id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.414 Rolnummer: A. 151303/IX-4507 Zaak: Arrest 137414 - - 22/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-30 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 14:24 Fiche Arrest nr 137.414 van 22 november 2004 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.414 van 22 november 2004 in de zaak A. 151.303/IX-
- In zake : Koen DEPREYTERE, die woonplaats kiest bij advocaat J.-B. PETITAT, kantoor houdende te SINT-KRUIS-BRUGGE, Sportstraat 49 tegen : de politiezone VLAS (KORTRIJK-KUURNE-LENDELEDE), die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Koen DEPREYTERE op 11 juni 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 23 april 2004 van het politiecollege van de politiezone Kortrijk-Kuurne- Lendelede waarbij hem de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd met ingang van 30 april 2004; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 8 september 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 4 oktober 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-4507-1/17 Gehoord de opmerkingen van advocaat D. PEETERS, die loco advocaat J.-B. PETITAT verschijnt voor verzoeker, en van advocaat B. STAELENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker was, vooraleer hem middels de bestreden beslissing het ontslag van ambtswege met ingang van 30 april 2004 werd opgelegd, inspecteur van politie bij de lokale politie van de politiezone Kortrijk-Kuurne-Lendelede (hierna : de politiezone VLAS). 1.
- Met een nota van 4 juni 2003 deelt commissaris van politie CREPEL van de politiezone GAVERS aan de politiezone VLAS mee wat volgt : "- Op 17.05.2003 om 04.45 uur is een interventieploeg moeten tussenkomen in Bora Bora (Hulste-Brugsesteenweg) voor nachtlawaai. Op dat ogenblik waren eveneens een aantal collega's van de zone GAVERS, buiten dienst, aanwezig. Op het ogenblik dat deze collega's, buiten dienst, toekwamen (ongeveer 04.15 uur) waren er eveneens 2 collega's van de PZ-VLAS in de zaak aanwezig. De collega's van VLAS waren in uniform en hadden hun gordel met dienstwapen aan. Ze dronken pils en één ervan danste met andere aanwezige klanten. Twee aanwezige dames stonden met ontbloot bovenlijf te dansen, samen met de politieagent. Eén van de collega's van VLAS heeft één van de meisjes vastgegre- pen bij de borsten en 'meegedanst'. Omstreeks 05.15 uur kregen de collega's van VLAS een oproep, waarna ze de zaak verlieten. Eén van de collega's herkende een collega van VLAS als Herman DEJONGHE. Zijn collega kenden ze niet, doch achteraf bleek dit hoogst waarschijnlijk DEPREITERE Koen te zijn. Het dienstvoertuig van de patrouille is niet opgemerkt geweest, mogelijks stond dit aan de achterzijde van het gebouw. - Reeds vroeger diezelfde avond (omstreeks 23 uur) werd diezelfde patrouille eveneens opgemerkt te Kortrijk. Zij dienden tussen te komen in de omgeving van de Boerderijstraat te Kortrijk m.b.t. een kapotgeslagen bril van een jongetje. Daarna is deze patrouille binnengegaan in café 'Wielsbeke'. Het slachtoffer werd er samen met zijn moeder aangesproken en terug naar hun wagen begeleid. Daarop zijn ze in hun dienstvoertuig gestapt en hebben een blokje omgereden om bijna onmiddellijk terug aan te komen in hetzelfde café. Ook daar zouden ze bier gedronken hebben en met de klanten gedanst hebben. Ook hier waren de agenten in uniform en drager van hun gordel met dienst- IX-4507-2/17 wapen. Achteraf werd vernomen dat deze patrouille gedurende een zeer lange tijd in café 'Wielsbeke' vertoefden om dan naar café Bora Bora te Hulste te gaan. - Ik hield eraan u deze feiten kenbaar te maken, temeer daar na hun vertrek uit 'Bora Bora' aanwezige klanten de aanwezigheid van '... de politie van Harelbeke in uniform ...' en hun gedrag niet erg op prijs stelden". 1.
- Op 4 juni 2003 wordt verzoeker door de directeur personeel en door commissaris van politie BILLIOUW verhoord. Na verzoeker te hebben gehoord, beslist de directeur-personeel verzoeker bij dringende noodzakelijkheid voorlopig te schorsen. Op 6 juni 2003 beslist het politiecollege de beslissing tot voorlopige schorsing van verzoeker, voor een termijn van vier maanden ingaand op 4 juni 2003 met behoud van wedde, te bekrachtigen. 1.4.
- Met een brief van 18 juli 2003 wordt verzoeker door de directeur- personeel opgeroepen om op 31 juli 2003 gehoord te worden over de feiten die in de nota van de politiezone GAVERS worden aangehaald. In fine van zijn brief deelt de directeur-personeel mee dat hij in zijn hoedanigheid van gewone tuchtoverheid op 5 juni 2003 commissaris van politie BILLIOUW en hoofdinspecteur van politie BUYCK heeft aangewezen in de hoedanigheid van voorafgaande onderzoekers. Op 31 juli 2003 wordt verzoeker door de voorafgaande onderzoekers gehoord. 1.4.
