← België

Arrest 137422 - - 22/11/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.422 Rolnummer: A. 46514/IX-2790 Zaak: Arrest 137422 - - 22/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-12-08 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 14:27 Fiche Arrest nr 137.422 van 22 november 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 137.422 van 22 november 2004 in de zaken A. 46.514/IX-2790 50.810/IX-

  1. In zake : Roland BERTREM, wonende te ASSEBROEK-BRUGGE, Tramstraat 60 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering. tussenkomende partij in de zaak A. 50.810/IX-2796 : Xavier DE COCK, wonende te OOSTENDE, Wellingtonstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Roland BERTREM op 3 april 1992 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de, onder postmerk van 6 feb 1992, betekende beslissing waaruit blijkt dat aan verzoeker een benoeming in het bevorderingsambt van Consulent-Hoofd van Dienst werd geweigerd”; Gezien het verzoekschrift dat Roland BERTREM op 24 maart 1993 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing tot benoeming van dhr Xavier DE COCK in het bevorderingsambt van consulent-hoofd van dienst bij het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg ( CBJ) te Oostende, beslissing die zou dagtekenen van 24 dec ‘92 doch slechts op 28 januari 1993 in de openbaarheid werd gebracht, overigens zonder directe kennisgeving aan verzoeker”; IX-2790-1/13 Gelet op het arrest nr. 42.721 van 3 mei 1993 in de zaak A. 50.810/IX-2796 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 25 oktober 1993 ingediend door Xavier DE COCK in de zaak A. 50.810/IX-2796; Gelet op de beschikking van 8 november 1993 die de tussenkomst van Xavier DE COCK toelaat in de zaak A. 50.810/IX-2796; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag over de zaken opgemaakt door auditeur W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 3 april 1995 tot voeging van de zaken; Gelet op de beschikking van 3 april 1995 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 13 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 juni 2004, datum waarop de zaak in voortzetting is uitgesteld tot de terechtzitting van 13 september 2004; Gezien de aanvullende memories van verzoeker en de verwerende partij; IX-2790-2/13 Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van adjunct van de directeur R. VAN BRUSSELEN, die verschijnt voor de verwerende partij, en van de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Over de gegevens van de zaken. Overwegende dat de gegevens van de zaken als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. Verzoeker is hoofdconsulent (rang 24) bij de sociale dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbank te Brugge. 1.
  5. Op 23 oktober 1991 worden 34 betrekkingen van consulent-hoofd van dienst (rang 25) bij de comités voor bijzondere jeugdzorg en de sociale diensten bij de jeugdrechtbanken vacant verklaard. Op 4 november 1991 stelt verzoeker zich kandidaat voor vier betrekkingen, onder meer voor de betrekkingen bij de comités voor bijzondere jeugdzorg te Oostende en te Roeselare. IX-2790-3/13 1.
  6. Tijdens de vergaderingen van 19 en 29 november 1991 onder- zoekt de directieraad de kandidaturen. Voor de betrekking bij het comité voor bijzondere jeugdzorg te Oostende wordt Yvan DANGREAU als eerste gerangschikt, verzoeker als tweede en Xavier DE COCK als derde. De notulen van de directieraad vermelden dat “de Directieraad (...) kennis (neemt) van de voorkeur voor de vacature op het Comité Bijzondere Jeugdzorg te Oostende, die de heer Dangreau uitgesproken heeft in zijn kandidaatstelling”. Voor de betrekking bij het comité voor bijzondere jeugdzorg te Roeselare is verzoeker als tweede gerangschikt na Yvan DANGREAU. 1.
  7. Op 17 december 1991 onderzoekt de directieraad de bezwaar- schriften die tegen de voorgestelde rangschikking werden ingediend. Er wordt onder meer een bezwaarschrift ingediend door Xavier DE COCK dat in de notulen van de directieraad als volgt wordt samengevat : “De heer De Cock vraagt om als eerste gerangschikt te worden voor de betrekking van consulent-hoofd van dienst te Oostende, ofschoon hij niet voldoet aan de vereisten inzake anciënniteit. Hij verantwoordt die aanspraken door te verwijzen naar zijn constructieve inzet bij de organisatie van het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg te Oostende, waar hij reeds drie jaar de feitelijke leiding heeft van de dienst. De heer De Cock vraagt dat beroep gedaan wordt op art. 33 § 2 van het K.B. van 7.8.1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het Rijkspersoneel en dat zou overgegaan worden tot declassering van de overige gegadigde kandidaten (de heren Dangreau en Bertrem)”. 1.
