id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.413 Rolnummer: A. 153103/IX-4570 Zaak: Arrest 137413 - - 22/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-06 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 14:24 Fiche Arrest nr 137.413 van 22 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.413 van 22 november 2004 in de zaak A. 153.103/IX-
- In zake : Dunja REYNAERT, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Dunja REYNAERT op 24 juni 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het haar op 3 mei 2004 ter kennis gebracht besluit van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij zij van ambtswege uit haar ambt ontslagen wordt wegens ongewettigde afwezigheid; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 8 september 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 11 oktober 2004; IX-4570-1/11 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. JUDO, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor verzoekster, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Op 2 juni 2003 treedt verzoekster in dienst bij de federale politie. Zij wordt aangesteld in de graad van aspirant-inspecteur van politie, en volgt de opleiding aan de West-Vlaamse politieschool. 1.
- Blijkens de uiteenzetting van verzoekster wordt zij in november 2003 door haar behandelend geneesheer op ziekteverlof geplaatst wegens “een situationele depressie”. De controlearts van de federale politie bekrachtigt, na onderzoek, de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte. Op 5 januari 2004 wordt de arbeidsongeschiktheid van verzoekster door de controlegeneesheer opnieuw bekrachtigd. Hij adviseert nu wel een “functioneringsgesprek met de leidinggevende” te laten doorgaan. 1.
- De behandelende arts van verzoekster kent haar op 26 januari 2004 een ziekteverlof toe voor de periode van 15 januari 2004 tot en met 15 april
- Op 9 februari 2004 wordt verzoekster opnieuw onderzocht door de controlegeneesheer. Deze beslist dat verzoekster het werk dient te hervatten op 10 februari
- Verzoekster weigert deze beslissing te ondertekenen voor kennisname en ontvangst. Zij wordt haar op 10 februari 2004 aangetekend IX-4570-2/11 toegezonden. Verzoekster betwist niet dat zij die aangetekende brief daags nadien ontvangen heeft. 1.
- Reeds op de dag van het controleonderzoek - 9 februari 2004 - stuurt verzoekster een aangetekend schrijven aan Eric VANMOERBEKE, de vaste afgevaardigde van de ACOD bij de federale politie voor de regio West-Vlaanderen. In dit schrijven beklaagt verzoekster zich over de wijze waarop haar bezoek bij de controlegeneesheer verlopen is. Zij erkent daarin wel formeel dat de controlearts in telefonisch contact geweest is met haar behandelend geneesheer. Verzoekster maakt een kopie van de brief over aan de West- Vlaamse politieschool. 1.
- Met een aangetekend schrijven van 26 februari 2004 deelt de directeur-generaal van de Algemene Directie Personeel van de federale politie, verzoekster mede dat zij op 10 februari 2004 haar dienst moest hervatten, dat zij dat niet gedaan heeft en dat zij dus onregelmatig afwezig is. Hij geeft haar kennis van de tekst van artikel IX.I.5 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna : RPPol) en stelt vast dat 10 februari 2004 de datum is vanaf wanneer de termijn van 10 dagen, welke aanleiding geeft tot het ambtshalve ontslag, begint te lopen. Er wordt haar medegedeeld dat zij vanaf 10 februari 2004 wordt beschouwd als zijnde "in non- activiteit", dat haar wedde geschorst is en dat zij verzocht is zich onmiddellijk aan te bieden bij de West-Vlaamse politieschool en daar de reden van haar afwezigheid kenbaar te maken. Bij aangetekend schrijven van 1 maart 2004 wordt verzoekster door de Algemene Directie Personeel een uittreksel van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politie- diensten toegestuurd. 1.