- Met een nota van 21 augustus 2003 brengt commissaris van politie BILLIOUW aan de directeur-personeel verslag uit inzake het voorafgaand onderzoek. Onder een luik 2.II. wordt een synthese gemaakt van alle afgelegde verklaringen. Onder een luik 2.III. concludeert de voorafgaand onderzoeker, op grond van die synthese en van de uitprint "Fleetmanager FM 200 + FM Dect.", op basis waarvan de exacte vertrek- en aankomsturen van het voertuig waarmee de patrouille van verzoeker hun nachtshift van 16 mei op 17 mei 2003 hebben volbracht konden worden achterhaald, dat : "A/ de patrouille - gedurende ongeveer een vijftal uren zich heeft onttrokken aan de verplichting tot het uitvoeren van politionele activiteiten IX-4507-3/17 - een herbergbezoek heeft gebracht aan twee herbergen/tavernes - met kennis van het terrein en zonder dienstreden de zone heeft verlaten - in één drankgelegenheid minstens twee alcoholische dranken heeft verbruikt (café Wielsbeke) - in de tweede drankgelegenheid alcoholische dranken aangeboden heeft gekregen (Bora-Bora) - dranken heeft getrakteerd aan en getrakteerd gekregen door de aan- wezigen en/of uitbaters - in beide drankgelegenheden heeft gedanst met de aanwezige klanten (café Wielsbeke zowel mannen als vrouwen; Bora Bora enkel met vrouwelijke aanwezigen) - actief heeft geparticipeerd aan de gebeurtenissen in een losgelaten sfeer - waarbij - in de gelegenheid Bora Bora - twee vrouwen met ontbloot bovenlichaam aan de dans deelnamen - met dracht van het uniform en de wapengordel - in een niet-besloten drankgelegenheid - in aanwezigheid van burgers en politieambtenaren als dusdanig gekend doch in burger gekleed - zich bewust heeft onttrokken aan de collega's politieambtenaren in uniform gekleed B/ INP Herman DEJONGHE in het bijzonder (...) C/ INP Koenraad DEPREYTERE in het bijzonder - als functionele verantwoordelijke heeft opgetreden inzake activiteiten en route - het voertuig heeft geparkeerd uit het onmiddellijke zicht voor het binnentreden van de tweede drankgelegenheid - heupwiegende dansbewegingen heeft meegemaakt met een dame met ontbloot bovenlichaam terwijl hij haar ontblote bovenlijf tegen zich aandrukte zonder aanraking van de borsten - zich actief is blijven associëren met de dansende groep - als bestuurder van een politievoertuig alcoholische dranken heeft ver- bruikt”. Onder een luik 3 formuleert de voorafgaand onderzoeker een aantal “bijkomende overwegingen”, waarin hij de verantwoordelijkheden van de twee politieambtenaren afleidt uit de gegevens die uit zijn onderzoek naar voor gekomen zijn. Onder een luik 4 (“Antecedenten m.b.t. de personeelsleden”), vermeldt het voorafgaand onderzoek met betrekking tot verzoeker onder meer wat volgt : “1/ Voorgaande analoge feiten (met tuchtsanctie 8 dagen schorsing zonder wedde op 12/11/1990) - cfr. persoonlijk dossier (bijlage II.A1). Betrokkene had zich op zondag 13 mei 1990 bij einde dienst (om 16 : uur) niet afgemeld en was met een voertuig van de hondenbrigade, niettegenstaande radiofonische oproep, vijf uur lang afwezig geweest, in uniform en gewapend, op een privaat communiefeest. Hiervoor had hij een collega meegenomen met hem die echter niet op dienst voorzien was. IX-4507-4/17 2/ Verschillende evaluaties cfr. persoonlijk dossier (bijlage II.A2). 3/ Verschillende felicitaties cfr. persoonlijk dossier (bijlage II.A3). 4/ Werkafspraak/(niet respecteren van termijnen) dd. 31/7/03 cfr. persoonlijk dossier (bijlage II.A4)”. Onder een luik 6 oordeelt de verslaggever dat de feiten, weerhouden onder punt 2.III. vaststaan en als bewezen moeten worden beschouwd, en zet hij uiteen welke tuchtvergrijpen deze feiten uitmaken. Onder een luik 7 stelt hij, rekening houdend met het voorafgaand onderzoek, met de antecedenten en met de bijkomende overwegingen, in zijn hoedanigheid van vooronderzoeker voor om zowel aan verzoeker als aan zijn collega een zware tuchtstraf op te leggen. 1.