  8. Dit bezwaarschrift geeft in de directieraad aanleiding tot de volgende bespreking : “Er wordt verwezen naar de brief van de heer Dangreau, hoofdconsulent, die opteert voor een betrekking op het CBJ te Oostende en wenst af te zien van de betrekkingen op het CBJ te Roeselare en te Brugge, waarvoor hij eveneens kandidaat was. Voor de betrekking te Roeselare is de heer Dangreau eveneens eerste gerangschikt. De Directieraad beslist eenparig om de heer Dangreau toch voor te stellen voor een bevordering tot consulent-hoofd van dienst op het comité voor Bijzondere Jeugdzorg te Roeselare. Betrokkene blijft de mogelijkheid behouden om de bevordering te weigeren. De Directieraad vestigt vervolgens in het IX-2790-4/13 bijzonder de aandacht op het probleem van de consulent-hoofd van dienst bij het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg te Oostende, waar de heer De Cock onmiskenbaar de verdienste heeft de dienst te hebben uitgebouwd op een zeer voortreffelijke wijze. De heer De Cock beantwoordt maar aan de vereisten inzake anciënniteit op 1 juli
  9. De heer Bertrem, tweede gerangschikt voor deze betrekking op grond van anciënniteit, is niet betrokken bij de werking van de dienst te Oostende. De Directieraad wijst de benoemende overheid op de mogelijkheid om de betrekking van consulent-hoofd van dienst bij het comité voor Bijzondere Jeugdzorg te Oostende voorlopig vacant te laten”. 1.
  10. Op 6 februari 1992 wordt de lijst van bevorderde kandidaten aan verzoeker toegezonden. Uit die lijst blijkt dat Yvan DANGREAU met ingang van 30 december 1991 bevorderd werd tot consulent-hoofd van dienst bij het comité voor bijzondere jeugdzorg te Roeselare, dat de betrekking bij het comité voor bijzondere jeugdzorg te Oostende niet werd toegewezen en verzoeker niet tot consulent-hoofd van dienst bevorderd werd. De uit deze lijst blijkende weigering om verzoeker tot consulent-hoofd van dienst te bevorderen vormt het voorwerp van het eerste annulatieberoep. 1.
  11. Op 25 augustus 1992 worden opnieuw zes betrekkingen van consulent-hoofd van dienst bij de comités voor bijzondere jeugdzorg en de sociale diensten bij de jeugdrechtbanken vacant verklaard. Een van de vacante betrekkingen is die bij het comité voor bijzondere jeugdzorg te Oostende waarvoor zowel verzoeker als de tussenkomende partij zich opnieuw kandidaat stellen. 1.
  12. Op 15 september 1992 onderzoekt de directieraad de kandidatu- ren. Op verzoek van de benoemende overheid om met toepassing van artikel 33, § 3, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het rijkspersoneel, van de rangschikking naar anciënniteit af te wijken ten gunste van de kandidaten van de dienst waar de bevordering wordt verleend, beslist de directieraad Xavier DE COCK voor te stellen voor de betrekking van consulent-hoofd van dienst bij het comité voor bijzondere jeugdzorg te Oostende. 1.
  13. Op 22 september 1992 wordt dit voorstel aan de personeelsleden IX-2790-5/13 bekendgemaakt. Op 30 september 1992 dient verzoeker tegen het voorstel van de directieraad bezwaar in. Hij vraagt om door de directieraad te worden gehoord. Op 14 oktober 1992 wordt hij door de directieraad gehoord. De directieraad beslist echter de rangschikking niet te wijzigen. 1.