- Op 2 maart 2004 schrijft de West-Vlaamse politieschool verzoekster aan met de vraag om een sleutel terug te bezorgen. Verzoekster antwoordt daarop : "Ik wens jullie mede te delen dat ik niet begrijp waarom jullie me onwettig afwezig verklaren. Ik verwijs naar de ingesloten bewijsstukken waarvan de WPS en de heer VANMOERBEKE Eric reeds van in den beginne en systematisch werden ingelicht". IX-4570-3/11 In een aangetekend schrijven van 2 april 2004, aan de Algemene Directie Personeel stelt verzoekster dat zij zich tot een advocaat zal wenden indien zij binnen de 7 werkdagen geen antwoord ontvangt of betaling van haar salaris verkrijgt. 1.
- Bij aangetekend schrijven van 7 april 2004 beantwoordt de directeur van de Algemene Directie Personeel verzoeksters aangetekende zendingen van 5 maart en 2 april
- Hij herhaalt dat de controlegeneesheer haar mededeelde dat zij op 10 februari 2004 de dienst moest hernemen en bevestigt dat het niet is omdat zij het formulier van de controlegeneesheer weigerde te tekenen dat zijn beslissing niet geldig is. Op 29 april 2004 verzoekt de West-Vlaamse politieschool verzoekster allerlei materiaal terug te bezorgen. 1.
- Met een aangetekend schrijven van 3 mei 2004 brengt de Algemene Directie Personeel verzoekster op de hoogte van de ministeriële beslissing houdende haar ontslag van ambtswege op datum van 10 februari
- Deze beslissing, die het voorwerp vormt van de onderhavige vordering, luidt als volgt : "
- Wettelijke en reglementaire bepalingen : 1.
- Wet van 07-12-1998 tot organisatie van een geïntegreerde politie- dienst, gestructureerd op twee niveaus, Art
- 1.
- KB van 30-03-2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, inzonderheid Art VIII.II.4 en 5, Art VIII.XI.13, Art IX.I.2,4/, en Art IX.I.5,6 en
- Feiten en getroffen maatregelen 2.
- Op 19-02-2004 ontving de Directie Mobiliteit en Loopbaanbeheer een brief van de West-Vlaamse Politieschool waarin werd meegedeeld dat AINP Dunja REYNAERT onrechtmatig afwezig was. Betrokkene was sinds 14 november 2003 vrijgesteld wegens ziekte, maar de controle- arts had haar op 09-02-2004 geschikt verklaard voor de dienst. Aangezien betrokkene zich nog niet gemeld heeft bij de school, is ze sinds 10-02-2004 onrechtmatig afwezig. 2.
- Als gevolg van deze vaststelling werd door DPM een 2.
- Overeenkomstig artikel IX.I.5 van het koninklijk besluit in Ref 2 vermeld, gaf men AINP REYNAERT, via aangetekend schrijven, IX-4570-4/11 kennis van de inhoud van artikel 125 van de in Ref 1 vermelde wet, meer bepaald : 'De politieambtenaren moeten gevolg geven aan elke oproep in verband met het vervullen van de dienst en alles vermijden dat het vertrouwen van het publiek in hun beschikbaarheid kan schaden. De politieambtenaren mogen niet zonder toelating of rechtvaardiging van hun dienst wegblijven. Wanneer zij meer dan tien dagen onregelmatig afwezig zijn gebleven, worden zij, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, van ambtswege uit hun ambt ontslagen. Dit ontslag heeft voor de betrokken personen het verlies van hun hoedanigheid van personeelslid van hun politiekorps tot gevolg. Die maatregel wordt genomen door de Koning indien Hij het betrokken personeelslid in zijn laatste graad heeft benoemd en, naargelang van het geval, door de Minister van Binnenlandse Zaken, de burgemeester of het politiecollege, in de andere gevallen'. 2.