- Op 28 augustus 2003 stelt de directeur-personeel een “ontwerp inleidend verslag” op ten behoeve van het politiecollege, waarin hij : - de conclusies van het voorafgaand onderzoek integraal onderschrijft; - in navolging van het voorafgaand onderzoek, van mening is dat de feiten de volgende tuchtvergrijpen uitmaken : 1/) in hoofde van beide politieambtenaren : het dienstverzuim door gedurende het grootste gedeelte van de nachtelijke permanentie zich te hebben onttrokken aan de verplichting tot het uitvoeren van politionele activiteiten; het schenden van het principe van de integriteit, onkreukbaarheid en de onafhankelijkheid door alcoholische dranken te hebben verbruikt tijdens de dienst bij het dragen van uniform en dienstwapen en deze dranken in hoofdzaak te zijn aangeboden geworden; het schenden van de waardigheid verbonden aan het ambt door tijdens de dienst bij het dragen van uniform en dienstwapen in een openbare gelegenheid te hebben geparticipeerd aan activiteiten in een losgeslagen sfeer en in het bijzonder gedanst te hebben met zowel vrouwen met ontbloot bovenlichaam als met mannen; 2/) in hoofde van verzoeker in het bijzonder : besturen van een dienstvoertuig na het verbruiken van meerdere alcoholische dranken gecombineerd met zijn hoedanigheid van functionele meerdere; - meedeelt dat de feiten volgens zijn overtuiging moeten gestraft worden met een zware tuchtstraf en dat hij de hogere tuchtoverheid (het politiecollege) heeft gevat. Eveneens op 28 augustus 2003 adieert de directeur personeel de hogere tuchtoverheid. IX-4507-5/17 1.
- Op 29 augustus 2003 beslist het politiecollege : - kennis te nemen van de adiëring van de tuchtoverheid in het dossier van verzoeker en zijn collega; - de gewone tuchtoverheid te ontlasten, in dat dossier geen bijkomend voorafgaand onderzoek meer te bevelen, de feiten te beschouwen als ernstig en te moeten leiden tot het overwegen van een zware tuchtstraf, en over te gaan tot de betekening van het inleidend verslag opgesteld door de hogere tuchtoverheid. In zijn inleidend verslag van 2 september 2003 deelt het politiecol- lege aan verzoeker zijn voornemen mee om hem de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen, en wordt hij uitgenodigd voor een verhoor op 10 oktober
- 1.
- Op 3 oktober 2003 stellen de raadsman en de tuchtverdedigers van verzoeker een uitgebreid verweerschrift op, waarin zij onder meer vaststellen dat gegevens omtrent een tuchtsanctie van 1990 in het tuchtdossier werden gevoegd, terwijl die straf zowel in de oude als in de nieuwe wetgeving reeds doorgehaald diende te zijn, zodat “er in elk geval geen rekening (kan) mee gehouden worden”. 1.
- Op 10 oktober 2003 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn tuchtverdedigers, door het politiecollege gehoord. Nog diezelfde dag beslist het politiecollege het tuchtdossier met betrekking tot verzoeker in staat van wijzen te beoordelen en geen bijkomende voorafgaande onderzoeksverrichtingen meer te bevelen, en over te gaan tot de betekening van het voorstel tot de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege, waarvoor de volgende motieven worden aan- gevoerd : “Met betrekking tot de voorgestelde straf gezien in het licht van het integrale dossier : Inzake het ontslag van ambtswege - de feiten onmiskenbaar meerdere handelingen uitmaken, gesteld binnen de uitvoering van de dienst in een openbare gelegenheid in volledige dienstkledij, die een uiterst ernstige tekortkoming uitmaken aan de beroepsplichten en die van die aard zijn om de waardigheid van het ambt, het korps en de politie- diensten in het algemeen op onmiskenbaar heel ernstige wijze in het gedrang te brengen; - de schending van de deontologische principes manifest en uitermate ernstig is; - de uitermate zwaarwichtigheid van en de houding bij de gestelde handelingen, in aanwezigheid van burgers en collega's en de weerklank die deze binnen en buiten het politiekorps hebben gekend, een onvoorwaardelijke breuk hebben teweeggebracht tussen de actuele werkgever, met name de politiezone VLAS en het betrokken personeelslid; IX-4507-6/17 - dezelfde vertrouwensbreuk naar ieder burger toe, in het licht van de bekendheid en ruchtbaarheid van de feiten, onmiskenbaar leidt tot het besluit dat de inzet binnen een politiedienst in het algemeen voor de toekomst uitgesloten is; - in het bijzonder het betrokken personeelslid door de integrale hiërarchie op geen enkele manier kan worden ingezet voor eender welke politieopdracht evenals het feit dat het voor actuele en toekomstige collega's onmogelijk is geworden met een personeelslid samen te werken dat op deze wijze de naam en de faam van het ambt van politiefunctionaris heeft geschaad; - de houding van betrokkene binnen de omstandigheden waarbij het zich aan de dienst heeft onttrokken, een onherstelbare vertrouwensbreuk heeft teweeggebracht in hoofde van de werkgever, zodat een wederopname als politieambtenaar voor de toekomst is uitgesloten;” 1.