  14. Bij besluit van de secretaris-generaal van 24 december 1992 wordt de tussenkomende partij met ingang van 1 september 1992 tot consulent-hoofd van dienst bij het comité voor bijzondere jeugdzorg te Oostende bevorderd. Dit besluit wordt als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat de heer Xavier DE COCK de voorkeur geniet op de overige kandidaten omdat betrokkene de grootste beroepsspecialisatie en -ervaring heeft in de werking van het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg te Oostende van het Bestuur Bijzondere Jeugdzorg en aldus over de nodige organisatorische vaardigheden en kwaliteiten beschikt om de leiding van de dienst waar te nemen;”. Dit is de tweede bestreden beslissing;
  15. Over de ontvankelijkheid van de beroepen. 2.1.
  16. Overwegende dat de verwerende partij op 17 maart 2004 aan de Raad van State mededeelt dat aan verzoeker bij besluit van 14 december 2001 van de secretaris-generaal van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, op zijn aanvraag, een verlof voorafgaand aan de pensionering is toegekend met ingang van 1 april 2002; dat zij hierbij verwijst naar de artikelen 8 en 10 van het besluit van 5 oktober 1999 van de Vlaamse Regering betreffende de toekenning van een verlof dat voorafgaat aan de pensionering voor de ambtenaren van de diensten van de Vlaamse Regering om de ontvankelijkheid van verzoekers vorderingen in vraag te stellen; 2.1.
  17. Overwegende dat luidens artikel 8 van het besluit van 5 oktober 1999 van de Vlaamse Regering betreffende de toekenning van een verlof dat voorafgaat aan de pensionering voor de ambtenaren van de diensten van de Vlaamse IX-2790-6/13 Regering, het verlof voorafgaand aan de pensionering voltijds en onherroepelijk is en dat luidens artikel 10 van hetzelfde besluit de ambtenaar geen recht meer heeft op een bevordering in graad en in salarisschaal of op een aanwijzing in een mandaatgraad; dat door het aanvragen van dat verlof, dat vanaf 1 april 2002 is ingegaan en dat loopt tot aan de bij het besluit van 5 oktober 1999 verplicht gestelde pensionering op zestig jaar, verzoeker aldus vrijwillig verzaakt heeft aan zijn aanspraken op bevordering; dat verzoeker in zijn annulatievorderingen echter laat gelden dat de verwerende partij krachtens artikel 33, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het rijkspersoneel door de rangschikking van de kandidaten naar beoordeling en anciënniteit gebonden was en derhalve verplicht was om hem tot consulent-hoofd van dienst te bevorderen; dat verzoeker derhalve in geval van nietigverklaring van de bestreden beslissingen met terugwerkende kracht tot consulent-hoofd van dienst zou moeten worden benoemd; dat het voornoemde artikel 10 van het koninklijk besluit van 5 oktober 1999 evenwel niet kan beletten dat de verwerende partij nog uitvoering zou geven aan een vernietigingsarrest indien zou blijken dat de overheid destijds de rechtsplicht geschonden heeft om verzoeker tot consulent-hoofd van dienst te benoemen; dat zoals hierna zal blijken dit te dezen het geval is zodat verzoeker zijn belang bij de oplossing van onderhavig geschil niet verbeurd heeft door zijn verlof voorafgaand aan de pensionering op te nemen; 2.2.
  18. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie in een eerste exceptie opwerpt dat verzoeker geen belang meer heeft bij het beroep, aangezien “uit bijlage 9 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel, blijkt dat zowel verzoeker als tussenkomende partij sedert 1 januari 1994 titularis zijn van de graad van hoofddeskundige” en “deze graad (...) onder meer de vroegere graden van consulent- hoofd van dienst (rang 25) en van hoofdconsulent (rang 24) (omvat)”; 2.2.