- Overeenkomstig hetzelfde artikel werd belanghebbende in het bezit gesteld van een kopie van de bepalingen van het koninklijk besluit van 30-03-2001 en werd 10-02-2004 als datum berekend vanaf wanneer de in artikel 125 van de wet bedoelde termijn van 10 dagen inging. Bovendien werd AINP REYNAERT meegedeeld dat zij, overeen- komstig artikel VII.II.5 van het KB in Ref vermeld, vanaf 10-02-2004 werd beschouwd als zijnde in non-activiteit, wat voor haar de schorsing van de wedde met zich meebracht. Zij werd ook aange- maand zich aan te bieden op de West-Vlaamse Politieschool teneinde de reden van haar afwezigheid kenbaar te maken. 2.
- Op dit aangetekend schrijven reageerde AINP REYNAERT met een brief waarin zij DPM meedeelde dat ze haar inziens niet onrechtmatig afwezig is, aangezien haar behandelend geneesheer haar arbeids- ongeschikt heeft verklaard tot 15-04-
- Advies van de Commissaris generaal Overwegende dat AINP REYNAERT zich vanaf 10-02-2004 in een toestand van onregelmatige afwezigheid bevindt; overwegende dat zij op heden reeds meer dan tien dagen onregelmatig afwezig is; dat AINP REYNAERT aan haar opleidingscentrum bepaalde argumenten heeft laten gelden, maar dat deze niet pertinent waren; dat het een lid van de federale politie niet toegestaan is afwezig te zijn zonder toelating of rechtvaardiging; adviseert de Commissaris-generaal dat AINP REYNAERT van ambtswege uit haar ambt zou worden ontslagen.
- Beslissing Ik sluit mij aan bij het door de Commissaris-generaal uitgebrachte advies. Bijgevolg beslis ik met toepassing van de in punt 1 vermelde wettelijke bepalingen AINP Dunja REYNAERT van ambtswege uit haar ambt te ontslaan op datum van 10-02-2004". IX-4570-5/11
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen X.II.10 en X.II.12 van het RPPol, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van “het algemeen rechtsbeginsel van de materiële motiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht”; dat zij in een eerste onderdeel stelt dat het bestreden besluit steunt op de beslissing van 9 februari 2004 van de controlearts, terwijl die zogenaam- de beslissing “beroepen is”, hetgeen bepaalde rechtsgevolgen heeft doen ontstaan die niet laten besluiten tot de onregelmatigheid van de afwezigheid van verzoekster en terwijl alleen de medische geschillencommissie bevoegd is om een uitspraak te doen over het beroep tegen een beslissing van de controlearts zodat, bij gebrek aan een tijdige uitspraak over dat beroep, de arbeidsongeschiktheid zoals zij door de behandelend geneesheer vastgesteld is, herleeft, hetgeen dan te dezen betekent dat de vaststelling van haar ongewettigde afwezigheid steunt op een onjuist gegeven; dat zij in een tweede onderdeel van het middel stelt dat uit geen stuk blijkt op grond van welke redenen de controlegeneesheer verzoekster geschikt voor de dienst kon verklaren, terwijl de verwijzing naar die voorbereidende handeling enkel als afdoende motivering van het ontslagbesluit kan gelden in de mate dat de voorbereidende handeling zelf deugdelijk gemotiveerd is en deel uitmaakt van het eindbesluit; Overwegende dat verzoekster het eerste onderdeel van het middel als volgt toelicht: Hoofdstuk III van het RPPol regelt de medische controle op personeelsleden die met verlof zijn wegens ziekte (artikel X.II.5 bepaalt dat het medisch controleonderzoek door een controlerende geneesheer wordt uitgevoerd, artikel X.II.8 bepaalt dat de controlerende arts, na overleg met de behandelende arts, de modaliteiten of de duur van het voorgeschreven ziekteverlof kan wijzigen en artikel X.II.9 bepaalt dat de controlerende arts zijn beslissing onmiddellijk ter kennis van het personeelslid brengt door overhandiging van een document tegen ontvangst- bewijs of bij een aangetekende