- Met een nota van 13 oktober 2003 wordt aan verzoeker het voorstel van beslissing van het politiecollege betekend om hem de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. In punt 2.4 van luik 2 (“Uiteenzetting van de feiten, omstandig- heden en gevolgen”) wordt gesteld wat volgt : “Bijkomend nemen wij kennis van de antecedenten met betrekking tot de betrokken personeelsleden, vermeld onder punt 4 van het voorafgaand onderzoek deel uitmakend van het tuchtdossier en vermeld onder punt 2.4 (lees : punt 2.5) van het ontwerp van inleidend verslag opgemaakt door de GTO, die eveneens de feitenvinding plaatsen in het licht van de conclusies met betrekking tot het voorstel van de voorafgaand onderzoeker tot het opleggen van een zware tuchtstraf. Wij onderschrijven integraal het belang van de bedoelde overwegingen in het licht van de feiten, de omstandigheden en de gevolgen”. In luik 5 (“Voorstel tot zware tuchtstraf”) wordt wel verwezen naar de feitelijke elementen vervat in het dossier, maar wordt in de motivering, inzonderheid in de motivering “met betrekking tot de voorgestelde straf houdende het ontslag van ambtswege gezien in het licht van het integrale dossier”, nergens gewag gemaakt van enigerlei antecedent. 1.
- Op 22 oktober 2003 dient verzoeker tegen het voorstel van zware straf een verzoek tot heroverweging in bij de tuchtraad. Op 10 december 2003 worden de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid en verzoeker, bijgestaan door zijn tuchtverdedigers, door de tuchtraad gehoord. De afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid benadrukt onder meer dat er “ook een voorgaande tuchtzaak is, weliswaar in het jaar 1990, waarbij een schorsing van acht dagen werd uitgesproken voor gelijkaardige feiten”, dat dit IX-4507-7/17 destijds “een zeer zware tuchtstraf was”, en dat verzoeker toen reeds “ernstig gewaarschuwd is geweest dat dergelijk gedrag niet kan”. De verdediging laat harer- zijds gelden dat de verwijzing naar de voorgaande tuchtsanctie overbodig is, vermits de zaak verjaard is. Op 28 januari 2004 formuleert de inspecteur-generaal zijn schriftelijke beschouwingen. Hij is van mening dat het opleggen bij tuchtmaatregel van een schorsing van lange duur meer passend zou zijn. Op 29 januari 2004 worden de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid en verzoeker opnieuw door de tuchtraad gehoord. De tuchtverdedi- ging legt ter zitting een uitgebreid verweerschrift neer. Zij vestigt daarin opnieuw de aandacht op het feit dat “de vorige tuchtstraffen en alle documenten daaromtrent ook niet in het huidig dossier thuis horen”. 1.
- Op 20 februari 2004 geeft de tuchtraad zijn advies. In het luik “De procedure” : - merkt de tuchtraad onder punt 3 (“De samenstelling van het dossier”) op wat volgt : “Het blad der tuchtstraffen op naam van INP DEPREYTERE opgesteld op 28 augustus 2003 (stuk 126) vermeldt geen enkele tuchtstraf. Dit betekent dat de tuchtoverheid bij het bepalen van de strafmaat op geen enkele wijze rekening kan houden met enig tuchtrechtelijk verleden van betrokkene. De tuchtraad stelt vast dat de tuchtoverheid het desalniettemin toch nog nuttig oordeelde aan het voorliggende dossier een reeks documenten toe te voegen waarin wordt verwezen naar een tuchtstraf die niet meer voorkomt op het strafblad. Aangezien deze laatste inlichtingen in generlei opzicht de beoordeling van deze zaak mogen beïnvloeden is de aanwezigheid van deze stukken op zijn minst ongepast. Het geeft de indruk dat het tuchtrechtelijk verleden van betrokkene de aandacht heeft getrokken van de tuchtoverheid. Blijkbaar acht men het nodig te wijzen op dit verleden om de context van de huidige zaak te schetsen, waardoor de overheid in feite geen afstand doet van dit verleden en het laat meespelen bij haar beoordeling van de huidige zaak niettegenstaande er geen enkel formeel argument over te vinden is in het tuchtbesluit zelf. Gelet op dit laatste had het alleszins meer consequent en eerlijker geweest indien er geen enkele verwijzing zou aanwezig zijn naar dit tuchtverleden. Door de gewraakte documenten bewust aan het dossier toe te voegen heeft de tuchtoverheid op onherstelbare wijze afbreuk gedaan aan het IX-4507-8/17 - gaat de tuchtraad onder punt 4 (“De delegatie”) uitgebreid in op de beslissing van 4 juni 2003 van de korpschef waarbij hij zijn tuchtbevoegdheid delegeert aan de directeur personeel; hij stelt vast dat de aanstelling van de directeur personeel geen wettelijke grondslag heeft en daarenboven in strijd is met artikel 46 WGP; vermits de regels inzake bevoegdheid en delegatie van openbare orde zijn, adviseert de tuchtraad alle stukken opgesteld naar aanleiding van deze delegatie buiten beschouwing te laten, inclusief de bewijsgaring die onrechtstreeks het gevolg is van het onregelmatig optreden van de directeur personeel; de tuchtraad adviseert dan ook in hoofdorde af te zien van verdere tuchtvervolging; In ondergeschikte orde adviseert de tuchtraad : - dat het bewezen is dat verzoeker, met dienst belast zijnde gedurende de nacht van 16 op 17 mei 2003 als lid van een interventieploeg, zich gedurende ongeveer 4 uur 30 minuten onttrokken heeft aan de verplichting tot het uitvoeren van politionele activiteiten, tijdens de dienst, drager van uniform en dienstwapen, alcoholische dranken heeft gebruikt, deze dranken in hoofdzaak aangeboden zijnde, tijdens de dienst, drager van uniform en dienstwapen, in een openbare gelegenheid geparticipeerd heeft aan activiteiten in een losgelaten sfeer en in het bijzonder gedanst heeft met zowel vrouwen met ontbloot bovenlichaam als met mannen, en een dienstvoertuig heeft bestuurd na het gebruik van alcoholische dranken; - dat die feiten worden toegerekend aan verzoeker en een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van artikel 3 Tuchtwet; - dat uit hoofde van de ten laste gelegde feiten aan verzoeker een schorsing bij tuchtmaatregel zou worden opgelegd voor de duur van drie maanden. De tuchtraad onder meer verwijst naar “zijn blanco strafregister, zijn jarenlange loopbaan bij de politiediensten en de afwezigheid van negatieve gegevens met betrekking tot de dienstuitvoering”. 1.