  19. Overwegende dat de ambtenaren van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap bij besluit van de Vlaamse Regering van 24 november 1993 IX-2790-7/13 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel, ingeschakeld zijn in een nieuwe loopbaanstructuur; dat overeenkomstig artikel VIII 115 en de bijlage 9 bij dit besluit een aantal graden van niveau 2 met ingang van 1 januari 1994 zijn afgeschaft en de ambtenaren met één van die graden ambtshalve benoemd worden in een nieuwe graad; dat de ambtenaren met de graden van consulent-hoofd van dienst (rang 25) en van hoofdconsulent (rang 24) ambtshalve worden benoemd in de nieuwe graad “hoofddeskundige” (rang B 2); dat aan de ambtenaren met de afgeschafte graad van hoofdconsulent (rang 24) echter de eerste salarisschaal B 211 wordt toegekend, terwijl de ambtenaren met de afgeschafte graad van consulent-hoofd van dienst (rang 25) onmiddellijk de tweede salarisschaal B 212 verkrijgen; dat verzoeker derhalve nog steeds benadeeld kan zijn door het feit dat hij destijds niet tot consulent- hoofd van dienst (rang 25) bevorderd werd en bijgevolg zijn belang heeft behouden; dat die exceptie moet worden afgewezen; 2.3.
  20. Overwegende dat de verwerende partij als tweede exceptie opwerpt dat verzoeker geen belang heeft bij het beroep tegen de benoeming van een kandidaat die de anciënniteitsvoorwaarden vervult omdat hijzelf niet voorkomt in de rangschikking die met het oog op de benoeming in het kwestieuze ambt met toepassing van artikel 33, § 3, van voornoemd koninklijk besluit van 7 augustus 1939 werd opgesteld; dat zij hiervoor verwijst naar ‘s Raads arrest nr. 31.843, LOOSEN en BEGHIN, van 25 januari 1989; 2.3.
  21. Overwegende dat dergelijke opvatting van de verwerende partij geen steun vindt in het door haar aangehaalde arrest nr. 31.843; dat overigens niet wordt ingezien hoe een verzoeker geen belang zou hebben bij de annulatie van een beslissing waarbij de overheid tijdens de voorbereiding ervan een verplichting over het hoofd heeft gezien en hem derhalve ten onrechte uit de rangschikking zou hebben geweerd; dat die exceptie dan ook moet worden verworpen;
  22. Over de gegrondheid van de beroepen. IX-2790-8/13 3.
  23. Overwegende dat verzoeker, in wat als een eerste middel kan worden beschouwd, in essentie aanvoert dat aangezien hij voldeed aan alle bevorderingsvoorwaarden van beoordeling en graadanciënniteit, de overheid de verplichting had hem te benoemen omdat de bevorderingen door verhoging in graad tot een graad van de niveaus 2, 3 of 4 waarvoor geen examen is voorgeschreven in beginsel worden verleend volgens de rangschikking naar beoordeling en anciënniteit; dat wat deze rangschikking betreft, hij prioriteit kon laten gelden, aangezien de kandidaat die vóór hem gerangschikt was, met name Yvan DANGREAU, bij het comité voor bijzondere jeugdzorg te Roeselare benoemd werd; 3.
  24. Overwegende dat de verwerende en de tussenkomende partij zich op artikel 33, § 3, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het rijkspersoneel beroepen om aan te voeren dat de verwerende partij niet de verplichting had om verzoeker te benoemen; dat de verwerende partij in haar laatste memorie ontkent dat zij oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van artikel 33, § 3, van het voornoemde koninklijk besluit omdat zij zich “bij haar beslissing (heeft) laten leiden door het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst”, terwijl de tussenkomende partij “sedert enkele jaren de sociale dienst bij het Comité voor bijzondere jeugdzorg te Oostende op een voortreffelijke wijze (heeft) uitgebouwd en geleid” en dat dit onder meer blijkt uit het eensluidend advies van de directieraad van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur; dat dit advies als volgt luidt : “De heer De Cock geniet de voorkeur van de Directieraad om de volgende redenen : - zijn kandidatuur beantwoordt het best aan de functiebeschrijving en de functievereisten. De heer De Cock heeft een zeer grote beroepskennis en een sterk organisatievermogen. Zijn inzet en zin voor verantwoordelijkheid beantwoorden in alle opzichten aan wat kan verwacht worden van iemand die reeds geruime tijd belast is met de feitelijke leiding van de dienst te Oostende. - op het comité voor Bijzondere Jeugdzorg te Oostende heeft de heer De Cock bewezen over de nodige managementscreatieve capaciteiten te beschikken om in aanmerking te komen voor een bevordering tot consulent-hoofd van dienst. De heer De Cock heeft de dienst te Oostende uitgebouwd. Hij kan zijn collega*s leiden en motiveren en heeft geen moeite gespaard om het comité en de sociale IX-2790-9/13 dienst een eigen identiteit te bezorgen. Hij heeft de voorbije 4 jaar de dienst weten te organiseren in moeilijke omstandigheden. Om die motieven baseert de Directieraad de voordracht van de heer De Cock op artikel 33, § 3 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het Rijkspersoneel. Als kandidaat van het comité voor Bijzondere Jeugdzorg te Oostende, waar de bevordering tot consulent-hoofd van dienst moet worden verleend, geniet de heer De Cock op grond van zijn bekwaamheid en zijn beroepsspecialisatie unaniem de voorkeur van de Directieraad op de andere kandidaten, de heer Bertrem en de heer Vernack.”; dat de verwerende partij ook nog stelt dat uit de bewoordingen van artikel 33, § 3, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 niet kan worden afgeleid dat alleen van die bepaling toepassing kan worden gemaakt als de te begeven betrekking een specifieke bekwaamheid of specialisatie vergt; 3.