brief); hoofdstuk IV regelt de beroepsprocedure (artikel X.II.10 stelt een medische geschillencommissie in bij de medische dienst, artikel X.II.11 bepaalt dat beroep ingesteld kan worden tegen de beslissing van de IX-4570-6/11 controlerende arts binnen de 24 uur na de mededeling bedoeld in artikel X.II.9 en artikel X.II.12 bepaalt dat de medische geschillencommissie uitspraak doet binnen de 24 uur na haar adiëring en dat, zo de beslissing van deze commissie de betrokkene niet binnen de 24 uur bereikt, de beslissing van de behandelende geneesheer haar volle uitwerking herkrijgt); op 9 februari 2004 heeft de controlerende arts, overeenkomstig artikel X.II.9 van het RPPol, een beslissing genomen die afweek van de beslissing van de behandelende geneesheer, maar verzoekster heeft ze “onmiddel- lijk -op 9 februari 2004- bij de West-Vlaamse politieschool en ook bij de heer VANMOERBEKE formeel betwist”, met name door in haar brief te wijzen op haar arbeidsongeschiktheid, door er de controlemethodes van de arts in vraag te stellen en aan te dringen op een antwoord van het bestuur; aldus heeft zij geldig beroep ingesteld tegen de beslissing van de controlerende arts, maar het bestuur heeft niet gedaan wat het moest doen, te weten het beroep aan de functioneel bevoegde dienst overmaken; dat zij het beroep ingediend heeft bij de West-Vlaamse politieschool en de ACOD-afgevaardigde ligt aan het feit dat zij met die instanties -o.m. haar werkgever, die net als de medische geschillencommissie deel uitmaakt van de federale politie- in contact was en dat haar nooit duidelijk gemaakt is bij wie of waar zij het reglementair voorgeschreven beroep kon instellen; dat beroep is ook geldig ingediend, aangezien geen bepaling vereist dat het wordt ingediend bij de medische geschillencommissie en op het overtreden van dat vormvoorschrift een sanctie stelt, aangezien de controlearts -hetgeen hij trouwens niet moet doen- haar niet duidelijk gemaakt heeft bij wie en op welk adres beroep ingesteld kon worden en aangezien het voor haar onmogelijk was om zich binnen de zeer korte beroepstermijn in te lichten over haar verplichtingen zodat het niet-naleven van de reglementaire verplichting niet in haar nadeel uitgelegd mag worden; overigens heeft zij in maart 2004 een kopie van haar brief naar de Algemene Directie Personeel en naar de politieschool gezonden en ook daarop is geen reactie gekomen; omdat het RPPol gevolgen verbindt aan een niet-tijdige uitspraak over een beroep tegen de beslissing van de controle-arts -met name doordat dan de door de behandelende geneesheer geattesteerde werkonbekwaamheid herleeft- vermocht de verwerende partij er niet van uitgaan dat verzoekster vanaf 10 februari 2004 ongewettigd afwezig was; Overwegende dat verzoekster bij het tweede onderdeel van het middel de volgende toelichting geeft: zij kent de motieven niet die de controlerende arts tot zijn besluit hebben gebracht en dus zijn die motieven onbestaande; de controlearts kan zich niet beroepen op het beroepsgeheim of de vertrouwelijkheid, aangezien hij aan verzoekster, als patiënt, de redenen van zijn besluit kenbaar had IX-4570-7/11 moeten maken; de beslissing van de minister steunt op de vaststellingen van de controlerende arts en dus is het ministerieel besluit onwettig omdat het steunt op een niet gemotiveerde vaststelling van de controlerende arts; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij het eerste onderdeel van het middel als volgt beantwoordt: verzoekster richtte haar brief, waarin zij kritiek uit op het optreden van de controlerende arts, aan de vakbond en niet rechtstreeks aan de overheid; de West-Vlaamse politieschool heeft slechts een kopie van de brief gekregen en kon derhalve niets anders dan vaststellen dat die