verzoeker uit de dienst geen oplossing biedt, terwijl een definitieve oppensioenstelling wettelijk niet meer mogelijk is; 4.3.2. Overwegende dat de verwerende partij daarmee een duidelijk antwoord geeft op de stelling van de onderzoeksraad dat verzoeker nog in het leger kan functioneren; dat het de handhaving van verzoeker in de Krijgsmacht, zoals die door de onderzoeksraad verantwoord wordt, afweegt tegenover het dienstbelang; dat die afweging negatief voor verzoeker uitvalt, inzonderheid vanuit de vaststelling dat de verwerende partij “in het geval van aanranding der eerbaarheid door militairen bijzonder strenge maatstaven kan hanteren”; dat verzoeker niet aantoont dat die gewis strenge principiële opstelling van het bestuur kennelijk onredelijk is; dat, van dat gegeven vertrekkend, de verwerende partij in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat de redenen, geput uit het dienstbelang en in het besluit nader aangewezen, de voorkeur moesten krijgen op de redenen die de handhaving van verzoeker in de Krijgsmacht konden verantwoorden; dat de motieven waarop de minister het belang van de Krijgsmacht steunt, concreet geformuleerd zijn en dat zij in feite en in rechte toelaatbaar zijn; dat verzoeker weliswaar aan de verwerende partij verwijt dat die motieven, wat zijn persoonlijke situatie betreft, op hypothesen berusten, maar dat hij toch niet aannemelijk maakt dat het, in zijn actuele positie, uitgesloten is dat hij in de beschreven situaties betrokken raakt; dat de enkele omstandigheid dat de verwerende partij verzoeker na zijn veroordeling voort in dienst gelaten heeft -maar dan wel als soldaat en dus in een andere functie- de verwerende partij niet moest beletten hem na afloop van de tuchtprocedure toch uit de dienst te verwijderen; Overwegende, besluitend, dat binnen het kader van de ruime discretionaire bevoegdheid waarover de tuchtoverheid beschikt bij het beoordelen van de weerslag die de gepleegde feiten hebben op de werking van de dienst en van IX-4505-7/12 de strafmaat die volgens haar noodzakelijk is om de orde binnen de dienst te herstellen enerzijds en de marginale toetsingsbevoegdheid waarover de Raad van State te dien aanzien beschikt anderzijds, vastgesteld wordt dat de verwerende partij thans op grond van aannemelijke redenen het advies van de onderzoeksraad terzijde geschoven heeft terwijl zij ook geen kennelijk onredelijk gebruik gemaakt heeft van haar beoordelingsbevoegdheid; dat het middel niet ernstig is; 5.1. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van het beginsel “non bis in idem”, doordat hij voor dezelfde feiten drie keer gestraft is geworden, met name eerst door de strafrechter, vervolgens met een straf van rechtswege -het verlies van zijn graad als onderofficier- en nu met een definitieve ambtsontheffing, terwijl de laatste twee straffen statutaire maatregelen en dus disciplinaire straffen zijn; 5.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de ontneming van de graad een maatregel is die automatisch volgt uit de strafrechtelijke veroordeling, zonder dat er een oordeel wordt geveld over de opportuniteit van de handhaving van de betrokkene in de Krijgsmacht; aldus is deze maatregel niet van dezelfde orde als een tuchtmaatregel waarbij de overheid wel moet oordelen over de handhaving van verzoeker als lid van de Krijgsmacht; overigens zou het ingaan tegen het beginsel van de scheiding der machten indien de strafrechter, door het uitspreken van de ontzetting uit de rechten opgesomd in artikel 31 van het Strafwetboek, zou kunnen verhinderen dat de uitvoerende macht gebruik maakt van een bevoegdheid die de wetgever haar heeft toegekend; 5.3. Overwegende dat het beginsel “non bis in idem” niet belet dat een bestuur aan een ambtenaar die strafrechtelijk veroordeeld wordt, een maatregel van een andere aard oplegt, zoals een tuchtmaatregel waarbij de ambtenaar, met het oog op het herstel van de orde binnen de dienst, gestraft wordt; dat de omstandigheid dat de overheid er door de wet toe verplicht wordt een statutaire maatregel, waarvan het tuchtrechtelijk karakter niet wordt aangetoond, te verbinden aan een strafrechtelijke veroordeling -te dezen bepaalt artikel 14, § 1, van de wet van 27 december 1961 dat “de tijdelijke ontzetting van één der rechten opgesomd in artikel 31 van het Strafwetboek” “van rechtswege (
  1. de)ontneming van de graad van de beroepsofficier” tot gevolg heeft- het tuchtrechtelijk optreden niet belet; dat het middel niet ernstig is; IX-4505-8/12 6.1. Overwegende dat verzoeker in het derde middel de schending aanvoert van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, doordat hem een zwaardere tuchtstraf opgelegd is dan aan andere militairen die voor gelijkaardige feiten werden veroordeeld, terwijl er geen objectief en relevant criterium bestaat die dergelijke verschillende behandeling kan verantwoorden; dat hij verwijst naar het arrest DURAND, nr. 110.250 van 16 september 2002 waarbij een onderofficier slechts van ambtswege ontslagen werd nadat hij een tweede keer strafrechtelijk veroordeeld was voor aanranding van de eerbaarheid op minderjarigen, terwijl hijzelf na een eerste veroordeling onmiddellijk de zwaarste tuchtsanctie opgelegd gekregen heeft; 6.2. Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen op antwoordt dat de door verzoeker gemaakte verwijzing niet terzake dienend is omdat de overheid ieder geval afzonderlijk moet beoordelen, dat de zaak DURAND dagtekent uit 1997, dat in dat geval de strafrechter een eerste vonnis uitgesproken heeft dat milder was dan de veroordeling die verzoeker heeft opgelopen en dat de feiten niet dezelfde waren; 6.3. Overwegende dat verzoeker niet aantoont dat zijn feitelijke situatie dezelfde is als deze die in het arrest DURAND te beoordelen was; dat alleen al de vaststelling dat de tijdstippen waarop de twee ministeriële beslissingen genomen zijn, ver uit elkaar liggen en dat zij derhalve in een andere context tot stand zijn gekomen, de conclusie wettigt dat de situaties niet vergelijkbaar zijn; dat het middel niet ernstig is; 7.1. Overwegende dat verzoeker in het vierde middel de schending aanvoert van het gezag van gewijsde van het arrest van 26 juni 2002 van het Militair Gerechtshof, doordat het bestreden besluit hem de mogelijkheid ontneemt om nog in het leger te dienen terwijl het Militair Gerechtshof, door hem dat recht niet te ontnemen overeenkomstig artikel 31, 6/, van het Strafwetboek, zeker en noodzakelijk geoordeeld heeft dat hij dat recht kon behouden; 7.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen antwoordt dat de ambtsontheffing, die aan verzoeker opgelegd is, geen ontzetting uit de rechten is als bedoeld in artikel 31, 6/, van het Strafwetboek; IX-4505-9/12 7.3. Overwegende dat verzoeker ten onrechte uit de omstandigheid dat het Militair Gerechtshof hem niet ontzet heeft uit het recht bedoeld in artikel 31, 6/, van het Strafwetboek -het recht om wapens te dragen, deel uit te maken van de burgerwacht of te dienen bij het leger- afleidt dat het Hof met gezag van gewijsde gezegd heeft dat hij “dit recht kon behouden”; dat, daar tegenover, de verwerende partij in artikel 25 van de wet van 27 december 1961 uitdrukkelijk de bevoegdheid vond om verzoeker van ambtswege uit zijn ambt te ontzetten; dat het middel niet ernstig is; 8.1. Overwegende dat verzoeker in het vijfde middel de schending aanvoert van het algemeen rechtsbeginsel “nullum crimen sine lege”, doordat het bestreden besluit als rechtsgrond verwijst naar artikel 25bis van de wet van 27 december 1961 terwijl die bepaling slechts door de wet van 27 maart 2003 is ingevoerd en in werking getreden is op 14 juli 2003, zodat zij niet bestond “op het ogenblik van de feiten waarvoor hij vervolgd wordt”; 8.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat in fine van het bestreden besluit verwezen wordt naar artikel 25bis van de wet van 27 december 1961, maar dat uit de betreffende overweging blijkt dat het gaat om een motief in overvloed; dat volgens haar in ieder geval artikel 25bis geen strafrechtelijke bepaling is, terwijl het ingeroepen beginsel enkel in het strafrecht geldt; 8.3. Overwegende dat de verwerende partij terecht stelt dat de verwijzing, in de laatste overweging van het bestreden besluit, naar artikel 25bis van de wet van 27 december 1961 kadert in een motief dat ten overvloede wordt aangehaald; dat voor het overige uit de bespreking van het eerste middel is gebleken dat de andere vermelde motieven het bestreden besluit terdege onderbouwen; dat het middel niet ernstig is; 9.1. Overwegende dat verzoeker in het zesde middel de schending aanvoert van zijn rechten van verdediging doordat hij niet de gelegenheid gehad heeft om, nadat de onderzoeksraad had besloten dat er geen tuchtstraf aan verzoeker opgelegd diende te worden, door de verwerende partij gehoord te worden over de motieven die het bestuur in aanmerking wenste te nemen om van het advies van de onderzoeksraad af te wijken; IX-4505-10/12 9.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt wat volgt: volgens vaste rechtspraak moest verzoeker niet door de minister zelf gehoord worden, maar volstond het dat hij zich in de loop van de tuchtprocedure nuttig heeft kunnen verdedigen, wat in casu gebeurd is aangezien hij gehoord is door de onderzoeksraad en hij nadien zelfs nog een verweerschrift heeft ingediend; 9.3. Overwegende dat verzoeker niet duidelijk maakt welke rechtsregel hem het recht zou verlenen om door de verwerende partij gehoord te worden nadat de onderzoeksraad advies gegeven heeft; dat de rechten van verdediging van een onderofficier die het voorwerp uitmaakt van een tuchtprocedure van het ambtshalve ontslag, geregeld zijn door artikel 32 en volgende van het koninklijk besluit van 25 oktober 1963 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader van de Krijgsmacht; dat een tuchtrechtelijk vervolgde onderofficier aldus zijn verdediging voor de onderzoeksraad kan voordragen en dat hij vervolgens het recht heeft om een verweerschrift in te dienen; dat verzoeker van die mogelijkheden gebruik gemaakt heeft; dat het middel niet ernstig is; 10. Overwegende dat geen van de door verzoeker aangevoerde middelen ernstig zijn; dat de vordering tot schorsing om die reden verworpen wordt, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. IX-4505-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig november 2000 en vier, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4505-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.409 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.408 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.