- Op 12 maart 2004 beslist het politiecollege het advies van de tuchtraad te volgen inzake het bestaan van de feiten, de toerekening ervan en de omschrijving van de feiten als tuchtvergrijp, van het advies van de tuchtraad af te wijken inzake de samenstelling van het dossier, de delegatie en de beteugeling van de feiten, en het voorgenomen ontslag van ambtswege in hoofde van verzoeker te behouden. 1.
- Met een nota van 12 maart 2004 wordt die beslissing ter kennis van verzoeker gebracht. IX-4507-9/17 Onder punt 3.1.
- (“inzake de samenstelling van het dossier”) wordt onder meer overwogen : “de elementen inzake het tuchtrechtelijk verleden, gelinkt aan de samen- stelling van het dossier, worden infra besproken”. Onder punt 3.
- (“Wat de sanctie betreft”), wordt inzake de afwezigheid van negatieve gegevens betreffende het verleden en de disproportie van de maatregel, overwogen wat volgt : “- de ogenschijnlijk (identiek in beide dossiers) standaardstelling van de tuchtraad inzake de afwezigheid enig gerechtelijk verleden (blanco strafregis- ter, jarenlange loopbaan en afwezigheid van negatieve gegevens), faalt in feite; - in het dossier bij herhaling wordt verwezen naar de antecedenten van betrokkene, meer bepaald de recente werkafspraak en de vroegere schorsing met verlies van wedde voor acht dagen; - ten overvloede werd door de HTO geen rekening gehouden met de functioneringsproblemen bij de APSD uit hoofde van een onaangepaste attitude die hebben aanleiding gegeven tot het beëindigen van een detachering, en dit in weerwil van de bewering van betrokkene dat deze detachering werd gezien als een positief advies uit hoofde door de korpschef; - indien, luidens het advies, door het bestaan van een blanco blad der tuchtstraffen, geen rekening zou mogen worden gehouden met de feiten uit het verleden (de schorsing weze heel duidelijk genuanceerd in de andere zin want dit was een exceptioneel hoge sanctie in het vroegere politioneel tuchtsysteem die werden gesanctioneerd doch tuchtrechtelijk zijn verjaard), ex absurdo zou moeten worden geconcludeerd dat alle tuchtstraffen, na verjaring van de voorgaande, zouden moeten worden beperkt tot de lichte straffen; - de vermelding van de maatregelen (een werkafspraak staat ook niet op het tuchtblad) voor feiten uit het verleden, procedureel niet een constitutief element vormen voor het maken van een optelsom die finaal moet leiden tot het opleggen van de zwaarste sanctie, doch enkel - maar duidelijk - het bewijs zijn van het feit dat betrokkene in het verleden last heeft gehad van normver- vaging; - precies van de overheid wordt gevraagd een zekere - het verleden - niettegenstaande verjaard en gewist op een tuchtblad, doch als feit vaststaand - in die context niet tot enige onzorgvuldigheid, laat staan onwettigheid, bij de feitenvinding en appreciatie van de feiten kan leiden; - de HTO bij de uiteenzetting op de tuchtraad de stelling heeft ingenomen dat, onverminderd voorgaande overweging, ook éénmalige feiten doch van een overduidelijke ernstigheidsgraad aanleiding moeten kunnen geven tot een definitieve vertrouwensbreuk; - hierbij werd overwogen dat, indien dit geldt voor de privé-sector, dit bij evidentie geldt voor politieambtenaren voor wie in toepassing van de wet hogere standaarden gelden inzake integriteit, waardigheid, voorbeeldfunctie en beschikbaarheid; - de vertegenwoordiger van de algemene inspectie bij de hoorzitting van de tuchtraad op 29 januari 2004 wel degelijk noteert dat IX-4507-10/17 de progressiviteit in de bestraffing en de proportionaliteit met betrekking tot de feiten die aan de basis van de tuchtprocedure liggen de aard van de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde tuchtstraf evenwel gerechtvaardigd lijkt' en bijkomend - de werkgever bijgevolg de progressiviteit in ogenschouw heeft genomen en hierbij over een discretionaire bevoegdheid beschikt; - de tuchtwet niet de mogelijkheid in zich houdt om een schorsing langer dan drie maanden op te leggen, zoals voorgesteld door de vertegenwoordiger van de algemene inspectie”; 1.