overzending gebeurde ter informatie en niet als een beroep; de brief maakt overigens geen melding van een beroep en verzoekster had aan de controlerende geneesheer gezegd dat zij geen beroep zou instellen; het zorgvuldigheidsbeginsel geldt ook voor de bestuurde: zij had tijdens het controleonderzoek, of nadien aan de school of bij de “talloze help- desks” kunnen vragen op welke manier en bij wie zij beroep kon instellen en zeker had zij in haar schrijven aan het bestuur duidelijk moeten vermelden dat het om een beroepsschrift ging; omdat het eerste onderdeel van het middel niet ernstig is, is de vordering onontvankelijk aangezien verzoekster het georganiseerd beroep niet uitgeput heeft; Overwegende dat de verwerende partij met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel uiteenzet wat volgt: het bestreden besluit maakt toepassing van artikel 125 van de WGP en van artikel IX.I. 2, 4/ van het RPPol en dus heeft de minister een gebonden bevoegdheid uitgeoefend; verzoekster had, wanneer zij niet akkoord ging met het besluit van de controlerende arts, beroep moeten instellen; overigens wordt niet ingezien hoe de controlerende arts had kunnen motiveren waarom hij verzoekster werkgeschikt verklaarde en kon verzoekster haar behandelend geneesheer contacteren om te vernemen waarom hij akkoord was gegaan met de werkhervatting; 3.3.1.
- Overwegende dat verzoekster niet betwist dat het RPPol, in het kader van de medische controle op de ziekteverloven, voorziet in de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de beslissing van de controlerende arts; dat zij met het eerste onderdeel van het middel vastgesteld wil zien dat zij het reglementair voorgeschreven beroep daadwerkelijk ingesteld heeft, maar dat het bestuur daar niet regelmatig op gereageerd heeft, zodat het ziekteattest van haar behandelend geneesheer volle uitwerking gekregen heeft en de verwerende partij bijgevolg niet IX-4570-8/11 rechtsgeldig heeft kunnen vaststellen dat zij sinds 10 februari 2004 ongewettigd afwezig was; Overwegende dat verzoekster zich op het standpunt plaatst dat de brief van 9 februari 2004 aan de vaste afgevaardigde van de ACOD bij de federale politie voor de regio West-Vlaanderen, waarvan zij ook een afschrift aan de politieschool gezonden heeft, het reglementair voorgeschreven beroep bevat tegen de beslissing van dezelfde dag van de controlerende arts dat zij op 10 februari 2004 het werk diende te hervatten; dat zij betoogt dat die brief “een duidelijk bezwaar tegen het onderzoek van de controle-arts” bevat, dat de partijen er duidelijk in geïdentificeerd worden en dat er ook een uiteenzetting wordt gegeven van haar grieven; 3.3.1.
- Overwegende dat de brief van 9 februari 2004 gericht was aan Eric VANMOERBEKE, syndicaal afgevaardigde van het ACOD, met afschrift aan de West-Vlaamse politieschool; dat in die brief verzoekster haar beklag maakt over haar bezoek aan de controle-arts die haar, na telefonisch contact met de behandelend geneesheer, “bijna gedwongen” had een document van werkhervatting te onder- tekenen en die haar “zeer eigenaardige vragen” zou hebben gesteld; dat zij voort betoogt: “Gezien ik medisch arbeidsongeschikt ben (cfr. medische attesten) en de arrogante wijze daarbovenop, voel ik me genoodzaakt u dit te laten weten. Eveneens vestig ik er u aandacht op dat ik, indien door dergelijke personen psychologisch wordt geïntimideerd, ik niet zal nalaten mijn raadsheer te contacteren”; Overwegende dat die brief geen melding maakt van een beroep of verzet tegen de beslissing om haar arbeidsgeschikt te verklaren; dat er ook niet uit opgemaakt kan worden dat het de bedoeling van verzoekster was de beslissing van de controlegeneesheer aan de medische geschillencommissie voor te leggen; 3.3.1.