  25. Overwegende dat artikel 33, §§ 2 en 3, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het rijkspersoneel ten tijde van de bestreden beslissingen als volgt luidde : “§
  26. De bevordering door verhoging in graad tot een graad van de niveaus 2, 3 of 4 waarvoor geen examen is voorgeschreven, wordt verleend in deze volgorde : a) aan de kandidaat met de beste beoordeling; b) onder kandidaten die dezelfde beoordeling hebben gekregen of onder kandidaten die van beoordeling zijn vrijgesteld, aan de kandidaat die het best gerangschikt is volgens de bepalingen die gelden inzake rangschikking van het rijkspersoneel. Nochtans, wanneer het om graden van de rangen 25, 24, 35, 34, 44 of 43 gaat waarvan de functies als gespecialiseerd of leidend worden aangezien, kan tot de declassering van gegadigden worden overgegaan overeenkomstig het door de directieraad gemotiveerde voorstel, zonder van de hierboven onder a) gestelde regel te mogen afwijken. Een ministerieel besluit, genomen met de instemming van de minister tot wiens bevoegdheid het openbaar ambt behoort, bepaalt die graden. §
  27. In afwijking van § 2 kan de benoemende overheid, op grond van de bekwaamheid en van de beroepsspecialisatie van de kandidaten, van die volgorde afwijken ten gunste van de kandidaten van de dienst waar de bevordering moet worden verleend. Die afwijking wordt genomen op eensluidend en met redenen omkleed advies van de directieraad of van het college van dienstchefs, uitgebracht op verzoek van de benoemende overheid. Onder kandidaten van die dienst is de volgorde in dit geval die welke voortvloeit uit de toepassing van § 2 van dit artikel.”; IX-2790-10/13 3.
