← België

Arrest 137410 - - 22/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.410 Rolnummer: A. 144505/IX-3991 Zaak: Arrest 137410 - - 22/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-03 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 14:23 Fiche Arrest nr 137.410 van 22 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.410 van 22 november 2004 in de zaak A. 144.505/IX-

  1. In zake :
  2. Gilbert STEVENS, wonende te SINT-TRUIDEN, Luikersteenweg 260,
  3. Rudi STEVENS, wonende te SINT-TRUIDEN, Luikersteenweg 260 tegen : het Vlaams Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Gilbert STEVENS en Rudi STEVENS op 26 november 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de hen met een brief van 30 september 2003 ter kennis gebrachte beslissing waarbij de terugbetaling wordt gevraagd van de premie die hen was uitgekeerd in het kader van de sanering van de productie van appelen voor het seizoen 1994-1995, vermeerderd met de wettelijke intresten en een boetebedrag; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur E. HAESBROUCK, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 8 september 2004, houdende bevel tot neerlegging van het verslag en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 oktober 2004; datum waarbij de zaak achtereenvolgens wordt uitgesteld tot de openbare terechtzittingen van 18 oktober 2004 en 8 november 2004; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-3991-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat Y. VASTERSAVENDTS, die loco advocaat A. VASTERSAVENDTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat verzoekers, in toepassing van het ministerieel besluit van 19 oktober 1994 betreffende de toekenning van een premie voor de sanering van de productie van appelen voor het seizoen 1994-1995, in 1995 van het i Vlaams Gewest een premie van 10 277 hebben ontvangen voor het rooien van drie percelen appelbomen; dat bij een controle, verricht op 11 maart 2003, vastgesteld is dat op een van de percelen laagstamappelbomen waren aangeplant; dat de administra- tie in een brief van 22 mei 2003 aan verzoekers medegedeeld heeft dat de premie toegekend was onder de voorwaarde dat de eigenaar de verbintenis aanging -en die verbintenis overdroeg op een eventuele nieuwe koper- om gedurende vijftien jaar geen appelbomen op het betreffende perceel aan te planten en dat, wegens het niet- naleven van die voorwaarde, de rooipremie terugbetaald moest worden in toepassing van artikel 9 van het ministerieel besluit van 22 mei 2003; dat de verwerende partij met haar brief van 30 september 2003 het willig beroep van verzoekers verworpen heeft; dat de beslissing tot terugvordering van de uitbetaalde premie, vermeerderd met wettelijke intresten en de reglementaire boete (artikel 9 van het ministerieel besluit verhoogt het bedrag van de uitgekeerde premie met “de wettelijke intrest met ingang van de datum van (de) betaling” en “een bedrag (...) dat gelijk is aan de uitgekeerde rooipremie”) het voorwerp vormt van het onderhavige annulatieberoep;
  5. Overwegende dat de verwerende partij de bevoegdheid van de Raad van State betwist doordat het beroep betrekking heeft op de omvang van het subjectief recht dat de desbetreffende Europese verordening en het ministerieel besluit van 19 oktober 1994 hebben ingevoerd en waarvoor alleen de gewone recht- banken bevoegd zijn; IX-3991-2/4 Overwegende dat verzoekers in hun memorie van wederantwoord repliceren dat het beroep gericht is tegen een administratieve rechtshandeling die onwettig is, terwijl de omstandigheid dat die beslissing een weerslag heeft op hun subjectieve rechten geen gevolgen heeft voor de vaststelling van de bevoegdheid van de rechtbanken overeenkomstig artikel 144 van de Grondwet; dat zij daar aan toevoegen dat de verwerende partij zelf hen heeft medegedeeld dat tegen het bestreden besluit een annulatieberoep ingediend kon worden;
  6. Overwegende dat niet betwist wordt dat het ministerieel besluit van 19 oktober 1994 een recht op de rooipremie creëert ten voordele van de persoon die de reglementaire voorwaarden vervult; dat in dit geval verzoekers een rooipremie ontvangen hebben omdat zij de gestelde voorwaarden vervulden en dat de verwerende partij daarmee in hunnen hoofde het recht hebben erkend; dat met het onderhavige beroep verzoekers willen beletten dat de verwerende partij het recht dat zij hen had toegekend tenietdoet; dat tussen de partijen aldus een betwisting bestaat over het al dan niet teloorgaan van een subjectief recht; dat bovendien artikel 9 van het ministerieel besluit van 19 oktober 1994 aan de verwerende partij geen discretionaire bevoegdheid verleent op het vlak van de mogelijkheid om een uitbetaalde premie terug te vorderen, ook niet ten aanzien van de vaststelling van de bedragen die teruggevorderd worden, aangezien de volledige terugbetaling daar als een verplichting is ingesteld en er ook is bepaald dat de terug te betalen bedragen vermeerderd worden met de wettelijke intrest en met een bedrag dat gelijk is aan de uitgekeerde rooipremie; Overwegende dat verzoekers niet aantonen dat de wetgever de Raad van State bevoegd heeft gemaakt om kennis te nemen van het onderhavig geschil dat in al zijn aspecten betrekking heeft op subjectieve rechten die niet van burgerlijke aard zijn;
  7. Overwegende dat verzoekers ook niet aantonen dat de verwerende partij hen, bij de kennisgeving van de bestreden beslissing, medegedeeld zou hebben dat de mogelijkheid bestond om bij de Raad van State in beroep te komen tegen het bestreden besluit; dat er dienvolgens geen reden is om in te gaan op de vraag van de verzoekers om, wegens misleiding door het bestuur, de kosten van het beroep ten laste van de verwerende partij te leggen, IX-3991-3/4 BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoekers, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig november 2000 en vier, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-3991-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.410 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.