- Op 16 maart 2004 dienen de tuchtverdedigers van verzoeker een bijkomend verweerschrift in. Op 23 april 2004 beslist het politiecollege aan verzoeker de zware tuchtstraf houdende het ontslag van ambtswege met ingang van 30 april 2004 op te leggen. In die beslissing, die het voorwerp uitmaakt van de onderhavige vordering tot schorsing : - wordt, net zoals in het inleidend verslag van 2 september 2003 en in het voorstel van 13 oktober 2003 om aan verzoeker het ontslag van ambtswege op te leggen, opnieuw (ditmaal onder punt 2.5.) gesteld wat volgt : “Bijkomend nemen wij kennis van de antecedenten met betrekking tot de betrokken personeelsleden, vermeld onder punt 4 van het voorafgaand onderzoek deel uitmakend van het tuchtdossier en vermeld onder punt 2.4 (lees : 2.5) van het ontwerp van inleidend verslag opgemaakt door de GTO, die eveneens de feitenvinding plaatsen in het licht van de conclusies met betrekking tot het voorstel van de voorafgaande onderzoeker tot het opleggen van een zware tuchtstraf. Wij onderschrijven integraal het belang van de bedoelde overwegingen in het licht van de feiten, de omstandigheden en de gevolgen”; - worden onder punt 4.
- (“in verband met de sanctie”) de overwegingen herhaald die reeds voorkwamen in de intentienota van 12 maart 2003, met inbegrip van de overwegingen - behoudens de laatste - die hierboven sub 1.
- werden weerge- geven met betrekking tot de afwezigheid van negatieve gegevens betreffende het verleden. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij zich erover beklaagt dat verzoeker een uitgebreid verzoekschrift -91 pagina’s- ingediend heeft terwijl een vordering tot schorsing dient te leiden tot een “summaria cognitio” en het, vanuit de rechten van de verdediging, “niet meer zindelijk is” de verwerende partij binnen de korte termijnen die in dergelijke procedure gelden te verplichten een antwoord te IX-4507-11/17 formuleren; dat naar haar oordeel de vordering om die reden moet worden afgewezen; 2.
- Overwegende dat verzoeker inderdaad een uitvoerig uitgesponnen verzoekschrift heeft opgesteld waarin hij acht middelen ontwikkelt; dat hij daarmee grotendeels de argumentatie herneemt die was uiteengezet in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid die verzoeker op 30 april 2004 ingediend heeft tegen hetzelfde besluit en die hij voordien zelfs had ontwikkeld in de procedurestukken die hij tijdens het besluitvormingsproces bij de verwerende partij had laten gelden; dat de verwerende partij derhalve, op het ogenblik dat zij uitgenodigd werd om op korte termijn een nota met opmerkingen in te dienen, niet onbekend was met de grieven van verzoeker; dat overigens de summaria cognitio, waarover de verwerende partij het heeft, niet verwijst naar een korte uiteenzetting, maar naar een oppervlakkig onderzoek van de aangevoerde argumenten;
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
- Overwegende dat verzoeker in het zesde middel, ontleend aan “de schending van de motiveringsverplichting”, verwijst naar artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 en naar het feit dat “aan iedere administratieve rechtshandeling draagkracht- ige motieven ten grondslag moeten liggen”; dat hij in dat kader uiteenzet dat “er in het tuchtdossier documenten steken die aldaar niet thuishoren en die de bestreden beslissing in negatieve zin beïnvloed hebben (,) meer bepaald documenten die verwijzen naar een tuchtstraf die niet meer voorkomt op het strafblad van verzoeker”; dat hij ter ondersteuning van zijn stelling verwijst naar het advies dat de tuchtraad daaromtrent heeft gegeven -te weten dat die stukken in generlei opzicht de beoordeling van de zaak mogen beïnvloeden- en daarbij toelicht dat uit de motivering van het bestreden besluit duidelijk blijkt dat deze documenten het politiecollege hebben beïnvloed zodat het politiecollege het ontslagbesluit gesteund heeft op feiten waarmee het wettelijk gezien geen rekening mocht houden, dat de desbetreffende documenten onmiskenbaar een negatieve invloed hebben gehad op de beoordeling IX-4507-12/17 van de zaak en dat zulks een manifeste schending van de materiële motiveringsverplichting inhoudt; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen vooreerst op antwoordt dat het middel verwijst naar de schending van artikel 3 van de wet van 29 januari 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en dat, zeker in het kader van een schorsingsprocedure, het middel enkel vanuit die invalshoek mag bekeken worden; dat zij ten aanzien van het hierboven samengevatte onderdeel van het middel subsidiair wel uiteenzet dat de verwijzing naar een vroeger opgelegde tuchtstraf geen dragend motief vormt voor het bestreden tuchtstrafbesluit, dat met of zonder die verwijzing de opgelegde straf identiek zou geweest zijn en dat de betreffende uiteenzetting enkel aanduidt binnen welk referentiekader verzoeker werd gestraft, met name dat “in het verleden reeds duidelijk was aangegeven wanneer hij over de schreef ging”; 4.3.