- Overwegende dat, gelet op de bijzonder korte termijnen binnen dewelke de beroepsprocedure afgehandeld moet worden en op het feit dat het niet- naleven van de voorgeschreven termijnen door de medische beroepsgeschillen- commissie aan de politieambtenaar het grote voordeel toekent dat het attest van zijn behandelend geneesheer uitwerking verkrijgt, van de betrokkene verwacht mag worden dat hij met de grootste duidelijkheid standpunt inneemt, wat tenminste betekent dat hij klaar en duidelijk de wil te kennen geeft om de beslissing tot werkhervatting door de medische beroepsgeschillencommissie hervormd te zien; IX-4570-9/11 3.3.1.
- Overwegende dat de brief van 9 februari 2004 de vereiste duidelijkheid mist om als een rechtsgeldig beroep tegen het besluit van de controlege- neesheer beschouwd te kunnen worden; dat, daargelaten de vraag of verzoekster met een schrijven naar de politieschool wel rechtsgeldig beroep kon instellen, de school bij ontvangst van dergelijke brief -dan nog in kopie- helemaal niet moest gaan veronderstellen dat het ging om een beroepschrift, dat haar mogelijk bij vergissing was toegezonden; 3.3.1.
- Overwegende dat verzoekster geen rechtsgeldig beroep ingesteld heeft tegen de beslissing van 9 februari 2004 van de controlegeneesheer; dat die beslissing derhalve uitvoerbaar geworden is, zodat de verwerende partij er wettig kon op steunen om verzoekster met ingang van 10 februari 2004 als ongewettigd afwezig uit de dienst te beschouwen; dat het eerste onderdeel van het middel niet ernstig is; 3.3.2.
- Overwegende dat in het tweede onderdeel van het middel de formele motivering van het bestreden besluit in vraag wordt gesteld, doordat uit het besluit of de erbij gevoegde stukken niet blijkt waarom de controlegeneesheer verzoekster op 9 februari 2004 werkgeschikt kon achten; 3.3.2.
- Overwegende dat het bestreden besluit steunt op de ongewettigde afwezigheid uit de dienst gedurende meer dan tien dagen; dat het ongewettigd karakter van de afwezigheid van verzoekster volgt uit de beslissing van de controlegeneesheer om verzoekster vanaf 10 februari 2004 arbeidsgeschikt te verklaren en dat het bestuur, nu het eerste onderdeel van het middel niet ernstig is bevonden, die beslissing rechtsgeldig in zijn besluitvorming kon betrekken; dat dit motief het besluit dan ook afdoende onderbouwt; dat de formele motiveringswet niet vereist dat een beslissing de motieven van de motieven vermeldt; 3.3.2.
- Overwegende, bovendien, dat verzoekster, door geen beroep in te stellen tegen de beslissing van de controlegeneesheer, zichzelf de mogelijkheid heeft ontnomen om van de medische geschillencommissie een -gemotiveerde- eind- beslissing te verkrijgen over haar arbeidsgeschiktheid; dat zij zichzelf daarmee het recht heeft ontzegd om de onwettigheid -het gebrek aan motieven of het niet vermelden ervan- van dergelijk besluit, dat een voorbereidend karakter heeft, in te roepen om de onwettigheid aan te tonen van het besluit waarbij zij vanaf 10 februari 2004 als ongewettigd afwezig wordt gehouden; dat, aangezien zij nagelaten heeft het voorgeschreven beroep in te stellen, verzoekster het besluit van de controle- IX-4570-10/11 geneesheer aanvaard heeft en dat zulks voor de verwerende partij een deugdelijke grondslag kon vormen om haar vanaf 10 februari 2004 als ongewettigd afwezig te beschouwen; 3.3.2.
- Overwegende dat ook het tweede onderdeel van het middel niet ernstig is,
- Overwegende dat het door verzoekster aangevoerd middel niet ernstig is; dat niet voldaan is aan een van de grondvoorwaarden waaronder de Raad van State de schorsing van het bestreden besluit kan bevelen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig november 2000 en vier, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4570-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.413 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.749 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.