id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.424 Rolnummer: A. 157616/XIV-21168 Zaak: Arrest 137424 - - 22/11/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-11-25 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 14:27 Fiche Arrest nr 137.424 van 22 november 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 137.424 van 22 november 2004 in de zaak A. 157.616/XIV-21.168 In zake : XXX, XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat S. COPINSCHI, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Place Jean Jacobs 13 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenland- se Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 8 juli 1967 en XXX, geboren op 4 augustus 1973, beiden van R. nationaliteit en van T. origine, op 19 november 2004 per fax hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 17 november 2004 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 oktober 2004 tot weigering van toegang, met terugdrijving; Gelet op de beschikking van 22 november 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 20 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op maandag 22 november 2004 om 11.00 uur; XIV-21.168-1/5 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M.-C. FRÈRE, die loco Advocaat S. COPINSCHI verschijnt voor de verzoekende partijen, van Adjunct-adviseur E. VISSERS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat S. DE VRIEZE, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 1.
- Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, uit het administratief dossier blijkt dat de repatriëring van verzoekers is voorzien op maandag 22 november 2004 om 23u55, zodat is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, § § 1 en 2; 1.2.
- Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, verzoekers een eerste middel afleiden uit de schending van “artikel 1, paragraaf 2 van de Conventie van Genève van 28 juli 1951"; Overwegende dat verzoekers de rechtstreekse schending van artikel 1, paragraaf 2 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) niet kunnen aanvoeren, zonder tegelijkertijd de schending in te roepen van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), omdat artikel 52 van de Vreemdelingenwet de criteria bepaalt van weigering van verblijf van de asielzoekers; dat artikel 1, paragraaf 2 van voornoemde Conventie bijgevolg niet dienstig kan worden aangevoerd en niet kan leiden tot de schorsing van de bestreden beslissingen; XIV-21.168-2/5 Overwegende dat het eerste middel niet ernstig is; 1.2.
- Overwegende dat verzoekers een tweede middel afleiden uit de schending van “de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen”; dat zij tevens de schending aanvoeren van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat de bestreden beslissingen op het eerste gezicht steunen op de volgende pertinente, deugdelijke en afdoende motieven die samengevat als volgt luiden: 1/ Op 3 oktober 2004 kwamen verzoekers met hun drie minderjarige kinderen aan op de luchthaven van Zaventem. Zij verklaren aan de grenspolitie dat zij op doorreis zijn naar Parijs waar zij een tiental dagen zouden verblijven. Zij zouden vóór hun doorreis één nacht in België doorbrengen; ze kennen evenwel noch de naam, noch het adres van een Belgisch hotel. Zij zijn niet in het bezit van een hotelreservatie. Verzoekers weten niet hoe zij naar Parijs zouden doorreizen en ze zijn niet in het bezit van toeristische informatie, reisplanning of documenten over bezienswaardigheden. Verzoekers zijn evenmin in het bezit van een hotelreservatie voor Parijs. Zij beschikken slechts over 300 euro voor een voorgenomen verblijf van een tiental dagen, wat absoluut ontoereikend is voor vijf personen. 2/ Op het ogenblik van hun aankomst in België zeggen verzoekers niets over de problemen die hen zouden hebben gedwongen om hun land te verlaten. Als het juist zou zijn dat het leven van verzoekers in D. in gevaar is, dan is het evident dat zij onmiddellijk het statuut van politiek vluchteling bij hun aankomst in België zouden hebben aangevraagd. 3/ De laatste opsluiting van verzoeker in zijn land van herkomst zou dateren van 5 september
- Desbetreffend verklaart verzoeker voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij gedurende drie dagen werd opgesloten (verhoorverslag DVZ, vraag 42, p. 3). Tijdens zijn interview in dringend beroep verklaart verzoeker dat hij van 5 september 2004 tot 11 september 2004 werd opgesloten, hetzij gedurende een zestal dagen. Deze opsluiting is het rechtstreeks motief voor de vlucht van verzoekers uit hun land van herkomst. Wat een dergelijk motief betreft, wordt van de asielzoekers verwacht dat zij dit motief correct, volledig en waarheidsgetrouw weergeven aan de asielinstanties. Als dit niet het geval is, kan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen besluiten tot de bedrieglijkheid van de asielaanvragen, zoals in casu. 4/ Het komt aan de asielzoekers toe om minstens een begin van bewijs aan te brengen betreffende de vervolgingen die zij zouden hebben ondergaan in hun land van herkomst. Dit klemt des te meer wanneer de asielzoekers zoals in casu allerlei documenten in hun bezit hebben. Het gaat om interne paspoorten, geboorteakten van de verzoekers, rijbewijs, huwelijksakte, geboorteakten van de drie kinderen en een kopie van een internationaal paspoort. Verzoekers brengen geen enkel bewijselement aan in verband met hun vluchtrelaas. Overwegende dat de bestreden beslissingen op het eerste gezicht zowel het individueel asielrelaas van verzoekers als de socio-politieke context van het land van XIV-21.168-3/5 herkomst van verzoekers hebben onderzocht; dat zij zich hiertoe steunen op objectieve, genuanceerde bronnen, waarvan de bewijswaarde en de draagkracht door verzoekers niet worden weerlegd; Overwegende dat het tweede middel niet ernstig is; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, § § 1 en 2; 1.
- Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, verzoekers het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet betrekken op hun persoonlijke situatie en veel te algemeen blijven in de beschrijving van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel; Overwegende dat niet is voldaan aan de derde cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, § § 1 en 2; BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. XIV-21.168-4/5 Aldus te Brussel, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig november tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-21.168-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.424 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div