- Overwegende dat verzoeker zijn uiteenzetting gewis begint met een verwijzing naar de wet van 29 juli 1991 maar dat hij er onmiddellijk een uiteen- zetting aan toevoegt over de noodzaak van het bestaan van draagkrachtige motieven en dat hij dat gegeven dan nader ontwikkelt, onder meer ten aanzien van het in aanmerking nemen van de tuchtstraf van acht dagen schorsing zonder wedde, die de burgemeester van Kortrijk hem op 27 juni 1990 heeft opgelegd; dat de omstandigheid dat verzoeker -weze het ten onrechte- de schending van de materiële motiverings- verplichting laat opgaan in het “afdoende” karakter dat de motivering overeenkom- stig artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 moet hebben, niet belet dat reeds bij een eerste lezing van het verzoekschrift onmiddellijk blijkt dat verzoeker de draagkracht van de motieven in vraag stelt; dat de verwerende partij zich op dat vlak niet heeft kunnen vergissen; 4.3.
- Overwegende dat het blad der tuchtstraffen, dat op 28 augustus 2003 in het kader van de tuchtprocedure tegen verzoeker werd opgesteld, geen enkele tuchtstraf vermeldt; Overwegende dat de verwerende partij niet betwist dat de tuchtstraf van acht dagen schorsing zonder wedde, die de burgemeester op 27 juni 1990 aan verzoeker opgelegd heeft en waarvan het gehele tuchtdossier door de voorafgaand onderzoeker bij zijn verslag gevoegd werd, wegens het tijdsverloop op het ogenblik van de inwerkingtreding van de tuchtwet als uitgewist diende te worden IX-4507-13/17 beschouwd en niet meer op het strafblad mocht vermeld worden; dat de verwerende partij derhalve met die straf geen rekening meer mocht houden toen zij zich beraadde over de strafmaat in de onderhavige tuchtzaak; 4.3.
- Overwegende dat uit het door de verwerende partij overgelegde administratief dossier blijkt wat volgt : - de voorafgaande onderzoeker stelt in zijn verslag van 21 augustus 2003 voor om aan verzoeker een zware tuchtstraf op te leggen en hij houdt daarbij formeel rekening met “antecedenten”, waarbij hij in de eerste plaats verwijst naar de feiten uit 1990, die aanleiding gegeven hebben tot een tuchtstraf van acht dagen schorsing; - de hogere tuchtoverheid stelt in het inleidend verslag en in haar strafvoorstel van 13 oktober 2003 -in het hoofdstuk “uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen”, punt 2.4.- in kryptische bewoordingen dat zij kennis genomen heeft van de antecedenten, aangehaald door de voorafgaand onderzoeker “die eveneens de feitenvinding plaatsen in het licht van de conclusies met betrekking tot het voorstel van de voorafgaand onderzoeker tot het opleggen van een zware tuchtstraf” en dat zij “het belang van de bedoelde overwegingen in het licht van de feiten, de omstandigheden en de gevolgen” integraal onderschrijft, in de motivering van de strafmaat verwijst zij dan nog wel naar “het integrale dossier”, maar niet meer specifiek naar de tuchtstraf uit 1990; - in zijn advies geeft de tuchtraad klaar en duidelijk aan dat de verwerende partij, hoewel zij “op geen enkele wijze rekening kan houden met enig tuchtrechtelijk verleden van betrokkene”, toch geen afstand doet van het verleden, dat er ook niet formeel naar die oude tuchtstraf verwezen wordt, maar dat het alleszins consequenter en eerlijker ware geweest indien elke verwijzing naar die oude tuchtstraf buiten het dossier gehouden ware gebleven, op gevaar af afbreuk te doen aan het recht van verzoeker om zich te beroepen op een “blanco tucht- verleden” en hij komt tot het besluit dat, rekening houdend met zijn blanco tuchtverleden en de ontstentenis van negatieve gegevens aangaande zijn jarenlange dienstuitoefening, verzoeker geschorst dient te worden voor drie maanden; - in zijn intentiebesluit om van het advies van de tuchtraad af te wijken -en vervolgens ook op identieke wijze in het bestreden besluit- contrarieert het politiecollege formeel de overweging van de tuchtraad aangaande de ontstentenis van negatieve gegevens betreffende het verleden van verzoeker; het college verwijst daarvoor naar een recente werkafspraak en naar “de vroegere schorsing met verlies van wedde voor acht dagen”, en voegt daaraan toe dat de onmogelijk- IX-4507-14/17 heid om rekening te houden met “feiten uit het verleden” die in het vorige tuchtsysteem tot een “exceptioneel hoge sanctie” hebben geleid, tot de absurde stelling leidt dat, na een uitwissing, nog alleen een lichte straf opgelegd kan worden, dat de verwijzing naar maatregelen voor feiten uit het verleden “procedureel niet een constitutief element vormen voor het maken van een optelsom die finaal moet leiden tot het opleggen van de zwaarste sanctie, doch enkel -maar duidelijk- het bewijs zijn van het feit dat betrokkene in het verleden last heeft gehad van normvervaging” en dat de vermelding van de antecedenten kadert in het door het bestuur te leveren bewijs dat er een zekere progressiviteit wordt gehanteerd bij het opleggen van tuchtstraffen; 4.3.