  28. Overwegende dat artikel 33, § 2, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 onder de kandidaten voor een betrekking van niveau 2, 3 of 4 met dezelfde beoordeling voorrang geeft aan de kandidaat met de grootste anciënniteit; dat die bepaling uitgaat van het vermoeden dat de kandidaat met de grootste anciënniteit -en dus met de langste ervaring- het meest geschikt is om tot een hogere graad te worden bevorderd, ongeacht de dienst waar de bevordering wordt verleend; dat artikel 33, § 3, evenwel de mogelijkheid biedt om “op grond van de bekwaamheid en van de beroepsspecialisatie van de kandidaten” van die regel af te wijken “ten gunste van de kandidaten van de dienst waar de bevordering moet worden verleend”; dat, luidens de slotzin van paragraaf 3, de volgorde onder de kandidaten van die dienst in dit geval die is welke voortvloeit uit de toepassing van paragraaf 2 ; dat aldus met paragraaf 3 het geval is bedoeld waarin de uitoefening van de functie in een bepaalde dienst een voor die dienst specifieke bekwaamheid of een voor die dienst specifieke beroepsspecialisatie vereist, waardoor de kandidaten die tot die dienst behoren in beginsel van een grotere geschiktheid blijk geven dan kandidaten die tot andere diensten behoren; dat een welbepaalde bekwaamheid om een welbepaalde dienst te leiden een specifieke bekwaamheid is, en niet een algemene bekwaamheid die van elke ambtenaar wordt verwacht; dat op die wijze kan worden vermeden dat kandidaten van andere diensten, die deze specifieke bekwaamheid of beroepsspecialisatie niet bezitten maar een grotere anciënniteit kunnen doen gelden, de voor die functie bekwame kandidaten van de dienst waar de bevordering moet worden toegekend zouden verdringen; dat een juiste toepassing van artikel 33, § 3, bijgevolg vereist dat voor de uitoefening van de te begeven functie een specifieke bekwaamheid of beroepsspecialisatie nodig is en dat die bekwaamheid en specialisatie eigen is aan de kandidaten van de dienst waar de betrekking moet worden begeven; dat zulks geenszins betekent dat in de overige gevallen de voorkeur - en bijgevolg een voorrang - moet worden gegeven aan kandidaten die tot deze dienst behoren; dat te dezen vastgesteld wordt dat, behoudens voor de betrekking bij het comité voor bijzondere jeugdzorg te Oostende, alle andere betrekkingen van consulent-hoofd van dienst, met toepassing van en overeenkomstig artikel 33, § 2, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939, toegekend zijn volgens de rangschikking naar beoordeling en anciënniteit, zonder dat een onderscheid is gemaakt naargelang de kandidaten al dan niet behoren tot de dienst waar de bevordering is verleend; dat alleen voor de betrekking van consulent-hoofd van dienst bij het comité voor bijzondere jeugdzorg te Oostende een uitzondering is gemaakt omdat de tussenkomende partij “de dienst op voortreffelijke wijze uitgebouwd en geleid” heeft, terwijl verzoeker niet bij de werking van de dienst betrokken was; dat evenwel niet afdoende blijkt dat voor de functie van consulent-hoofd van dienst bij het comité IX-2790-11/13 voor bijzondere jeugdzorg te Oostende een specifieke bekwaamheid of beroepsspecialisatie vereist was, waardoor kandidaten die tot deze dienst behoorden in beginsel van een grotere geschiktheid blijk gaven om die functie uit te oefenen dan kandidaten die, zoals verzoeker, tot een andere dienst behoorden; dat integendeel de betrekkingen bij de verscheidene comités voor bijzondere jeugdzorg en de sociale diensten bij de jeugdrechtbanken omwisselbaar zijn; dat ten slotte niet blijkt dat het comité voor bijzondere jeugdzorg te Oostende een totaal andere leiding en benadering vergde dan andere comités voor bijzondere jeugdzorg alwaar wel toepassing werd gemaakt van artikel 33, § 2, van het meergenoemde koninklijk besluit; dat de verwijzing in het advies van de directieraad naar “moeilijke omstandigheden” op dat vlak te vaag is en evenzeer zou kunnen gelden voor de andere comités voor bijzondere jeugdzorg; dat de verwerende partij bijgevolg met miskenning van artikel 33, § 2, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 ten onrechte toepassing heeft gemaakt van artikel 33, § 3, van dat besluit en derhalve verzoeker, gelet op zijn beoordeling en graadanciënniteit, had moeten benoemen tot consulent-hoofd van dienst bij het comité voor bijzondere jeugdzorg te Oostende; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  29. Vernietigd worden :
  30. de, onder postmerk van 6 februari 1992, betekende beslissing waaruit blijkt dat aan Roland BERTREM een benoeming in het bevorderingsambt van consulent- hoofd van dienst wordt geweigerd;
  31. de beslissing tot benoeming van Xavier DE COCK in het ambt van consulent- hoofd van dienst bij het comité voor bijzondere jeugdzorg te Oostende, beslissing gedagtekend 24 december 1992 en op 28 januari 1993 in openbaarheid gebracht. Artikel
  32. De kosten van de beroepen, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de Vlaamse Gemeenschap. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. IX-2790-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig november 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-2790-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.422 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.