- Overwegende, in de actuele stand van de rechtspleging, dat vastgesteld wordt dat uit de motivering van de intentienota en de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat het politiecollege ingegaan is tegen de raadgeving van de tuchtraad dat het consequenter en eerlijker ware geweest om afstand te nemen van het tuchtdossier uit 1990; dat de verwerende partij ook, ten aanzien van de beoordeling van de strafmaat, met zoveel woorden verwijst naar de “progressiviteit van de veroordelingen”, wat niet anders kan betekenen dan dat de tuchtveroordeling van 25 juni 1990 een rol gespeeld heeft bij de beoordeling van de zwaarte van de straf die aan verzoeker zou opgelegd worden; dat, daargelaten de vraag of de uitwissing van tuchtstraffen het bestuur belet de feiten die aanleiding gegeven hebben tot die uitgewiste straf in haar overwegingen te betrekken teneinde daarmee -zoals de verwerende partij hier doet- de normvervaging van verzoeker aan te tonen en daargelaten de vraag of de verwerende partij ook zonder die verwijzing de gepleegde feiten als dermate ernstig kon beschouwen dat verdere samenwerking uitgesloten was, de Raad van State op dit ogenblik niet om de vaststelling heen kan dat het politiecollege de tuchtstraf uit 1990 bij zijn beoordeling betrokken heeft, met dien verstande zelfs dat het er bijkomend waardeoordeel over heeft gegeven waar in het bestreden besluit wordt vermeld dat die straf een “exceptioneel hoge sanctie in het vroegere politioneel tuchtsysteem (betrof)”; dat zulks onwettig is omdat het bestuur de uitgewiste tuchtstraf niet meer in haar beoordeling mocht betrekken; dat uit niets blijkt dat die motivatie slechts als een zuiver bijkomstig gegeven naar voren geschoven is zodat zij de wettigheid van de andere motieven niet kan ondergraven; dat het middel ernstig is in de mate dat de verwerende partij in het besluitvormings- proces over de strafmaat rekening gehouden heeft met een tuchtrechtelijke veroordeling die wegens het verstrijken van de tijd niet meer in aanmerking genomen mocht worden; IX-4507-15/17 5.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker in essentie uiteenzet dat hij als gevolg van het bestreden besluit geen inkomen meer heeft, dat het moeilijk is een nieuwe tewerkstelling te vinden, dat, naast het materieel nadeel dat daaruit voortvloeit, de bestreden beslissing ook een morele en psychische weerslag heeft en dat, gelet op de grofheid van de onwettigheden die hij aanvoert - bevoegdheidsoverschrijding door het politiecollege, grote discrepantie tussen het advies van de tuchtraad en de getroffen beslissing- enkel een spoedige beslissing soelaas kan brengen; 5.
- Overwegende dat de verwerende partij laat gelden dat financieel nadeel in de regel herstelbaar is, dat overigens verzoeker op zijn nakend ontslag kon anticiperen en dat het voor iemand met zijn opleiding, kunde en kennis mogelijk moet zijn om in de periode voorafgaand aan een annulatiearrest werk te vinden; dat zij daarnaast ook het bestaan van een moreel nadeel betwist en daar aan toevoegt dat de stelling van verzoeker aangaande het grof onwettig karakter van het bestreden besluit geen steek houdt; 5.
- Overwegende dat een tuchtmaatregel, waarbij een ambtenaar uit een overheidsdienst verwijderd wordt, een schandvlek met zich brengt die op zich als een moeilijk te herstellen nadeel kan worden gezien; dat de verwerende partij geen gegevens overlegt waaruit opgemaakt zou kunnen worden dat, in het bijzonder geval van verzoeker, zulks niet het geval is,
- Overwegende dat voldaan is aan de beide voorwaarden die de wet heeft ingesteld om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen, IX-4507-16/17 BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 23 april 2004 van het politiecollege van de politiezone Kortrijk-Kuurne- Lendelede waarbij aan Koen DEPREYTERE de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd met ingang van 30 april
- Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig november 2000 en vier, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4507-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.414 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.180 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.829 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.